Abonneer Log in

Kinderangst

Zomerreeks - Hoop 2019

Ik put nog steeds, net zoals in mijn kindertijd, hoop uit affiches met antiracistische slogans.

Op mijn weg naar de lagere school moest ik als kind voorbij een gebouw waaraan de vlag van Vlaanderen wapperde. Elke weekdag liep ik de Vlaamse Leeuw met een gevoel van onbehagen voorbij. Mijn vingers verstrengeld in die van mijn ontheemde moeder. De kalender gaf de tweede helft van de jaren 1990 aan, en ik was me van onze staatsstructuur noch van communautaire kwesties bewust. Waar ik me wel bewust van was, was het succes van Vlaams Blok dat in mijn kinderhoofd nog groter leek dan percentages werkelijk aantoonden. Vlaams Blok dat in mijn beleving pronkte met de leeuw die me dagelijks confronteerde aan het kruispunt van vier Antwerpse straten.

Keer op keer voelde ik angst. Angst omdat mijn ervaringen en de beelden op televisie me deden geloven dat ik woonde in een racistisch Vlaanderen. Een Vlaanderen dat op straat scandeerde dat vreemdelingen hier niet thuishoren. En vreemd was mijn groot gezin. Vreemd was ik. Keer op keer voelde ik verdriet. Verdriet omdat de vlag van Vlaanderen symbool leek te staan voor mijn ongewenste vader. De anderstalige arbeider die ging werken en me achterliet in een ondraaglijke machteloosheid. Want wie zou hem in hemelsnaam beschermen tegen racistische woorden die hij met de beste wil van de wereld misschien niet eens zou verstaan? Ik liep onder de schaduw van het symbool van de haat die we opriepen bij de bevolking. Gewoon omdat we anders waren en omdat Vlaanderen te klein voor anders was. Te klein voor mijn familie en te klein voor mij, hoewel ik op dat moment niet ouder dan tien was.

Ik had nauwelijks hoop, maar dat zou veranderen.

Ik herinner me dat mijn moeder en ik op een dag voorbij die vijandige vlag liepen en we enkele straten verder een kennis tegenkwamen. Mijn moeder stopte om bij te praten en ik staarde uit verveling voor me uit naar de affiches op een raam. 'Een land zonder vreemdelingen is een vreemdland', lazen mijn altijd bezorgde ogen. Het is maar op dat moment dat ik besefte dat niet elke Vlaming tegen onze aanwezigheid was. Ik voelde me misschien wel voor het eerst welkom met mijn gesluierde moeder, zwartharige vader en gezin van acht. Ik was opgetogen en enigszins verblijd. Ik moest op die leeftijd alleen nog leren dat we helemaal geen vreemdelingen of te gast waren, en dat daarom ook niemand ons welkom moest heten.

In superdiverse grootsteden worden kinderen vandaag meer dan ooit geconfronteerd met diversiteit waardoor ze quasi gedwongen worden om nóg vroeger te reflecteren over hun positie dan ik heb moeten doen als kind. Wanneer ik als onderzoeker met elfjarige kinderen in gesprek ga over hun aspiraties, mag ik dan ook mooie verhalen aanhoren over hoe ze naar de toekomst kijken als een beloftevolle periode waarin mensen samenleven met al hun meervoudige identiteiten. Deze kinderen hebben nooit anders gekend dan een zeer diverse samenleving en geven aan dat ze ook niet anders zouden willen. Ze uiten vertrouwen in zichzelf en in elkaar. Dat geeft hoop. Helaas krijg ik ook minder mooie toekomstverwachtingen te horen, bijvoorbeeld van kinderen die geloven dat ze over enkele jaren niet meer welkom zullen zijn als moslim in dit land. Deze kinderen hebben op elfjarige leeftijd meer racisme-ervaringen meegemaakt dan velen voor mogelijk zouden houden. Op het moment dat extreemrechts de verkiezingen wint, schetsen zij hoe dit klimaat van angst hun alledaagse leven beïnvloedt op microniveau. Ik zou bij die verhalen hoop verliezen als ik geen vertrouwen had in de kracht die van onderuit uitgaat.

Meer dan in mijn eigen kindertijd, hebben kinderen en jongeren vandaag toegang tot verhalen die een positieve identiteitsontwikkeling en zelfvertrouwen stimuleren. Ik put hoop uit het verzet en engagement van iedereen die deze verhalen mee uitbouwt. Jongeren die zich niet laten categoriseren en daarmee alleen al de verhoudingen uitdagen. Hoop zit in het handelen van de groeiende groep jongeren die niet passief en enigszins 'ondergeschikt' blijft hopen om geaccepteerd te worden, zoals ik tot mijn late adolescentie deed. Ik zie jongeren die niet noodzakelijk wachten op erkenning, maar die opkomen voor hun fundamentele mensenrechten. Jongeren die weigeren hun plaats in deze samenleving in vraag te laten stellen. Dit stemt me hoopvol omdat een onvoorwaardelijk vertrouwen in de toekomst zelfvertrouwen vraagt. Hoop wordt mede gedragen door jonge ouders die hun kinderen pedagogisch verantwoord voorbereiden op de ongelijkheden waarmee niet enkel zijzelf, maar ook anderen worstelen of zullen worstelen in deze samenleving. Vol hoop blijven ook jeugdwerkers die aan de slag gaan met de angsten van kinderen. Hoe kan ik de hoop verliezen wanneer ik zie dat jongeren steeds meer al hun meervoudige identiteiten omarmen?

En ik put tevens ook nog steeds hoop uit affiches met antiracistische slogans. Zonder die woorden had mijn kinderangst misschien minder snel plaatsgemaakt voor verontwaardiging, en ontdekte ik slechts vele jaren later dat ik nooit een vreemdeling was.

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019