Abonneer Log in

EU-argwaan in Centraal-Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 66 tot 67

Hoe Viktor Orbán over de EU denkt, weten we. Maar hoe zit het in de rest van Centraal-Europa?

De Centraal-Europese landen ondergingen in de jaren 1990 gelijkaardige socio-economische en politieke transformaties en boekten op hetzelfde moment, in 2004, dezelfde historische overwinning: lidmaatschap van de EU. In het anderhalve decennium voor die toetreding hadden ze er alles aan gedaan om eenstemmig naar buiten te treden (als 'Visegrádlanden', kortweg V4, genoemd naar een topontmoeting die in 1991 in het Hongaarse plaatsje Visegrád plaatsvond). Zeker wanneer het hun kansen op EU-lidmaatschap leek te kunnen versterken, verenigden ze zich onder dat label. In 2015, naar aanleiding van de discussie over vluchtelingenquota, werd het stof van dat etiket geblazen. Sindsdien strijden ze weer regelmatig met verenigde krachten, ditmaal tégen de EU. Maar een hechte club is de V4 niet. Bovendien houden de politieke leiders er lang niet allemaal dezelfde houding tegenover de EU op na. En ook de stem van het volk is niet eenduidig.

Om met dat laatste te beginnen: als je naar recente cijfers van Eurobarometer kijkt (december 2018), dan zie je dat het vertrouwen in de EU-instellingen in Hongarije (48%), Polen (47%) en Slovakije (43%) hoger is dan in bijvoorbeeld Frankrijk (33%) of Italië (36%). De meeste Centraal-Europese cijfers liggen eerder in de buurt van de Belgische score (52%). In Tsjechië is het vertrouwenscijfer wel een pak lager (slechts 32% van de Tsjechen zegt de EU-instituties te vertrouwen), maar dat is nog steeds hoger dan het aantal vertrouwende Britten (31%) of Grieken (26%). Gebrek aan vertrouwen betekent overigens nog niet een hele afkeuring van het EU-project. Er is een terugslag, dat is duidelijk, maar veel burgers hebben inmiddels ook wel gemerkt welke voordelen lidmaatschap heeft opgeleverd. Onderzoek van het Slovaakse onderzoeksinstituut Globsec heeft aangetoond dat er juist veel EU-sympathie bestaat onder jongere generaties Centraal-Europeanen. Bijna 75% van de Polen jonger dan 35 staat er positief tegenover.

Hoe zit het aan de zijde van de politici? Ook daar zijn belangrijke schakeringen aan te stippen. Neem Polen en Hongarije. De sleutelfiguren binnen de Poolse regeringspartij PiS – Jarosław Kaczynski en huidig premier Mateusz Morawiecki – zou je als broertjes van Viktor Orbán kunnen typeren. Maar het speelveld waarin PiS opereert is niet te vergelijken met dat van Fidesz. In Hongarije is de pro-Europese oppositie zwak. Al in 2011 heeft Orbán de grondwettelijke regels zodanig in zijn eigen voordeel herschreven dat je in Hongarije moeilijk nog van een eerlijk democratisch publiek debat kunt spreken. In Polen is de belangrijkste oppositiepartij, de rechts-liberale PO, uitgesproken pro-Europees en maakt kans op een overwinning bij de volgende verkiezingen. De strijd is er wel bits en laat een diep verdeeld land achter waarin zowel de weerzin tegen als de steun voor de EU intensifieert.

In Tsjechië liggen de zaken op een andere manier dubbelzinnig. President Miloš Zeman maakt geen geheim van zijn warme gevoelens voor Rusland en China, en de huidige eerste minister — de zakenmagnaat-annex-populist Andrej Babiš, leider van een minderheidsregering — is een koele minnaar van de EU. Maar zolang het financieel voordeel voor Tsjechië (en voor hemzelf) oplevert, profileert Babiš zich als een pragmatisch EU-adept. De EU-argwaan onder de Tsjechische bevolking is groot, maar op regeringsniveau lijkt opportunisme steeds de overhand te krijgen.

In Slovakije is het nog anders. De meest invloedrijke politicus van de afgelopen jaren daar is de voormalige eerste minister Robert Fico (van de partij Smer). Qua populistische retoriek zit hij grotendeels op de lijn Orbán/Babiš/Kaczynski, maar hij heeft zich in de loop van zijn regeerperiode wel vaak als voorstander van de EU geprofileerd. In 2009 trad onder zijn regering Slovakije toe tot de Eurozone, het enige land van de V4 dat dit deed; Slovakije mocht en zou geen paria in de periferie worden. Maar vandaag zetelt Fico niet meer. De huurmoord op onderzoeksjournalist Ján Kuciak in februari 2018 choqueerde het land en Fico nam ontslag toen bleek dat Kuciak op het spoor was gekomen van corruptienetwerken met mogelijke uitlopers naar Fico zelf. Burgers kwamen massaal op straat tegen corruptie, tegen Fico en voor de EU. Een nieuwe tegenstem leek geboren. Maar dat betekent dus nog niet dat bij de komende verkiezingen EU-vriendelijke politici een kans maken. Het Slovaakse partijlandschap is erg verdeeld en de belangrijkste concurrenten van Smer zitten op extreemrechts.

Hoe moet je deze situatie in zijn geheel typeren? Weerklinkt in de V4 een eenstemmige afwijzing van de EU? Het imago van de EU is er niet schitterend, maar het is ook nog niet over de hele lijn dramatisch. Meningen variëren zowel onder burgers als onder politici. Problematisch is wel dat deze variaties van EU-argwaan in een complexe mix van andere ontwikkelingen vervat zitten: aanhoudende corruptie, toenemende polarisering, leugenachtige campagnes en megalomane identiteitspolitiek. Verdeeldheid over de EU is niet per definitie slecht voor een democratie. Maar wat nu in Hongarije gebeurt, en waar politici in de andere Visegrádlanden met interesse naar kijken, is iets anders: EU-argwaan wordt doelbewust ingezet om de democratie te ondermijnen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 66 tot 67