Log in

De normalisering van superdiversiteit

Zomerreeks - Hoop 2019

In steden voeren antimigratiepartijen zoals Vlaams Belang of assimilatiegerichte identiteitspartijen zoals N-VA stilaan achterhoedegevechten.

Het was niet zo erg als zwarte zondag in 1991, maar hoopgevend kon je de verkiezingsuitslag van 26 mei 2019 niet echt noemen. Niet de toekomst en het klimaat bepaalden het verkiezingsresultaat, maar sociaaleconomische onzekerheid en angst voor de eigen identiteit die velen meer bedreigd lijken te vinden dan het klimaat. En waar we bij de klimaatverstoring naast structurele veranderingen ook naar de eigen levensstijl moeten kijken, is het grote 'voordeel' van de bedreigde identiteit dat de oorzaak daarvan per definitie bij de 'andere' ligt.

Het klinkt weinig hoopgevend. En toch, zoals vaak, is het nuttig om voorbij de dominante beeldvorming te kijken. Soms hebben feiten meerdere gezichten. We kunnen niet naast de hernieuwde vooruitgang van extreemrechts kijken, en evenmin naast het strategisch misbruik ervan door Bart De Wever om cynisch te pokeren met deze stemmen, waardoor hij Vlaams Belang verder normaliseert.

Maar misschien ligt de hoop in de steden. Het algemene verkiezingsbeeld verhulde dat de vooruitgang van extreemrechts vooral buiten de steden gestalte kreeg, met topscores in Ninove, Denderleeuw, Haaltert, Houthulst of Geraardsbergen, en een doorbraak in West-Vlaanderen. Dertig jaar geleden vormden Borgerhout en Antwerpen de bakermat van Vlaams Blok. Nu begint zich in die steden vandaag een ander beeld af te tekenen. De suburbanisatie van de angst gaat samen met een normalisering van de superdiversiteit in de steden, met de laagste scores voor extreemrechts in Leuven, Gent, Mechelen of Brussel.

Hier speelt de transitie naar een superdiverse samenleving, die zich in Vlaanderen net zoals in vele andere steden en regio's in West-Europa voltrekt. Die verandering is fundamenteel en werkt door in de toekomst: Vlaanderen wordt superdivers en zal nooit meer zo 'wit' zijn als vandaag. Brussel groeide de voorbije decennia uit tot één van de meest diverse steden ter wereld: ruim zeven op tien Brusselaars hebben een migratieachtergrond. Ook Genk en Antwerpen zijn ondertussen majority-minority-cities: steden waar de meerderheid van de bewoners wortels heeft in migratie.

Superdiversiteit draait niet alleen om vluchtelingen of nieuwe migratie, maar gaat om de demografische realiteit na een halve eeuw migratie. De jongere generaties zijn veel diverser dan de ouderen. Meer dan één op drie van alle kinderen en jongeren in Vlaanderen hebben wortels in migratie. In de centrumsteden is dat één op twee; in Brussel, Antwerpen of Genk meer dan twee op drie. Ook zonder nieuwe migratie wordt Vlaanderen meer superdivers, omdat geen enkele partij de demografie kan tegenhouden.

Toch gaat superdiversiteit niet in de eerste plaats om cijfers, maar om een groeiende diversiteit in de diversiteit. Verschillen groeien binnen groepen en gemeenschappen: tussen eerste en derde generatie, rijk en arm, hoog- of laaggeschoold, gelovig of niet (meer). Waar het in de polarisatie blijft gaan over 'dé Vlaming', 'dé Vlaamse identiteit', 'dé migrant', of 'dé moslim', is de werkelijkheid in de steden veel complexer. Dat gaat samen met een langzaam, moeizaam en omstreden proces van normalisering van deze superdiversiteit, in steeds meer steden, wijken, scholen, bedrijven en organisaties.

Die normalisering verandert ook de beleidsrealiteit in de steden. De vraag is er niet langer wat 'we' met of voor de minderheden moeten doen. Stadsbewoners met wortels in migratie maken vandaag mee de stad. Ze wonen er, werken er, renoveren er huizen, betalen belastingen en organiseren zich. Ze stemmen er en worden verkozen. In die steden voeren antimigratiepartijen zoals Vlaams Belang of assimilatiegerichte identiteitspartijen zoals N-VA stilaan achterhoedegevechten. Die zijn niet zonder impact, want door de polarisatie bemoeilijken en vertragen ze reële integratie en participatie. Met denkkaders uit de 20e eeuw is het immers moeilijk werken in de superdiverse realiteit van de 21e eeuw.

In die normalisering van superdiversiteit in tijden van polarisering én in het groeiende initiatief van stadsbewoners met wortels in migratie ligt voor mij de hoop. Er beweegt meer in de steden dan uit de verkiezingsuitslag blijkt. Dat de 21e eeuw een eeuw van superdiversiteit wordt, is onvermijdelijk. Of dat een goede zaak wordt, hangt er van af hoe we er nu mee omgaan. Sommigen kiezen voor scenario's van angst, vernedering en polarisatie, waarbij ze wij-zij-denken stimuleren, angst aanwakkeren en problemen liever uitvergroten dan oplossen. Zo remmen ze het reële samenleven net af, omdat ze voortdurend de boodschap geven aan landgenoten met een migratieachtergrond dat ze er nog niet bij horen, en ook nooit helemaal bij mogen horen.

Maar tegelijk groeit in die steden ook een scenario van hoop, verbinding en empowerment. De verkiezingen bevestigen dat de superdiverse realiteit de stadsbewoners geleidelijk aan minder verdeelt of polariseert dan buiten de stad. Het samenleven in diversiteit wordt er gewoon, met en naast elkaar, zoals steden altijd al functioneerden. Niet dat er geen problemen zijn, maar werken aan oplossingen is vruchtbaarder dan zondebokken zoeken. Verbinden is meer toekomstgericht dan verdelen.

Aan de nieuwe generatie stadsbewoners perspectief geven dat zij mee de steden en de samenleving in superdiversiteit vormgeven, is ook hoop geven, en ruimte aan de toekomst vanuit een verbindend perspectief. Want net zoals superdiversiteit is hoop iets waar je kan en moet aan werken.

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019