Abonneer Log in

National Populism

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 66 tot 68

Roger Eatwell en Matthew Goodwin tonen onderbouwd aan dat de populistische kiezers met recht en rede kritisch zijn ten opzichte van politieke elites.

National Populism

Roger Eatwell, Matthew Goodwin
Pelican, Louisiana, 2018

Nu het populisme hoogtij viert, ook hier te lande, is het boek van Eatwell en Goodwin een absolute aanrader. Om meerdere redenen, maar vooral omdat de analyse van de drijfveren van de bevolking om voor die partijen te kiezen de kern uitmaakt van hun onderzoek.

Nationaal populisme legt de nadruk op de cultuur en de belangen van het volk, en beweert opnieuw een stem te zullen geven aan de gewone mensen, die zich tekortgedaan voelen door de heersende, afstandelijke elites. Populisme is dus meer dan een stijl, maar ook een ideologie. Zij het een 'smalle ideologie' die uit meerdere vaatjes tapt, zeker wat de economische uitzichten betreft. Om het onderscheid met linkse varianten te maken, zoals Bernie Sanders, moet de term 'nationalisme' toegevoegd worden om duidelijk te maken waarvoor populisten van het slag van Donald Trump of Marine Le Pen staan. Nationalisme houdt een sterk verlangen in om de nationale identiteit te beschermen tegen radicale verandering en wil het nationaal belang promoten. Mooi samengevat in de slogan 'Make America great again'. De professoren Eatwell en Goodwin leggen niet alleen uit wat nationaal populisme betekent, maar ook wat het niet is. Ook al is het nationaal populisme een rechtse ideologie en vertonen heel wat van hun leiders extreemrechtse trekjes, dan nog is het geen fascisme. Populisten willen geen einde stellen aan de parlementaire democratie, noch aan vrije verkiezingen. Evenmin willen ze alle macht concentreren in handen van een dictator. Ze zijn ook geen pleitbezorgers van een etnisch zuivere gemeenschap, waarmee ze zich onderscheiden van onversneden racisten.

De kern van het boek staat in het teken van de vraag waarom mensen in grote getale voor nationaal populisten stemmen. De auteurs vatten dit samen onder de 'Four Ds': Distrust, Destruction, Deprivation, De-alignment. Eerste motief: Distrust of het wantrouwen in de politiek en de instellingen. De liberale of parlementaire democratie heeft altijd al te kampen gehad met een gebrek aan participatie van de volksmassa. Surveys bewijzen dat het vertrouwen in de instellingen, bij uitstek de politieke instellingen, geen hoge toppen scheert. Maar de laatste jaren is de afstand nog groter geworden, denk maar aan de Europese Unie. De politiek lijkt verder af en minder representatief waardoor velen de conclusie trekken dat 'mensen als wij' geen stem hebben in het debat en daarom de kaart van de populisten trekken. Tweede beweegreden: Destruction of het gevoel aan verlies van de eigen nationale identiteit en de bedreiging van de eigen levensstijl door toenemende immigratie en culturele diversiteit. Mensen hebben het gevoel dat immigratie toeneemt, dat de klassieke politici daar geen paal en perk willen of aan kunnen stellen, dat hun angsten niet ernstig worden genomen. Derde motief: Deprivation of achterstelling als gevolg van de toenemende inkomensongelijkheid en het verlies aan het geloof in een betere toekomst. Niet alleen de absolute ongelijkheid naar inkomen en rijkdom is van tel, maar vooral een groeiende relatieve achterstelling: heel wat groepen hebben het gevoel dat ze terrein verliezen ten opzichte van andere groepen. En dat slaat heus niet alleen op werklozen of de laagst betaalde werknemers, maar op al diegenen die zich bedreigd voelen en ervan overtuigd zijn dat het vroeger beter was en dat ze er morgen nog slechter aan toe zullen zijn dan vandaag. Dergelijk gevoel aan sociaaleconomische achterstelling wordt nog versterkt door het net genoemde verlies aan identiteit en zekerheid omwille van immigratie en culturele diversiteit. Vierde trend: De- alignment of het verlies aan binding met de traditionele partijen. Terwijl de naoorlogse periode gekenmerkt werd door een sterke binding aan traditionele partijen is daar vandaag geen sprake meer van. Het politieke landschap is meer volatiel, meer gefragmenteerd en minder voorspelbaar. Een trend die alle traditionele partijen treft, waaronder de sociaaldemocratie.

De auteurs onderlijnen dat deze trends samen moeten worden gezien, dat geen enkele factor op zich het complexe fenomeen van de opkomst en de groei van het nationaal populisme kan verklaren. Het gaat dus om economie en cultuur, om jobs en migratie, om besparingsbeleid en nationalisme. Ze onderstrepen bovendien dat het nationaal populisme ook op de langere termijn een groot potentieel heeft en geen voorbijgaand fenomeen is, eenmaal de gevolgen van de financieel-economische crisis zijn uitgewerkt. Daar zijn meerdere redenen voor, zoals de blijvende bezorgdheid over migratie in het licht van dalende geboortecijfers in het Westen, de onmacht van de Europese Unie om een coherent vluchtelingenbeleid te voeren, de toenemende ongelijkheid en onzekere uitkomst van automatisering en digitalisering. Ook diegenen die al hun hoop stellen in de jongere generaties zouden zich lelijk kunnen mispakken. Al zijn ze toleranter dan hun ouders en grootouders, toch blijken de nationaal populisten in staat om jongeren aan te spreken die zich op een of andere manier achtergesteld voelen en vertonen jongeren nog minder binding met de traditionele partijen. De grootste bedreiging voor de liberale democratie schuilt volgens de auteurs in wat zij het 'post-populisme' noemen: de trend waarbij populisten er al in geslaagd zijn om de westerse politieke systemen te doen opschuiven naar rechts. Ook al verliezen ze soms de verkiezingen, mainstreampolitici nemen ondertussen hun agenda over. We hoeven maar te denken aan de realisatie van een groot deel van het 70-puntenprogramma van Vlaams Blok. Voeg daarbij dat een groeiende groep nationaal populisten delen overnemen van de klassieke linkse agenda's, zoals een grotere staatsinterventie en het garanderen van betere sociale uitkeringen (tenminste voor wie in het land is geboren!), en het is duidelijk hoe moeilijk het voor de sociaaldemocratie wordt om haar kiezers terug te winnen.

Eatwell en Goodwin hebben een standaardwerk over populisme neergezet. Het beschrijft het internationaal karakter van het fenomeen, weliswaar beperkt tot de VS en Europa. Het nationaal populisme wordt geduid vanuit historisch perspectief. En het brengt de nodige nuance aan in het debat. Zowel wat de nationaal populistische partijen zelf betreft, die niet op een hoopje kunnen worden gegooid met de fascisten en evenmin – toch zeker niet in alle gevallen – als racisten bestempeld kunnen worden, al is weerstand tegen migratie een gemene deler en is er een belangrijke strekking die de islam als onverzoenbaar beschouwt met de westerse gewoonten en waarden.

Maar de belangrijkste nuance zit hem in de beschrijving van hun kiezers zelf en van hun drijfveren. Een nuance die op tijd komt, nu veel van die kiezers worden afgeschilderd als racisten, 'rednecks', 'chavs' of 'deplorables'. Dat is niet alleen moreel fout, want hoe kan je verdraagzaamheid, waardigheid en respect bepleiten en tegelijk met minachting neerkijken op ganse bevolkingsgroepen, maar het is ook naast de kwestie. Wat Eatwell en Goodwin onderbouwd aantonen is dat de populistische kiezers met recht en rede kritisch zijn ten opzichte van politieke elites die de band met gewone mensen kwijt zijn, dat ze zich vragen stellen bij de erosie van de natiestaten die in hun ogen als enige in staat zijn gebleken om het sociale en politieke leven te organiseren, dat ze zich vragen stellen bij migratie, en bij een economie die zoveel ongelijkheid voortbrengt. Daarom moeten hun angsten ernstig worden genomen. Het is zaak om die angsten een alternatieve uitweg aan te bieden. Op dat vlak blijven de auteurs het antwoord schuldig. Ze bieden geen uitgewerkt alternatief aan, geen globale strategie om het tij te doen keren. Op enkele hints na, zoals het pleidooi voor meer directe democratie.

De auteurs hangen een pessimistisch beeld op van de slaagkansen van de sociaaldemocratie om de globale terugslag te boven te komen. Naast de eerder vermelde opmars van sociale accenten binnen een deel van het nationaal populisme zien ze als hoofdreden het negeren door de sociaaldemocratie van het belang van de breed gedeelde bezorgdheid bij de bevolking omtrent immigratie en snelle etnisch-culturele veranderingen. Eatwell en Goodwin plaatsen zichzelf alvast op de lijn van diegenen die pleiten voor een restrictief migratiebeleid.

Het is maar de vraag of dit de weg is die de sociaaldemocratie moet inslaan. Uiteraard is een genuanceerde visie op migratie nodig met oog voor de kansen en de bedreigingen en met een rechtvaardige balans tussen rechten en plichten. Maar hierin zal de sociaaldemocratie nooit het verschil kunnen maken, al is het maar omdat de kopie steeds fletser oogt dan het origineel. In elk geval moet worden voorkomen te worden meegesleurd in een vertoog van meer selectieve toegang tot sociale bescherming voor wie van elders komt. Socialisten moeten volgens mij daarentegen meer smoel krijgen, meer systeemkritiek aan de dag leggen, terug een stem geven aan de gewone mensen en werknemers, terug perspectief bieden op sociale vooruitgang, meer bescherming bieden tegen outsourcing en sociale dumping. En op die manier een dam opwerpen tegen het nationaal populisme dat ondanks haar retoriek verre van sociaal is.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 6 (juni), pagina 66 tot 68