Abonneer Log in

Dijk van Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 74 tot 76

Paul Tang zet de Nederlandse sociaaldemocratie op de juiste weg, maar het einde van de rit is nog niet in zicht.

Dijk van Europa

Paul Tang
Atlas Contact, Amsterdam, 2019

Dijk van Europa is een intrigerende titel voor een boek. Een dijk is in de letterlijke betekenis van het woord een dam, een bescherming tegen de vloed. Maar meer metaforisch heeft het ook de connotatie van 'waardevol' of 'excellent', als in 'heeft Paul Tang een dijk van een boek geschreven?'. Dijk van Europa speelt op die dubbele betekenis. Enerzijds argumenteert het dat de EU een prominentere rol moet spelen in het beschermen van haar bevolking tegen de tijdingen van de 21e eeuw (globalisering, individualisering, hulpeloosheid), maar anderzijds bepleit het ook de intrinsieke waarde van het idee 'Europa', haar waarden en haar plaats in de wereldorde.

Tang, een promovendus in de economie, was in 2014 de Europese lijsttrekker van de Nederlandse PvdA, en staat eind mei als tweede op de lijst na S&D-SpitzenkandidaatFrans Timmermans. Die dubbele achtergrond als econoom en politicus is duidelijk zichtbaar in de tekst. Dijk van Europa is op z'n best als het de politieke economie van Europa kritisch onder de loep neemt. Tang legt bloot hoe de flexibilisering van de arbeidsmarkt een vorm van beggar-thy-neighbour politiek is (pp. 37-38) en linkt die flexibilisering aan het einde van het Rijnlandmodel en de daling van de arbeidsinkomenquote (pp. 61-62, 92-93); hij neemt techgiganten als Google en Amazon op de korrel (p. 101-106); en in een welhaast academische excursus zet hij het trilemma van Rodrik begrijpelijk en op een politiek relevante wijze uiteen (pp. 82-85) om aan te geven hoe de markt de politiek opsluit in een 'gouden kooi' en zo de democratie aan banden legt (p. 83, 86-87).

Die laatste analyse is waarschijnlijk het hoogtepunt van Dijk van Europa. Tang geeft aan hoe sommige marktvormen, en met name de financiële sector, inherent democratische besluitvorming limiteren (pp. 95-102, 118-119), terwijl andere marktvormen in principe compatibel zijn met regulatorische vrijheid, maar omwille van actieve politieke keuzes toch de nationale en supranationale uitoefening van soevereiniteit inperken (p. 106, 110, 118). Globalisering dwingt ons bijvoorbeeld helemaal niet a priori tot een inperking van de welvaartsstaat. Politici gebruiken globalisering om een inperking van de welvaartsstaat af te dwingen en onvermijdelijk te maken. De taak van progressieve politici is om dit duidelijk te maken, en de tralies van de gouden kooi te doorbreken om op die manier het bestaansrecht van sociale bescherming in een geglobaliseerde wereld te vrijwaren en de relatie tussen markt en politiek te herdefiniëren.

Dit inzicht is de perfecte basis voor een sociaaldemocratische kritiek van het neoliberalisme, en die kritiek wordt ook expliciet gearticuleerd. De oude leuze dat er geen alternatief is, wordt bijvoorbeeld aan de kant gezet op een manier die voornamelijk courant is in kringen die radicaler zijn dan de centrumlinkse PvdA. Tang maakt ook ruimte voor kritische zelfreflectie, onder meer door het eenduidig afserveren van het beleid van de Derde Weg dat de sociaaldemocraten in de jaren 1990 gretig omarmden, en waarmee ook de PvdA lustig Koketteerde (p. 58, 169). Dijk van Europa formuleert met andere woorden de basis voor een revitalisering van de Nederlandse sociaaldemocratie, zoals die ook in Zuid-Europa en Groot-Brittannië onderweg is.

Die vaststelling is hoopgevend, maar ook onrustwekkend. Want als Dijk van Europa de aanzet blijkt te zijn tot een koerswijziging bij Nederlands centrumlinks, dan lijkt het weg waarlangs Tangs pamflet haar leidt lastig en geaccidenteerd te zullen zijn. De route die hij uitzet is eerder die van een moeizame heroriëntering a lasp.a dan die van een radicale gedaantewisseling in de stijl van Labour. De belangrijkste reden hiervoor is de onvolledigheid van zijn kritiek, en de moeite die hij soms heeft om ertoe te komen.

Het eerste teken aan de wand is Tangs nogal lange, ambigue, en uiteindelijk vrij pointeloze worsteling met het thema migratie (pp. 44-53). Hij geeft aan dat de gemiddelde Nederlandse burger de schaal van migratie serieus overschat, toont welgemeende empathie voor het lot van vluchtelingen, en waarschuwt voor de verdachtmaking van de vreemdeling. Ook de kritiek van Tang op arbeidsmigratie en het posted workers-principe is fair. Maar zijn anekdote over de eenzaamheid van ene witte mevrouw Homan in een erg diverse wijk, en zijn waarschuwing voor de 'dunne scheidinglijn tussen humaan en naïef, tussen ongegronde generalisaties en relativisme, tussen schuldig en onschuldig' doen de wenkbrauwen fronsen. Ook de herinterpretatie van het toneelstuk The Fire Raisers is bevreemdend. In deze parabel neemt een doordeweekse Duitse man in een dorp geteisterd door brandstichters twee onbekende mannen in huis, die langzaamaan olievaten en explosieven in zijn woonst binnenrollen, en uiteindelijk de eigenaar zelfs overtuigen hen lucifers te lenen. Het verhaal dateert uit de jaren 1950, en is een waarschuwing voor de goedgelovigheid van de gewone man en zijn vatbaarheid voor totalitarisme. Gerecontextualiseerd in een discours over migratie krijgt het echter ineens een veel sinistere betekenis, en daar kan Tangs snelle opmerking dat het verhaal eerder waarschuwt voor 'verwarring' dan voor de 'vreemdeling' weinig aan veranderen.

Een fundamenteler probleem is dat Dijk van Europa niet goed lijkt te weten wat het denkt over het politiek bedrijf. Het geeft duidelijk aan wat spaak loopt in de huidige politieke structuren, onder meer de eerder aangehaalde dominantie van de logica van de markt (pp. 122-123, 127-128), het problematisch functioneren van de Raad en de Commissie (pp. 134-135), en de angst voor de natiestaat bij de eurofederalisten (p. 156). De kritieken op het Verdrag van Lissabon (veel te gedetailleerd en te belemmerend voor een constitutioneel document) en op het Hof van Justitie (wiens jurisprudentie leidt tot een technocratische en gedepolitiseerde vorm van Europese integratie) verdienen een speciale vermelding, want we horen ze veel te weinig op links (pp. 28-29, 129-130, 152). Maar de diagnose blijft incompleet. Jeroen Dijsselbloem wordt enkel herinnerd als de man die een nogal 'ongelukkige opmerking' maakte over Zuid-Europeanen en hun voorliefde om geld uit te geven aan 'Schnaps und Frauen' (p. 9), en niet als de man die solidair met Wolfgang Schäuble en Mark Rutte de progressiefste regering van Europa op de knieën dwong om de Griekse economie tot een kerker van schuld, privatisering en austerity te kunnen veroordelen. Verder heeft het populisme 'de Europese samenwerking (nog) geen directe schade toegebracht' want haar opkomst 'is niet gepaard gegaan met reële politieke macht', zo wordt vermeld op pagina 65. Zelfs los van de manier waarop de kolossale impact van 'het indirecte effect dat traditionele partijen populistische perspectieven incorporeren' onderschat wordt, is deze claim werkelijk te gek om los te lopen.

Maar cruciaal is dat het finaal onduidelijk blijft wat links aan moet met de geschetste problematieken. De teloorgang van de 'kunst om te midden van verdeeldheid tot consensus te komen' en de 'verdeeldheid die Europese samenwerking lamlegt' worden betreurd (p. 133). Maar 'halfbakken compromissen' (p. 151, 153) staan krachtig optreden en 'taking back control' in de weg, en 'bij besluitvorming op gemeenschappelijke domeinen moet de praktijk van de consensus plaatsmaken voor het criterium van de meerderheid' (p. 173). Edoch moeten we desalniettemin 'verscheidenheid volop omarmen' (p. 159). Welke politieke weg moet de PvdA volgen om uit haar vagevuur te komen? Welke politieke strategie leidt naar de realisatie van de linkse kritiek op het neoliberalisme: compromis en geleidelijke implementatie? Radicale en ondeelbare eisen? Politieke hegemonie (zoals pp. 166-169 vaag lijkt te suggereren)? De lezer is het antwoord bijster.

Tang zet de Nederlandse sociaaldemocratie met Dijk van Europa kortom op de juiste weg, maar het einde van de rit is nog niet in zicht. Hij formuleert waardevolle inzichten en legt de fundamenten voor een gedegen kritiek waarop de PvdA een toekomst kan bouwen, maar de eerste steen moet nog gelegd worden. Meer radicalisme, meer durf, meer echt Hollands lef hadden van Dijk van Europa zoveel meer kunnen maken. Maar dat neemt absoluut niet weg dat het een waardevolle bijdrage is tot de vernieuwing op links.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 74 tot 76