Abonneer Log in

Waarom vrouwen betere seks hebben onder het socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 74 tot 76

Ghodsee windt er geen doekjes om: als het correct wordt toegepast, leidt socialisme tot economische onafhankelijkheid, betere arbeidsvoorwaarden en ja, zelfs tot betere seks.

Waarom vrouwen betere seks hebben onder het socialisme

Kristen R. Ghodsee
epo, Berchem, 2019

Kristen R. Ghodsee is een Amerikaanse antropologe en professor Russische en Oost-Europese studies. Het idee voor dit boek kwam er toen Ghodsee enkele jaren geleden een vergelijkend sociologisch onderzoek las dat werd uitgevoerd in de eerste maanden na de val van de Berlijnse muur. Eén cijfer sprong er behoorlijk tussenuit: maar liefst 80% van de Oost-Duitse vrouwen gaf aan dat ze altijd een orgasme kregen tijdens de seks – bij hun West-Duitse zusters lag dat cijfer een pak lager. Seks in de voormalige Deutsche Demokratische Republik was volgens de studie spontaner, vrijer en vreugdevoller.

Ghodsee windt er geen doekjes om; als haar premisse nog niet duidelijk was in de titel, zorgt ze ervoor dat de lezer die op de eerste pagina van de inleiding (Misschien heet de kwaal wel 'kapitalisme') wel beet heeft. 'Als het correct wordt toegepast, leidt socialisme tot economische onafhankelijkheid, betere arbeidsvoorwaarden, een betere verdeling tussen werk en gezin en ja, zelfs tot betere seks.' Ze voegt er ook meteen aan toe dat ze geen propagandist is of wil zijn voor het staatssocialisme dat in de 20e eeuw Oost-Europa overheerste. Allesbehalve zelfs. Daarnaast heeft een duidelijke boodschap voor zogenaamde online trollen: 'Als je geen donder geeft om het leven van vrouwen omdat je een vrouwonvriendelijke rechtse internettrol bent, hou je geld dan maar op zak en steek je kop maar verder in het zand: dit boek is aan jou niet besteed.' Dat zet meteen de toon voor de rest van het boek: onomwonden en uitdagend met een humoristische kwinkslag.

In het eerste hoofdstuk – Mannen zijn als vrouwen, maar goedkoper: over werk – vertelt Ghodsee een anekdote over een vriendin die haar job opgaf van zodra ze zwanger was van haar eerste kind. In eerste instantie voelt ze enige jaloezie omdat zij rond dezelfde periode ook moeder wordt en voltijds aan de slag blijft. Die jaloezie verdwijnt echter als sneeuw voor de zon wanneer ze haar vriendin en diens echtgenoot hoort kibbelen over geld: de vrouw krijgt enkel zakgeld wanneer haar man vindt dat ze het verdient. Het klinkt als een verhaal uit een ver verleden, maar ook vandaag bevinden nog veel vrouwen zich in gelijkaardige situaties. Wie thuisblijft voor de kinderen en daarbij voor het huishouden zorgt, draagt niets bij aan de economie (althans niet volgens de regels van het huidige kapitalisme) en krijgt daar dus ook niets voor in ruil. 'De onderwerping van vrouwen begint door ze economisch afhankelijk te maken van mannen. Zonder geld en zonder mogelijkheden om het te verdienen, zijn vrouwen niet in staat om de koers van hun eigen leven te bepalen. Individuele onafhankelijkheid vereist nu eenmaal economische middelen om eigen keuzes te kunnen maken.'

Het tweede hoofdstuk – Wat te verwachten als je uitbuiting verwacht: over moederschap – richt zich in de eerste plaats op zwangerschapsdiscriminatie. Een vorm van discriminatie die alle vrouwen treft: wie niet zwanger is, zou het immers wel een keer kunnen worden. Uit studies blijkt dat West-Duitse vrouwen na de Tweede Wereldoorlog massaal terugkeerden naar de haard, terwijl Oost-Duitse vrouwen door de staat werden aangemaand om te gaan werken. Daarbij werd fel geïnvesteerd in sociale woningen, kinderopvang, kinderkledij en basisvoedsel. Aan universiteiten werden zelfs campuscrèches en speciale woningen voorzien voor studenten met kinderen. De Duitse hereniging toonde helaas aan hoe de vrije markt de economische onafhankelijkheid van vrouwen tenietdoet: westerse regeringen voerden een beleid van 'gezinspromotie' en snoeiden in de subsidies voor kinderopvang en moederschapsverlof. Vandaag zien we daar, onder meer in de Verenigde Staten, nog steeds de uitlopers van. 'Uiteindelijk maken de verschillen in onze reproductieve biologie het onmogelijk mannen en vrouwen als gelijken te behandelen op een arbeidsmarkt waar ondernemers diegenen zullen aanwerven waarvan ze denken dat ze tot hun waardevolste werkkrachten zullen uitgroeien', stelt Ghodsee. 'Toch kan een politiek van ouderschapsverloven en algemene, door de staat gefinancierde, kinderopvang en -zorg ertoe bijdragen de basisoorzaken van genderdiscriminatie weg te werken.'

Het derde hoofdstuk – Mantelpakjes volstaan niet: over leiderschap – buigt zich over de emancipatie van vrouwen in machtsposities, zowel binnen het bedrijfs- als politieke landschap. Verschillende topvrouwen uit het Oostblok toonden hoe het staatssocialisme zich inzette voor vrouwenrechten en hen de kans gaf op te klimmen tot hoge politieke ambten. Om nog meer vrouwen aan te moedigen zich politiek te engageren, voerden een aantal socialistische landen quota in voor vrouwen in het parlement. Dat dergelijke quota werken, is intussen ruimschoots bewezen door tal van praktijkvoorbeelden en wetenschappelijk onderzoek. 'De algemene houding moet veranderen, dat klopt, maar die verandering impliceert dat kleine meisjes opgroeien in een wereld waarin ze meer vrouwen in machtsposities zien. De enige manier om meisjes dat beeld te gunnen, is een manier vinden om af te rekenen met de politieke en economische cultuur die hen in eerste instantie hun maatschappelijke participatie belet', besluit Ghodsee het hoofdstuk.

In het vierde en vijfde hoofstuk – Kapitalisme tussen de lakens: over seks (deel 1) en Elke vrouw naar behoefte: over seks (deel 2) – behandelt Ghodsee het thema uit de titel: seks. In het eerste deel gaat de schrijfster dieper in op het idee van seks als handelswaar. Al in het eerste hoofdstuk haalde ze aan dat seks en geld altijd met elkaar verbonden zijn in het leven van vrouwen, als restant van onze lange geschiedenis van onderdrukking. Ghodsee bespreekt de seksuele ruiltheorie van 2004, het idee dat seks een vrouwelijk handelsartikel zou zijn omdat vrouwen minder zouden verlangen naar seks dan mannen. Al in 1879 stelde August Bebel, medeoprichter van de Duitse Sociaal Democratische Partij, dat vrouwen bevrijd moesten worden van de eigendomsrelaties die hun seksualiteit onderdrukken. Wetende dat heel wat Oostbloklanden maatregelen troffen om de economische onafhankelijkheid van vrouwen te vergroten, zou de prijs voor seks in die landen volgens de seksuele ruiltheorie gedaald moeten zijn. Of dat werkelijk zo is, is moeilijk te stellen: subjectief welbevinden laat zich moeilijk objectiveren. In het tweede deel bespreekt Ghodsee de manier waarop mensen uit het Oostblok hun seksualiteit beleven. Ze haalt daarbij onder meer de Duitse professor Ingrid Sharp aan, volgens wie het gevoel van zelfstandigheid dat Oost-Duitse vrouwen verkregen, doordat ze niet langer afhankelijk waren van hun mannen, ervoor zorgde dat mannen meer moeite deden tussen de lakens. Of zoals Ghodsee het stelt: 'Intieme relaties die niet gebukt gaan onder het transactionele ethos van de seksuele ruiltheorie zijn over het algemeen eerlijker, authentieker en, tja, gewoon beter.'

Tot slot is er het laatste hoofdstuk – Van de barricaden naar het stemhokje: over burgerschap – waarin stemgedrag en mogelijke oplossingen voor de toekomst worden geanalyseerd. Eén van de belangrijkste zaken die Ghodsee leerde terwijl ze het Oost-Europese staatssocialisme bestudeerde, was dat de Oost-Europeanen absoluut niet voorbereid waren op de veranderingen die de invoering van vrije markten met zich meebrachten, en dat ze ook geen toegang hadden tot de nodige basisteksten over democratie. Daarom wil ze iedere lezer aanmoedigen zich beter te informeren: 'Ik roep jonge mensen op om zich de basiskennis van de politieke theorie eigen te maken. Jullie moeten boeken lezen, video's bekijken, naar podcasts luisteren en jullie kennis bijspijkeren over hoe en waarom er natiestaten zijn en waarom we toelaten dat anderen namens ons regeren. (…) In de westerse wereld belet niemand ons te lezen wat we willen, maar weinig mensen nemen de tijd om na te denken over welke maatschappij we zouden hebben als onze democratie gaat haperen.'

Evelien Chiau

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 9 (november), pagina 74 tot 76