Log in

De strafzaak Bruno Verlaeckt: een gevaarlijk precedent

Op 24 april staat de regionale ABVV-voorzitter Bruno Verlaeckt terecht voor het Hof van Beroep vanwege zijn sleutelrol bij het blokkeren van de toegang tot de Antwerpse haven. Deze korte, vreedzame actie op 24 juni 2016 wordt allicht één van de meest besproken blokkades ooit omdat het parket voor het eerst een vakbondsleider wil straffen voor ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer’. Maar is hier niet eerder sprake van een kwaadwillige belemmering van het stakingsrecht?

Voor alle duidelijkheid: al vanaf de jaren 1990 blokkeren stakingsposten af en toe enkele kruispunten aan de Scheldelaan, de toegangspoort tot de industriezone van de haven waar, behalve misschien een verdwaalde Chinese toerist, alleen personeel van de Antwerpse (petro)chemie passeert. Nooit gaf dit aanleiding tot noemenswaardige incidenten, laat staan strafvervolging. Volgens de traditie maakte de politie afspraken met de vakbondsverantwoordelijken, overeenkomstig artikel 1 van de Wet op het Politieambt: ‘De politie draagt bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij.’

In juni 2016 gooien burgemeester en politie het roer om. De dag voor de nationale staking verklaart Bart De Wever: ‘Ik duld geen blokkades die de haven verlammen’. De volgende morgen, omstreeks 4 uur, duikt de Dienst Info met dezelfde boodschap op aan het ABVV-gebouw. Daarna snelt de Dienst Info naar de vier stakingsposten, brieft de interventie-eenheden die met zwaar materieel klaarstaan. In het ochtendgloren, om 5.30 uur, trekt ‘Romeo’ met sproeiwagen en APC (Armored Personnel Carrier) naar de eerste blokkade aan de Kastelweg. Geïntimideerd door zoveel machtsvertoon maken de vakbondsmensen de weg vrij. Daarop rukt het interventiepeloton op naar de blokkade aan de Oosterweelsesteenweg, waar Verlaeckt de vakbondseisen aan wachtende bestuurders uitlegt. Tegelijk vraagt hij hen om te keren, zodat het verkeer wat minder klem komt te zitten. De politie vertaalt dit als volgt: ‘Verlaeckt, die blijkbaar de leiding heeft, gaat de confrontatie met de wachtende chauffeurs aan. Hij spreekt hen op een zeer luidruchtige en agressieve manier aan, wat tot een gevaarlijke situatie leidt. Aangezien hij de manifestanten aanzet om het verkeer te hinderen, spreken we met de aanwezige arrestatie-eenheid af om hem op te pakken’.

Opruimen en oppakken. Ziedaar, in twee woorden, de strategie van de politie. De officier van dienst moet niets hebben van normale omgangsvormen. Als politiemensen bij wat voor melding dan ook ter plaatse komen, dan is het hoogst gebruikelijk dat zij handen schudden, en onderhandelen om de boel te de-escaleren. Niks daarvan op 26 juni 2016. De politie dooft meteen enkele brandende autobanden, om vervolgens met onnodig geweld de vier blokkades één voor één op te doeken. Om 6.20 uur wordt Verlaeckt ‘bestuurlijk’ aangehouden. Om 6.36 uur volgt ABVV-militant, Tom Devoght, ‘omdat hij steeds opnieuw op de weg gaat staan en de anderen aanspoort om dit ook te doen’. Ten slotte begeeft de politie zich naar de Tijsmanstunnel, waar de laatste blokkerende vakbondsleden zich spontaan terugtrekken.

Het vreedzame karakter van de vakbondsactie staat buiten kijf. Dat onderschrijft de politie zelf: ‘Nergens dienden we de wapenstok te gebruiken’. De actievoerders hebben niemand in gevaar gebracht, behalve in het slechtste geval zichzelf. ‘De manifestanten duwen wel eens tegen een voorbijrijdend voertuig, waarbij het niet denkbeeldig is dat een of andere opgewonden bestuurder hen aan zou rijden.’ Verlaeckt en Devoght belanden in de ‘amigo’. In het bondig proces-verbaal staat te lezen: ‘Verlaeckt weigerde ogenblikkelijk te stoppen met het ophitsen van de menigte’. Reactie van Verlaeckt: ‘Ik had geen kwaadwillige bedoelingen. Ik was er aanwezig om de veiligheid van de manifestanten en de weggebruikers te waarborgen’.

Het strafonderzoek stelt niet veel voor. Geen enkele actievoerder, weggebruiker of getuige wordt verhoord. Zelfs de impact van de blokkade wordt niet eens nagegaan. Hoe erg zijn de files? Bij de politie is zo te zien geen enkele negatieve reactie binnengekomen. En er is geen greintje bewijs dat de blokkades de verkeersveiligheid in gevaar hebben gebracht. Het dossier raakt daarop ruim een jaar zoek, zodat iedereen denkt: het parket zal wel op gronden van algemeen belang de zaak seponeren, dus van strafvervolging afzien.

HET STRAFRECHT ALS PAARDENMIDDEL

Op 16 maart 2018 daagt het parket tot ieders verrassing Verlaeckt en Devoght voor de correctionele rechtbank te Antwerpen wegens ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer.’ De gelijkenis met verkrachters en drugsdealers is niet direct duidelijk, maar volgens het strafwetboek is die er wel degelijk: op grond van artikel 406 kunnen de vakbondsmensen tot tien jaar cel krijgen. Daarmee draait het parket de klok een eeuw terug, want pas na de Eerste Wereldoorlog, in 1921, werd het beruchte artikel 31O, dat staken verbood, uit het strafwetboek geschrapt. Net als in de 19e eeuw zet het parket nu het strafrecht opnieuw in om stakers als ordinaire criminelen te vervolgen.

Het parket pakt, zoals gezegd, uit met het beruchte artikel 406, ingevoerd na de staking van 1960-61. Tijdens de bespreking ervan in het parlement beloofde de regering plechtig het artikel nooit tegen vakbondsacties te gebruiken. Een loze belofte, achteraf gezien. In 1993 veroordeelt de Gentse correctionele rechtbank enkele boeren die met tractoren het verkeer blokkeerden. In maart 2001 is er een blokkade van de E313. Na een veroordeling in eerste aanleg, spreekt het Antwerpse Hof van Beroep de beklaagde vrij omdat er geen ‘kwaadwillig opzet’ in het spel is. Was het vakbondslid erop uit het verkeer te belemmeren? Nee, oordeelt het Hof, hij wilde eerder ‘ruchtbaarheid aan z’n eisen geven’. Het Hof wuift dus ieder ‘kwaadwillig opzet’ weg en plaatst de stakingsvrijheid boven de onvermijdelijke verkeershinder.

De uitspraak van het Antwerpse Hof spoort met het arrest Schmidberger dat het Europees Hof van Justitie op 12 juni 2003 velde. Wat was het geval? Milieuactivisten blokkeerden dertig uur lang (!) de Brennerpas tussen Oostenrijk en Italië, wat surrealistische files veroorzaakte. Het Hof van Justitie zag er geen graten in. ‘Een dergelijke actie brengt noodgedwongen een aantal verkeersongemakken met zich mee, maar dat weegt niet op tegen het feit dat de actievoerders er vooral op uit waren hun mening rechtmatig en openbaar te verkondigen.’ De actie is oké, vindt het Hof, zolang ze niet leidt tot ‘een algemeen klimaat van onveiligheid’ of tot ‘ernstige en herhaalde verstoring van de openbare orde’.

Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doet op 21 april 2009 haar duit in het zakje met het belangwekkend arrest Enerji Yapi-Yol Sen. De ambtenarenbond had de Turkse staat aangeklaagd omdat die in een circulaire herinnerde aan het geldende stakingsverbod voor ambtenaren in afwachting van de harmonisering van het stakingsrecht met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europees Hof verwijst naar artikel 6§4 van het Europees Sociaal Handvest, waaruit blijkt dat het stakingsrecht een middel is om de effectieve uitoefening van het recht op vereniging (artikel 11 EVRM) te waarborgen. Zo brengt Straatsburg voor het eerst het recht op collectieve actie onder de beschermende vleugels van het recht op vereniging. Vrijheid van staken is niet alleen het werk neerleggen. Het is ook het recht op collectieve actie, met inbegrip van stakingsposten en vreedzame blokkades. Eindelijk een definitieve erkenning van het stakingsrecht, na bijna een eeuw sociale strijd.

EROSIE VAN HET STAKINGSRECHT

Toch ligt het stakingsrecht alweer een tijdje onder vuur. Eerst trekken bedrijven meermaals naar de burgerlijke rechtbank, al dan niet aangemoedigd door onder meer Unizo en Voka. Via een eenzijdig verzoekschrift bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg eisen ze in kortgeding, zonder tegensprekelijk debat, aanzienlijke dwangsommen om blokkades en andere acties van stakingsposten in de kiem te smoren. Nu worden Devoght en Verlaeckt strafrechtelijk vervolgd voor ‘kwaadwillige belemmering van het verkeer.’ Dat is nog andere koek.

Op de correctionele zitting gaat de aanklager er met gestrekt been in. Hij haalt drie redenen aan om een principiële veroordeling te eisen. Eén: stakers staan niet boven de strafwet, evenmin als ‘terroristen’. Twee: Verlaeckt handelde met ‘kwaadwillig opzet’, vermits hij naliet vooraf toestemming te vragen aan de burgemeester. Drie: het stakingsrecht is niet heilig, want ook het recht op arbeid en vrij verkeer verdienen bescherming. Trouwens, Verlaeckt moet niet klagen over schending van het stakingsrecht, het stond hem vrij pamfletten op de stoep uit te delen, merkt de aanklager nogal wereldvreemd op. Toeval of niet, de aanklager richt het vizier doelbewust op Verlaeckt als organisator: ‘Hij was voor geen rede vatbaar. Als leider lokte hij een kat-en-muisspelletje met de politie uit.’

Niemand beweert dat stakers boven de wet staan, maar de aanklager is kennelijk blijven steken in de tijd van Napoleon. Tegenwoordig moeten rechters immers artikel 406 (kwaadwillige belemmering van het verkeer) toetsen aan de grondrechten, verankerd in grondwet en internationale verdragen, en aan de interpretatie ervan door het EHRM van Straatsburg. Concreet betekent dit dat rechters en overheden voorrang moeten geven aan de vrijheid van meningsuiting, van vereniging, van demonstratie, die tot de meest essentiële fundamenten van een democratische rechtsstaat behoren. De autoriteiten mogen deze cruciale grondrechten dan ook slechts uitzonderlijk indijken wanneer zoiets strikt noodzakelijk is in een democratische samenleving, wanneer de openbare veiligheid ernstig wordt bedreigd en er een disproportie bestaat tussen enerzijds de actie en anderzijds de gevaren ervan. In beginsel horen de autoriteiten zich zelfs in te spannen om betogingen en stakingen mogelijk te maken en te beschermen, zodat de burgers hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. In dit geval is de strafvervolging op grond van artikel 406 disproportioneel en is er geen dringende democratische noodzaak om een korte, volkomen vreedzame vakbondsactie te knevelen met onnodig politiegeweld en daarbovenop een strafvervolging. Het Antwerps parket weegt hoe dan ook met twee maten en gewichten, want nergens elders in het land werd tegen identieke acties van het ABVV opgetreden.

En hoe zit het met de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 406? Veroorzaakte de blokkade werkelijk een gevaarlijke verkeerssituatie? Daarvan is geen spoor van bewijs. Is er ‘kwaadwillig opzet’? ‘Kwaadwilligheid’ leidt de aanklager voor het gemak af uit het feit dat Verlaeckt geen toestemming voor z’n actie heeft gevraagd. Nee, zo simpel is het niet. Wat ziet de procureur zoal over het hoofd? Dat burgemeester en politie op de hoogte waren en tijdig alle passende maatregelen konden treffen. Dat niet aangevraagde acties in beginsel ook de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM genieten. Dat de vakbond nare ervaringen heeft met aanvragen. Een tijd tevoren vroeg het ACOD braaf toestemming voor een manifestatie. En wat was de repliek van de Antwerpse burgemeester? Ja, je krijgt toestemming mits: 1) je één steward per tien betogers inzet, 2) je de leuzen vooraf ter goedkeuring voorlegt, 3) je opdraait voor de kosten als het uit de hand loopt.

Op 29 juni 2018 spreekt de correctionele rechtbank een zogenaamd Salomonsoordeel uit. De rechtbank spreekt Devoght vrij en verklaart Verlaeckt ‘eenvoudig schuldig’. Niet meer dan dat. Maar toch kun je dat niet een echt Salomonsoordeel noemen, want de aanklager bekomt z’n principiële veroordeling en preventief, afschrikwekkend voorbeeld. De argumentatie van de rechtbank is pover. Ze bestempelt de blokkade als ‘potentieel gevaarlijk en kwaadwillig’, omdat Verlaeckt geen voorafgaande toestemming heeft gevraagd. Over het stakingsrecht is de rechtbank sibillijns: ‘De vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting en betogingsrecht zijn inderdaad noodzakelijke steunpilaren in een democratische samenleving. Dit houdt evenwel niet in dat deze rechten zonder enige beperking kunnen worden uitgeoefend’.

De verontwaardiging van het publiek is vrij algemeen. De teneur: er is sprake van een erosie van het stakingsrecht. Daarom gaat Verlaeckt in beroep. Hopelijk wint hij. Zo niet riskeren andere actievoerders eveneens vroeg of laat op het beklaagdenbankje te belanden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 3 (maart), pagina 67 to 71