Abonneer Log in

The Left Case Against the EU

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 77 tot 79

Voor wie vindt dat Costas Lapavitsas een (halve) zot is die gevaarlijke standpunten inneemt, zou ik het boek zeker aanraden.

The Left Case Against the EU

Costas Lapavitsas
Polity, Cambridge, 2019

Costas Lapavitsas is geen fan van de Europese Unie, en zeker niet van de euro. Dat verklapt de titel van zijn boek al: The Left Case Against The EU. Voor wie Lapavitsas al langer volgt, is dat geen verrassing. Hij is economieprofessor aan de School of Oriental and African Studies (SOAS) in Londen, en als academicus was hij in 2010-2011 hoofdauteur van drie radicale rapporten over de eurozonecrisis.

In januari 2015 werd hij verkozen als parlementslid in Griekenland voor de linkse partij Syriza. Na de bocht van Syriza – het aanvaarden van het Europese diktat van besparingen en verarming – koos hij samen met 24 andere parlementsleden voor de radicaal-linkse afscheuring Popular Unity, die in augustus 2015 de kiesdrempel niet haalde. En nu is er dus dit boek, dat voortbouwt op zijn eerdere analyses.

In het eerste hoofdstuk bespreekt Lapavitsas hoe het overwicht van het neoliberalisme in de EU sinds het Verdrag van Maastricht de linkerzijde verdeeld heeft. Hij beschrijft hoe een deel van links de eurozone en de EU als een arena beschouwt waarin de politieke strijd zich afspeelt. Neoliberale en anti-werknemer beleidskeuzes zijn niet inherent aan de EU en de euro, maar zijn louter het gevolg van de krachtsverhoudingen in lidstaten zoals Duitsland en Frankrijk. Als we die machtsbalans kunnen veranderen in het voordeel van links en de arbeidersklasse, kunnen we ook het beleid en de instellingen van de EU veranderen.

Lapavitsas is het daar niet mee eens. In zijn ogen zijn de eurozone en de EU gestructureerd in het belang van het kapitaal en tegen de arbeidersklasse. Ze zijn onmogelijk te hervormen. De linkerzijde moet dan ook zijn radicalisme terugvinden en de EU en de euro verwerpen (en omverwerpen).
Waarom? Dat zet hij uiteen in de volgende hoofdstukken. Hij begint met een geschiedkundig overzicht. Daarbij is de euro voor Lapavitsas een beslissende stap in de neoliberale transformatie van de EU, die de machtsbalans deed overslaan in het voordeel van het kapitaal en het nadeel van de arbeidersklasse. De euro verankerde ook de hegemonie van Duitsland in het voordeel van de Duitse exportindustrie, zoals hij uitlegt in het derde hoofdstuk.

Het vierde hoofdstuk gaat over de eurozonecrisis, die volgens Lapavitsas de houdgreep van het neoliberalisme binnen de eurozone bevestigde, en de scherpe kant van de Duitse hegemonie blootlegde. Austeriteit, neoliberalisme en de Duitse exportindustrie wonnen, de Europese arbeidersklasse verloor.

Dat werd nog het pijnlijkst duidelijk in Griekenland, dat in het vijfde hoofdstuk aan bod komt. De manier waarop de Griekse economie en de Griekse burger volledig werden vermorzeld door de troika, leiden tot het besluit van Lapavitsas: 'The left must not try to implement policies that are against austerity and in favour of working people while also attempting to stay in the EMU. There can be no disobedience from within, no 'creative ambiguity' in negotiations, no attempt to force the mechanisms of the EMU to relent by relying on democratic authority. This is a hopeless path that leads to certain defeat. A left government must instead prepare to rupture with the EMU, and for a direct challenge to and even rejection of the EU.'

Die zienswijze werkt hij verder uit in zijn slothoofdstuk, waarin hij stelt dat de democratie en soevereiniteit op nationaal niveau moeten worden teruggewonnen, en dat enkel van daaruit een socialistische maatschappij kan worden vormgegeven. Dat de EU van binnenuit radicaal hervormd zou kunnen worden, noemt hij een waandenkbeeld ('en niemand vertolkt dat waanidee duidelijker dan Yanis Varoufakis' – Lapavitsas is geen fan van zijn ex-collega-parlementslid bij Syriza).

Voor wie na deze korte bespreking vindt dat Lapavitsas een (halve) zot is die gevaarlijke standpunten inneemt, zou ik het boek zeker aanraden. Zijn analyses zijn vaak pertinent. De vraag is of zijn oplossing – het einde van de euro en zelfs de EU – de 'juiste' is. Daar overtuigen zijn argumenten mij niet, ook al heb ik er een zekere sympathie voor.

Welke kant moeten we kiezen bij de tegenstelling binnen de linkerzijde tussen zij die vinden dat we de eurozone en EU (radicaal) moeten hervormen, en zij die denken dat dat een neoliberale instelling is die omvergeworpen moet worden? Hier past volgens mij voor één keer wel een enerzijds-anderzijds verhaal.

Een eerste argument voor de eurosceptische visie is dat de instellingen van de EU een neoliberale bias vertonen, zoals Lapavitsas terecht stelt. Hij legt in zijn historisch overzicht een interessante link met Friedrich von Hayek, die volgens hem zou hebben gepleit voor een federale unie waarbij de lidstaten beperkt worden in hun economische interventies. De academicus Adam Harmes spreekt in dat opzicht over 'neoliberaal nationalisme'. Dat staat voor een visie waarbij we wel een grote interne markt en economische integratie nodig hebben met vrij kapitaal- en handelsverkeer ('neoliberaal'), maar waarbij de lidstaten zelf verantwoordelijk blijven voor sociale, fiscale en ecologische normen, en op die vlakken dus integratie actief tegenwerken ('nationalisme'). Die institutionele setting – die sterk verdedigd wordt door Sander Loones en Johan Van Overtveldt (N-VA) – zet aan tot een race to the bottom op fiscaal, sociaal en ecologisch vlak.

Het tweede argument voor een verwerping van de euro en de EU is dat de instellingen moeilijk te hervormen zijn. Veel regels zijn vastgelegd in moeilijk te wijzigen verdragen, en progressieve sociale of fiscale hervormingen vereisen vaak unanimiteit – en dus steun van 28 lidstaten waarbij het onwaarschijnlijk is dat daar overal tegelijk progressieve coalities regeren.

Een derde argument is dat de EU en euro in sommige gevallen wel degelijk een blok aan het been (kunnen) zijn. Dat was al het geval bij Griekenland. Ook bij een Verenigd Koninkrijk onder Jeremy Corbyn zou het op sommige beleidsdomeinen kunnen botsen als de Brexit niet doorgaat – zeker als Labour nog verder radicaliseert.

Maar ook de voorstanders van een (radicale) hervorming van de EU en eurozone hebben goede argumenten.

Ten eerste zou het opbreken van de EU en eurozone voor veel economische miserie kunnen vormen – één van de redenen dat de Griekse Syriza-regering de stap naar de Grexit waarschijnlijk niet durfde te zetten.

Ten tweede is de vraag of het probleem vandaag wel bij de instellingen ligt. Veel van de neoliberale beleidskeuzes die door de institutionele set-up van de EU worden gepromoot (de race to the bottom, een beleid van privatisering en liberalisering, het besparingsbeleid in crisistijden) werden en worden volop gesteund door de regeringen in de lidstaten. Op sommige vlakken zijn het de lidstaten die progressieve hervormingen op Europees niveau tegenhouden. Denk bijvoorbeeld aan de harmonisatie van de belastingen of de financiële transactietaks, waarbij de Europese Commissie vooroploopt, maar de lidstaten (waaronder België) progressieve Europese regels tegenhouden. Behalve wanneer Labour onder Corbyn aan de macht zou komen, zie ik op dit moment in geen enkele lidstaat een linkerzijde die zo sterk staat dat de euro of de EU een rem zouden vormen op het beleid dat ze zouden willen voeren.

Een derde argument dat pleit voor een hervorming in plaats van verwerping van de EU, is dat het twijfelachtig blijft of een klein land buiten de EU meer macht kan uitoefenen over financiële markten en multinationals. Het is niet onmogelijk – IJsland kon na de crisis bijvoorbeeld een minder orthodox beleid voeren met sterke kapitaalcontroles op de uitstroom van kapitaal – maar in een gemondialiseerde economie blijft dat een bijzonder grote uitdaging. 'Socialisme in één land' was nooit een evidentie, en is dat vandaag evenmin.

Conclusie: vanuit links oogpunt kunnen beide visies – een radicale hervorming / een radicale verwerping – legitiem zijn. Belangrijk is dat de tactische – en niet per se – inhoudelijke meningsverschillen geen wig drijven binnen de linkerzijde. Enkel de concrete praktijk kan uitwijzen wat mogelijk en wenselijk is. Een radicale hervorming van de eurozone en de EU blijft de beste optie. Maar als dat in de praktijk onmogelijk blijkt, of als de Europese instellingen blijvend linkse nationale projecten en experimenten ondermijnen, mogen noch de EU noch de euro in alle gevallen een fetisj zijn. Met de EU en euro als het kan, zonder als het moet.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 4 (april), pagina 77 tot 79