Abonneer Log in

Energierenovatie for the many

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 42 tot 47

De renovatie van het bestaande gebouwenbestand is essentieel in de omslag naar een klimaatneutrale samenleving. In Vlaanderen moet de energie-efficiëntie van het bestaande gebouwenbestand drastisch omhoog, vooral door bijkomende isolatiemaatregelen, en de resterende energievraag moet worden ingevuld met duurzame en hernieuwbare energiebronnen. Om technische en financiële redenen is dit een én-én verhaal: enkel inzetten op duurzame energie-aanvoer zal niet volstaan. Gebouwen moeten dus massaal onderhanden genomen worden. De logistieke en financiële uitdagingen hiervoor zijn ongezien. Maar alhoewel er heel veel kapitaal geïnvesteerd dient te worden, verdient die operatie zich ook terug: de kost van business as usual is op de lange termijn veel hoger. Daarbij spelen indirecte baten een belangrijke rol, zoals verminderde energie-afhankelijkheid en energie-armoede, verhoogde kwaliteit van de leefomgeving, verbeterde klimaatadaptatie, lagere sociale- en gezondheidsuitgaven en meer tewerkstelling in een groene, lokale en circulaire economie.

De vraag is dus niet of het zinvol is om zo'n complexe operatie op te zetten, maar wel hoe ze te organiseren. Wellicht de belangrijkste uitdaging hierbij is iedereen aan boord hebben. Dat wordt ook expliciet vermeld in de Europese Green Deal.1 Voor sociaal zwakkere groepen zullen daarbij specifieke, om niet te zeggen onorthodoxe strategieën nodig zijn om de financiering van de gewenste maatregelen rond te krijgen. Een sociaal rechtvaardige energietransitie impliceert ingebouwde herverdelingsmechanismen. Deze bijdrage gaat na welke ideeën daarvoor vandaag op tafel liggen.

MEER SOCIALE WONINGEN

Om de invloed van de eigendomsstructuur van het woningbestand na te gaan, kunnen we Vlaanderen vergelijken met Nederland. Nederland is met 30% sociale huurwoningen koploper in Europa, in België moeten we het stellen met 6%.2 Achter deze asymmetrie zit onder meer de lange Vlaams-Belgische beleidstraditie om individuele woningeigendom te stimuleren. Nederland heeft hier op twee punten een strategisch voordeel. Ten eerste kan het door deze ruime sociale woningvoorraad veel beter de sociaal zwakkere groepen bedienen én een hefboom zetten op de lokale woon- en bouwmarkt, in de rol van opdrachtgever waar de bouwsector niet omheen kan. Ten tweede bestaat deze woonvoorraad voornamelijk uit grote portefeuilles in de handen van woningcorporaties, met grote éénvormige wijken waar een geïndustrialiseerde renovatie-aanpak op schaal lonend is. Op die manier slaagden initiatieven als Stroomversnelling erin om op enkele jaren tijd de gemiddelde energierenovatiekost voor een sociale woning terug te brengen van 130.000 euro tot 65.000 euro.3 Gelijkaardige experimenten in Vlaanderen leidden vooralsnog tot een renovatiekost van om en bij 100.000 euro, voor kleine groepjes woningen.

Het lijkt een onmogelijke opdracht, maar eigenlijk moet het aandeel sociale woningen in Vlaanderen fors omhoog. Met de Europese best practices in het achterhoofd zou men kunnen stellen dat 20% van de woningvoorraad een goed streefcijfer is. In Vlaanderen zou dit ook veel nieuwbouw betekenen, naast renovatie van de bestaande sociale woningvoorraad.

Het huidige gebrek aan sociale woningen leidt ook tot het ontstaan van een groep noodkopers. Dit zijn mensen die onvoldoende toegang hebben tot de sociale woningmarkt of huurmarkt, en daarom een minderwaardige, gebrekkige woning kopen. Omdat de uitdagingen zo groot zijn, loont het de moeite om deze doelgroep rechtstreeks aan te spreken. Gelukkig zijn hiervoor in Vlaanderen goede voorbeelden te vinden. Zo heeft Gent een systeem van subsidieretentie opgezet voor noodkopers. Dit komt erop neer dat men per woning een renteloze renovatielening van zo'n 30.000 euro voorziet, die pas terugbetaald dient te worden op het moment dat men de woning terug verkoopt en er een meerwaarde geïnd kan worden. Dit opzet blijkt succesvol te zijn, en wordt nu opgeschaald.4 Het pijnpunt is echter de voorfinanciering: er moet kapitaal beschikbaar zijn om te injecteren in een rollend fonds met een langetermijncyclus. Anderzijds zijn de maatschappelijke baten van zo'n investering niet min. Eigenlijk dienen ze mee ingerekend te worden, zie verder.

HET CONCEPT VAN DE ONE-STOP-SHOP

Een aanzienlijke uitdaging voor de energierenovatie van de woningvoorraad bestaat erin de individuele woningeigenaar te motiveren tot investeren en het vervolgens uitvoeren van omslachtige werken. Bij appartementen stelt zich nog het bijkomende probleem dat de gemeenschap van eigenaars als geheel moet beslissen om die ingrijpende werken uit te voeren.

Niet alleen betekent energierenovatie zo een zware hap uit het budget (of een forse lening), men moet de financiering, de selectie van aannemers en de uitvoering van de werken ook organiseren en een periode doorworstelen waarbij het huishouden op stelten staat door de werkzaamheden. Voor veel mensen is en blijft energie bovendien een zaak van tweede orde: er zijn andere prioriteiten die voorrang krijgen bij de besteding van het gezinsbudget. De lange terugverdientijd van doortastende energie-efficiëntiemaatregelen verscherpt dit probleem nog.

Om hieraan tegemoet te komen experimenteert men het concept van de one-stop-shop. Hierbij wordt de hele operatie, van financiering en planning tot controle van de uitvoering en oplevering van de werken, zoveel mogelijk uit handen van de gebouweigenaar genomen en gegroepeerd in één aangeboden totaalpakket. Vooral in Frankrijk zijn hier momenteel goede voorbeelden van te vinden, zoals bijvoorbeeld Picardie Pass Rénovation.5 De one-stop-shop kan daarbij een aantal bijzondere voordelen realiseren. Als een lokale overheid of (semi-)publieke instelling de one-stop-shop opzet, kan die om te beginnen zorgen voor onpartijdig advies: wat moet er precies gebeuren in de woning? Welke aannemers hebben de juiste competenties om voor de uitvoering van de werken in aanmerking te komen? Op dezelfde manier kunnen er voor de uitvoering kwaliteitsgaranties verzekerd worden, bijvoorbeeld door het poolen van gekwalificeerde aannemers en het uitvoeren van onafhankelijke controles. Ten tweede kunnen (semi-)publieke actoren interessante financierings- en garantievoorwaarden losweken. Op die manier kan men dus een investeringsvehikel opzetten dat voordelen biedt vergeleken met een marktaanpak die klassiek en huis per huis tewerk gaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze one-stop-shops ondertussen hoog op de Europese beleidsradar staan.6

Bij sociaal zwakkere groepen gelden de voordelen van een pakketbenadering a fortiori, en kunnen die gecombineerd worden met een intensievere begeleiding die ook andere aspecten behartigt: structurele verbetering van de leefomstandigheden, persoonlijke vorming en verbeterde maatschappelijke integratie.

ALTERNATIEVE FINANCIERINGSVORMEN

Via de one-stop-shop komen we automatisch terecht bij een ander domein van innovatie, met name dat van de alternatieve financieringsoplossingen. Een gedetailleerde oplijsting is hier niet aan de orde, maar een aantal beloftevolle pistes zijn zeker het vermelden waard.

Een eerste strategie kan erin bestaan het terugverdieneffect uit te spelen. Daarbij beoogt men om de terugbetaling van de gedane investering af te dekken met de besparingen op de energiefactuur. Dat is in bepaalde gevallen mogelijk, maar zeker niet altijd, en er moet kunnen worden gewerkt met lange investeringshorizonten, al gauw in de ordegrootte van 20 of 30 jaar. Wetend dat de terugverdientijd van een diepe renovatie ook tot 50 jaar kan oplopen, is dit echter geen standaardoplossing. Op dit stramien worden heel specifieke formules gebouwd, zoals on bill of on tax financing waarbij de terugbetaling van de energierenovatie structureel gekoppeld wordt aan de energiefactuur of aan een vastgoedbelasting. Scenario's waarbij de financiering gekoppeld wordt aan het gebouw en niet aan de eigenaar, komen hierbij ook in beeld.

In de Vlaamse sociale woonsector is zo'n opzet bij voorbaat onmogelijk omdat men de huur reglementair niet mag verhogen ten bedrage van de verwachte energiebesparingen. Pogingen om het regelkader hiervoor aan te passen hebben tot nog toe geen resultaat opgeleverd.

ESCO's (energy service companies) en EPC (energy performance contracting) worden vaak vermeld als aanbieder van zo'n oplossing, maar wanneer het gaat over diepe renovatie hebben ze een fundamentele handicap: ze focussen doorgaans op maatregelen met een maximale terugverdientijd van 10 à 15 jaar.

Een tweede spoor ontwikkelt zich rond de zogenaamde soft loans: speciale, doelgerichte leningen aan bijzondere voorwaarden. Die kunnen bijvoorbeeld verstrekt worden door speciale investeringsbanken waarvan het Estse KredEx en de Duitse KfW markante en succesvolle voorbeelden zijn. KfW maakt de energierenovatielening bovendien prestatiegericht: hoe grondiger je de woning renoveert, hoe meer je kan ontlenen. Een volgende stap bestaat erin het initiatief niet bij (overheids)banken te laten, maar dat te verschuiven naar gemeenten en regio's. Die lokale overheden zetten dan speciale, al dan niet rollende investeringsfondsen op waarbij, zoals hoger vermeld, bijzondere financierings- en garantievoorwaarden kunnen bekomen worden. In de praktijk kunnen private banken best mee in zo'n opzet zitten, maar zij hebben nu bijkomende garanties. Een voorbeeld van zo'n opzet is te vinden bij een groep van Zweedse lokale overheden die samen Kommuninvest op de sporen hebben gezet.7 Zo'n financiële vehikels kunnen vervolgens gecombineerd worden met een one-stop-shop.

Een derde stap kan erin bestaan een klimaatfonds op te richten en het zo te organiseren dat het tekort voor 'onrendabele' projecten – bijvoorbeeld gebouwrenovatie voor kansengroepen – gefinancierd wordt met het overschot gegenereerd door rendabele projecten – bijvoorbeeld de inkomsten uit een windpark. Een kleinschalig en letterlijk voorbeeld van zo'n project is te vinden bij de Schotse Ore Valley Housing Association, waarbij de winst uit een project voor een lokale windturbine geherinvesteerd wordt in de sociale huisvestingsmaatschappij en in lokale gemeenschapsinfrastructuren.8 Op die manier kan een klimaatfonds in principe werken als een herverdelingsmechanisme. Door de investeringen in duurzaam patrimonium gaat er bovendien geen waarde verloren, en wel integendeel: op de lange termijn is er economisch rendement.

INDIRECTE MAATSCHAPPELIJKE BATEN IN REKENING BRENGEN

De hogere kwalificatie 'onrendabel' is onterecht. Wanneer men de totale maatschappelijke kosten en baten van energierenovatie in beeld brengt, verandert het plaatje grondig. Dit komt door de eerder vermelde indirecte baten of secondary benefits. Voor sociaal zwakkere groepen zijn vooral de verbetering van de gezondheid en leefkwaliteit van belang. Alhoewel het logisch lijkt om deze aspecten begrotingsgewijs met elkaar te verbinden, gebeurt dat zelden of niet.

Gedocumenteerde case studies zijn ook moeilijk te vinden, maar één experiment maakt duidelijk wat de impact kan zijn: bij het Warmer Homes schema in het Britse Oldham werd nagegaan wat de impact was van de energierenovatie van slecht presterende woningen in sociaal zwakke buurten op het welzijn en de gezondheid van de lokale bewoners.9 Niet alleen gingen de energiekosten en de risico's op energiearmoede omlaag. Bewoners voelden zich ook gezonder en gelukkiger, en de schaamte om familie en vrienden uit te nodigen in een ongezonde, koude woning verdween waardoor het sociaal isolement kon verminderen. Voor een controlegroep van 800 personen daalde het aantal bezoeken aan de spoedafdeling van het ziekenhuis met 32%. Ook het aantal psychische behandelingen, aan een gemiddelde kost van bijna 1000 pond per interventie, ging omlaag. De verantwoordelijke van het programma voor deze specifieke doelgroep besloot dan ook: 'Making people's homes more energy efficient ticks so many boxes – it's a no-brainer.' En op iemand die zijn of haar zelfwaarde terugvindt staat eigenlijk geen prijs.

DE ULTIEME VRAAG: WELK MAATSCHAPPELIJK MODEL WILLEN WE?

Het Vlaams regeerakkoord stelt: 'Zowel economisch als maatschappelijk richten we onze blik naar het noorden en meten we ons met samenlevingen als Nederland en Scandinavië. We leggen de lat hoog in alle domeinen van onze samenleving.'10

Maar wat zit er achter het Scandinavische succesmodel? Halverwege de 19e eeuw verkeerden de Scandinavische landen nog in armoede en werden ze geregeerd door een quasi-feodaal bestel, terwijl het nieuwe België op dat moment rijk werd door industrialisatie en kolonisatie. Maar toen zetten de Scandinaviërs een geweldige actie op poten: ze implementeerden het concept van maatschappelijke Bildung, geïnspireerd op het werk van Duitse filosofen en geoperationaliseerd door een uitgebreid netwerk van volkshogescholen.11 Op dit elan bouwden ze een egalitaire welvaartsstaat met een grote zin voor individuele en collectieve verantwoordelijkheid, en met ruime aandacht voor sociale en ecologische noden. Ook het Nederlandse poldermodel heeft daar veel elementen van. Beide komen in essentie neer op een keuze voor beschaving: werken we samen en engageren we ons voluit voor een hoger collectief belang, of laten we dat schieten en dopt iedereen zijn eigen boontjes? De geschiedenis van deze landen bewijst dat egalitair en coöperatief georiënteerde modellen uiteindelijk het grootste maatschappelijk welzijn opleveren. Kunnen we ons in Vlaanderen daaraan spiegelen?

Of de toekomst er één wordt van survival of the fittest of van een beschaafde sociaalecologische transitie is op dezelfde manier een kwestie van beschaving. Daarbij kan men geen grote maatschappelijke uitdagingen oplossen als het publieke apparaat institutioneel en financieel uitgekleed wordt. Mariana Mazzucato, die de Europese Unie adviseert over de moonshot missions, heeft bovendien op een pijnlijk scherpe manier aangetoond dat overheden zelfs de belangrijkste financiers zijn van innovatie en ontwikkeling.12 Ze ontkrachtte daarmee het mythische beeld van lamme, inspiratieloze en bureaucratische overheden versus de dynamische, creatieve en alles oplossende marktspelers. Zelfs economen met een liberale achtergrond zoals Paul De Grauwe en Paul Krugman komen tot gelijkaardige conclusies wanneer ze wijzen op de excessen van een op de spits gedreven vrijemarktsysteem en extreme economische ongelijkheid. Regulering en sociale herverdeling, te beginnen met een fair belastingstelsel, zijn elementaire aspecten van een beschaving die naam waardig.

Maar is er wel geld genoeg? Er was nog nooit zoveel kapitaal in de wereld als vandaag. Alleen zit het vast op de verkeerde plaatsen of wordt het gemobiliseerd voor de foute doelen. In veel gevallen wordt het ook nog nauwelijks belast, zoals de Nederlandse historicus Rutger Bregman recent nog eens duidelijk onder de aandacht bracht tijdens een opgemerkte passage in Davos. Laten we eindigen met een bijkomende steen in de kikkerpoel door permaculturist Benjamin Broustey te citeren: 'L'argent est un flux d'énergie, tout comme le fumier, si on le disperse, au bon dosage, il crée de la fertilité, s'il est concentré au même endroit, il engendre une pollution'.13 Met een gezonde boerenlogica zouden we al een heel eind vooruit komen.

VOETNOTEN

  1. https://www.eesc.europa.eu/en/agenda/our-events/events/leaving-no-one-behind-transition-climate-neutrality en https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/european-green-deal-communication_en.pdf.
  2. http://www.housingeurope.eu/resource-1323/the-state-of-housing-in-the-eu-2019 en https://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/jaargang-2018/themas/verstedelijking-wonen/ontwikkeling-woningvoorraad.
  3. Buildings Performance Institute Europe (BPIE) (2015), 'Renovation in practice, best practice examples of voluntary and mandatory initiatives across Europe', p. 20-21, http://bpie.eu/wp-content/uploads/2015/12/Renovation-in-practice_08.pdf.
  4. https://stad.gent/mobiliteit-openbare-werken/nieuws-evenementen/renovatieproject-dampoort-knapt-op-opnieuw-van-start en https://pers.vlaamsbrabant.be/ruisbroek-renoveert.
  5. www.pass-renovation.picardie.fr.
  6. Boza-Kiss, B., Bertoldi, P. (2018), 'One-stop-shops for energy renovations of buildings', JRC science for policy report, https://e3p.jrc.ec.europa.eu/sites/default/files/documents/publications/jrc113301_jrc113301_reportononestopshop_2017_v12_pubsy_science_for_policy_.pdf.
  7. https://kommuninvest.se/en/funding-and-funding-need/greenbonds/.
  8. https://www.orevalleyha.org.uk/page/ov-energy.
  9. https://www.theguardian.com/society-professionals/2016/nov/30/guardian-public-service-awards-2016-sustainability-winner-warm-homes-oldham.
  10. Vlaamse Regering (2019), Regeerakkoord 2019-2024, p. 2, http://docs.vlaamsparlement.be/docs/varia/regeerakkoord-2019-2024.pdf
  11. Andersen, L. R., Björkman, T. (2017), 'The Nordic Secret, a European story of beauty and freedom'.
  12. https://ec.europa.eu/info/news/commission-launches-work-major-research-and-innovation-missions-cancer-climate-oceans-and-soil-2019-jul-04_en en https://www.sampol.be/2015/10/de-ondernemende-staat.
  13. 'Geld is een energiestroom net zoals mest : als men het goed gedoseerd uitspreidt bevordert het de vruchtbaarheid, als men het ophoopt op één plek veroorzaakt het vervuiling.'

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 42 tot 47