Abonneer Log in

Bevriende vijanden

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 77 tot 79

Wat is de weg naar herstel voor sp.a? Het antwoord op deze vraag begint onder meer bij historisch inzicht. Lees daarom Harry Van Velthoven.

Bevriende vijanden

Harry Van Velthoven
Polis, Kalmthout, 2019

De gehavende Vlaamse sociaaldemocraten zijn na 26 mei 2019 nog net 10% van de electorale markt waard. Is er een weg naar herstel? Waar liggen de verklaringen? Wat zijn de remedies? Het antwoord op deze en meer vragen begint onder meer bij helder historisch inzicht. Daarom wil ik jullie als verplichte lectuur het boek van Harry Van Velthoven aanraden: Bevriende vijanden. Hoe de Belgische socialisten uit elkaar groeiden.

De titel van het boek is ontleend aan een uitspraak van Guy Spitaels uit 1985. De unitaire partij BSP was toen al zeven jaar gesplitst in de volkomen autonome PS en SP. Anders wellicht dan de Franstalige Walen en Brusselaars het hadden gedacht, had SP onder het voorzitterschap van Karel Van Miert een dynamisch en verjongd profiel gevonden dat bij PS toen ontbrak. Spitaels had eind 1981 in moeilijke omstandigheden het voorzitterschap overgenomen van André Cools. Spitaels groeide er uit tot de almachtige 'dieu' die de kloof met SP nog vergrootte en die als eerste dreigde met de vorming van een asymmetrische regering zonder SP die voor hem 'des amis ennemis' waren geworden. Het was enkel onder hoge druk van de nog invloedrijke oude garde uit de grote zuilorganisaties dat de 100e verjaardag van de BWP toch nog een beetje gemeenschappelijk werd gevierd, met een prestigieuze tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek.

De uitspraak van Spitaels was meer dan een oprisping. Ze was gebed in een lange geschiedenis waar de mooie droom van de ideologische eenheid van het Belgisch socialisme botste op communautaire spanningen. Het is de zeer nuttige verdienste van Harry Van Velthoven om oorsprong en verloop van deze spanningen in een krachtige en goed leesbare synthese te brengen. Van Velthoven is niet aan zijn proefstuk toe. In het spoor van Jan Craeybeckx en Els Witte publiceert hij sinds 1974 bij voorkeur over de interactie tussen de Vlaamse en de socialistische beweging. Met groot meesterschap brengt hij nu de evolutie en de interactie van het Waalse, Brusselse en Vlaamse socialisme tot de finale breuk die ook de christendemocraten en liberalen al vroeger hadden beleefd. Zijn uitgangspunt houdt hij strikt bij de politieke en communautaire context. Van Velthoven is niet de man van modellen, theorieën, interdisciplinaire uitweidingen of ideologiekritiek. Wie dat wil kan er in elk hoofdstuk bij aansluiten. Wat we lezen is pure, zeer voedzame politieke geschiedenis in vier chronologische blokken.

In zijn inleiding sluit hij aan bij het recente onderzoek over de botsende communautaire identificaties die reeds van bij de stichting, zij het verscholen, aanwezig waren. Verhelderend daarvoor is Maarten Van Ginderachter, Het rode vaderland. De vergeten geschiedenis van de communautaire spanningen in het Belgische socialisme voor WO I (Lannoo/AMSAB-ISG, 2005). Het objectief van de BWP was de wettelijke verovering van de politieke macht, dus eerst de verwerving van het Algemeen Stemrecht. De jonge BWP had er volle goesting en geloof in. De Gentse en Brusselse federaties waren sterker in structuren en organisatiemodel, de Luikse en Henegouwse federaties in mobiliseerbare arbeidersmassa's. In 1894 kwamen voor het eerst 28 socialisten in de Kamer in het stelsel van algemeen meervoudig stemrecht. Er was 1 Vlaming bij: de Gentenaar Edward Anseele sr., verkozen op een Luikse lijst. Het grote proces van de negatieve integratie was gestart. Op weg dus naar de eindoverwinning zoals het in de socialistische strijdliederen bezongen werd.

Ik onderbreek even mijn verhaal met een statistisch overzicht van het aantal socialistische Kamerzetels over de ganse periode die Van Velthoven beschrijft: 1894: 28 zetels op 152 (18%); 1912: 39 zetels op 186 (21%); 1919: 70 zetels op 186 (38% - zuiver algemeen stemrecht); 1925: 78 zetels op 186 (42%); 1939: 64 zetels op 202 (32%); 1946: 69 zetels op 202 (34%); 1981: 61 zetels op 212 (29% - 35 Franstalige en 26 Vlaamse zetels).

Merk op dat enkel 1925 er uit springt met 42% van alle Kamerzetels (27 uit Vlaanderen, 10 uit Brussel en 41 uit Wallonië). Op geen enkel ander ogenblik kregen de socialisten ooit het perspectief van een volstrekte meerderheid voor ogen, behalve af en toe in Wallonië en dat scherpte de communautaire discussie aanzienlijk aan. Het kwam voor de eerste keer zeer scherp tot uiting na de ontgoochelende uitslagen in de wetgevende verkiezingen van 1912. Sinds 1884 was men, samen met de liberalen, in een antiklerikaal front aan het beuken tegen de absolute katholieke meerderheid die zijn grootste wervingskracht in Vlaanderen vond. Het was toen dat Jules Destrée in de Revue de Belgique (1912) zijn fameuze brief publiceerde waarin hij Koning Albert I duidelijk maakte dat er geen 'âme belge' bestond. Men kon rationeel en zelfs emotioneel aan België gehecht zijn, maar de Waalse identiteit was prioritair. En er kon geen sprake zijn van tweetaligheid in Wallonië. Dat zou de Walen reduceren tot tweederangsburgers, niet meer thuis in Vlaanderen en gediscrimineerd in het eigen Wallonië. Het was ook op dit moment dat Camille Huysmans vanuit Antwerpen de Vlaamse BSP-federaties voorging op de weg naar culturele autonomie. De vaste taalgrens kwam dus in zicht. Het belette niet dat Huysmans en Destrée samen solidair op dezelfde tribunes stonden. De complexe zuilenorganisatie van de BWP speelde daarbij de grootste rol om de nationale samenhorigheid van alle socialisten voorop te stellen. Het is pas in de snelle verzwakking van dit zuilmodel in de jaren 1970 dat men een stevige en bijkomende verklaring kan vinden voor de definitieve breuk van de eenheidspartij.

Zonder ideologische herbronning kwam de BWP in het Interbellum terecht in een politiek landschap waar de socialisten te weinig en te laat beseften dat ze eerder per hoge uitzondering dan per regel een deeltje regeringsmacht toebedeeld kregen. Tien jaar lang werd ook het Belgisch nationaliteitenvraagstuk verdrongen, maar vanaf 1928 – met de Bormsverkiezing in Antwerpen als sterkste signaal – kwam het galopperend het Belgische politieke leven overheersen. Ook de BWP zocht er nieuwe evenwichten in. Meest bekend maar wellicht overbeklemtoond was het politiek compromis dat de naam Huysmans-Destrée droeg. Luik ontwikkelde zich inmiddels verder tot een centrum van hevig wallingantisme dat verder wou gaan dan culturele autonomie en er ook bestuurlijke en financiële autonomie aan toevoegde. Spijtig is dat de analyse van Van Velthoven in dit derde deel weinig aandacht geeft aan de persoon en de rol van Hendrik de Man die van 1933 ('Plan van de Arbeid') tot 1940 (voorzitterschap van de partij) een zeer bijzondere protagonist werd, ook in zijn visie op het Belgische nationaliteitenvraagstuk. Zeer recent verscheen een nieuwe biografie van Hendrik de Man van de hand van Jan Willem Stutje: Hendrik de Man. Een man met een plan (Polis, 2019). Stutje, die Hendrik de Man volledig de grond in schrijft, gaat zelf helemaal voorbij aan de centrale vraagstelling van Van Velthoven. Het is een opvallend voorbeeld van hoe twee interessante syntheses over dezelfde periode en dezelfde feiten een totaal verschillend analysepad volgen. Ik kan alleen met aandrang aandacht voor beide boeken vragen.

Na de Bevrijding hebben de socialisten zelf het voorbeeld gegeven van hoe je naast de problemen kunt kijken. Het is het voorwerp van het vierde en laatste deel van Van Velthovens analyse. Het bevat twee meesterlijk goede stukken: één over het uiteenvallen van de Brusselse BSP-federatie in 1968 en één, als slotstuk, over het uiteenvallen van de unitaire partij in 1978. In de zo sterk veranderende tijd van de jaren 1960 en 1970 werd er bij de Franstalige Brusselse socialisten vooral paniek gezaaid door de opmars van het FDF, die in 1965 10% van de stemmen maar in 1974 39,6%. Het lag bijna voor de hand dat het oude gentleman's agreement met de Vlaamstalige Brusselse minderheid op springen stond. Die minderheid vertoonde toen wel een bijzondere vitaliteit, met voor de traditionele BSP afwijkende kenmerken: jong, progressief in nieuwe normen, vrouwelijk, hooggeschoold, en ook sociaal en cultureel actief buiten de eigen zuil. Het moest dus fataal botsen. Het werd de voorbode van wat in 1978 met de ganse partij zou gebeuren met opnieuw Luik als grootste brandhaard: Luik waar 'waal en socialist' wel synoniem was, Vlaanderen waar 'Vlaming en socialist' het (nog?) niet was. Daar kijken we nu op terug met een afstand van twee of meer politieke generaties. Geschiedenis is er niet noodzakelijk om er lessen uit te trekken, maar noodzakelijk inzicht brengt het wel.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 77 tot 79