Abonneer Log in

Big Farms Make Big Flu

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 6 (juni), pagina 80 tot 83

Sommige invloeden vanuit landbouw en moderne voedingsindustrie versterken nog een belangrijke ziekte: namelijk obesitas, voor mij dé pandemie van 21e eeuw.

Big Farms Make Big Flu

Rob Wallace
Monthly Review Press, New York, 2016

Al meer dan tien jaar zien we de vinger regelmatig richting de boeren wijzen bij rampen. Dat was zo bij de dioxinecrisis, de vogelgriep, de BSE-besmetting,… en nu ook bij de coronacrisis. Elke keer moet het imago van de boer het bekopen. Is dat terechte kritiek of fake news? Bioloog Rob Wallace schreef over dit alles het boek Big Farms Make Big Flu. Dispatches on Infectious Disease, Agribusiness, and the Nature of Science. Hierin geeft hij zijn, soms extreme, visie op de globalisering van het voedingssysteem.

Big Farms Make Big Flu is een verzameling aangrijpende en tot nadenken stemmende berichten. Rob Wallace volgt de manieren waarop influenza en andere ziekteverwekkers voortkomen uit een landbouw die wordt gecontroleerd door multinationals. Met scherpzinnige humor plaatst de auteur afschuwelijke verschijnselen naast elkaar. Wallace biedt ook alternatieve scenario's voor de, volgens hem, dodelijke agrobusiness. Landbouwcoöperaties, geïntegreerd pathogenenbeheer en gemengde veehouderijsystemen kunnen volgens hem deel uitmaken van de oplossing.

Hoewel al veel boeken de facetten van voedsel of ziekte-uitbraken behandelen, is Wallace's boek het eerste dat infectieziekten, landbouw, economie en wetenschap samen onderzoekt. Big Farms Make Big Flu integreert de politieke economieën van ziektes en wetenschap.

Het boek stemt tot nadenken. Het toont aan dat wanneer je aan de ene kant van het kluwen 'wereldeconomie' trekt, je soms een beweging krijgt ergens heel anders dan verwacht. Zelf zie ik, als hoofddiëtist aan het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA), dat sommige invloeden vanuit landbouw en moderne voedingsindustrie nog een belangrijke ziekte versterken: namelijk obesitas, voor mij dé pandemie van 21e eeuw. Dat obesitas het risico op hart en vaatziekte, kanker en diabetes verhoogt wisten we al, maar nu zien we ook dat mensen besmet met het coronavirus ernstigere symptomen hebben als ze overgewicht hebben. Sommige cijfers liepen op tot 90% van de patiënten die beademd werden op Intensieve Zorg heeft overgewicht. Hallucinant.

Voor mij zijn er vier grote boosdoeners: onze obesogene omgeving, voeding die fungeert als nieuwe religie, de moderne voedselindustrie en 'ultrabewerkt' voedsel. Stuk voor stuk maken zij het ons moeilijk om voor onszelf de beste keuze te maken en dus voor gezonde voeding te opteren.

Eerste boosdoener: onze 'obesogene omgeving'. Met die term geven wetenschappers en onderzoekers aan dat onze dagdagelijkse omgeving ons steeds meer stimuleert om te veel te eten en amper ruimte biedt om voldoende te bewegen. Steeds vaker worden we verleid tot het maken van ongezonde keuzes: op onze werkplek, op openbare plaatsen, door wat we zien in magazines en op tv, afhankelijk van de aangeraden reisbestemmingen, enzovoort. De combinatie van een overmatige beschikbaarheid aan calorierijke voeding en een beperkte noodzaak tot bewegen, zorgt ervoor dat we gemakkelijk meer energie innemen dan we gebruiken en dat ons gewicht dus oploopt. In mijn boek Lekker Lang Leven (Van Halewyck, 2020) ga ik dieper in op deze groeiende problematiek.

Tweede boosdoener: voeding is een nieuwe religie geworden. Maar dan wel een religie met veel profeten, paria's en heilige geschriften. Door al het luide geroep van believers en non-believers in soms de gekste dieettheorieën dreigt bij sommige mensen het vertrouwen in de klassieke, echt wetenschappelijke richtlijnen te vervagen. Een nieuwe mindset is nodig om het ingeslagen pad van welvaartsziektes niet tot het sombere einde te moeten bewandelen.

Derde boosdoener: de moderne voedselindustrie. Onze keuzemogelijkheden zijn nog nooit zo uitgebreid geweest, maar het assortiment en de prijzen worden voor een groot deel bepaald door de huidige voedingsindustrie en vooral door de distributiesector waar enkele wereldspelers de plak zwaaien. De supermarkten bepalen welke producent het haalt tot in de rekken. Daardoor worden producenten gedwongen bijzonder lage prijzen voor hun producten te aanvaarden en technieken toe te passen die ons als consument niet helpen om verantwoord en gezond te kiezen. De supermarkteconomie is intussen gemondialiseerd, producenten moeten mee en wij als consument kunnen niet anders dan volgen.

Eén miljard mensen op deze planeet is te zwaar. Ze overschaduwen de achthonderd miljoen mensen die hongerlijden in de wereld. Beide groepen zijn een symptoom van hetzelfde probleem: de ketting van productie naar ons bord is ook de verbinding tussen mensen met honger en mensen met overgewicht.

Een goed voorbeeld daarvan zijn boontjes, frisgroen, op hun lekkerst tussen juli en september. In de supermarkt vaak geprijsd voor minder dan twee euro per kilogram. Niet enkel wanneer ze hier in België top zijn, maar het hele jaar door. De verklaring kun je vinden in hun herkomst: in 2018 werd 94.016 ton boontjes ingevoerd uit landen als Kenia en Oeganda. Vraag jij je ook af hoe je boontjes kunt telen aan de andere kant van de wereld en hier in de winkelrekken brengen voor minder dan twee euro per kilo? Dan zijn we al met twee.

In Oeganda levert de landbouw een belangrijke bijdrage tot de economie van het land. Bijna 27% van het bnp en maar liefst 80% van de export bestaat er uit landbouwproducten. Die goederen worden overwegend uitgevoerd naar de buurlanden, 20% komt in Europa terecht. Het klimaat en de vruchtbare bodems, in combinatie met de vele meren, rivieren en moerassen, maken van Oeganda een ideaal landbouwland. De lokale, kleinschalige landbouwers schakelen massaal hun productie van voeding voor eigen gebruik om naar exportproducten, om zo meer kansen te maken op de wereldhandelsmarkt. Deze sector wordt gedomineerd door opkopers en tussenhandelaars op alle niveaus. Het gevolg is dat kleinschalige landbouwers amper verdienen aan de verkoop van hun goederen. De winsten worden afgeroomd door handelaars aan het einde van de keten.

De Wereldbank berichtte in 2016 dat voor elke drie Oegandezen die uit de armoede worden getild, er twee opnieuw in belanden. De verklaring is te vinden in het feit dat bij producten voor de duurzamere lokale markt, zoals maniok en mais, export zelden rendabel is. Lokale boeren blijven daarom onder de productiekostprijs produceren, in de hoop om alsnog kans te maken op inkomsten uit export. Hierdoor houden ze echter geen productiecapaciteit meer over voor voedsel voor eigen consumptie. De distributiesector bepaalt wat ze wil betalen voor de producten, zonder rekening te houden met de werkelijke kosten van de boer. Stribbelen ze tegen dan verkopen ze niks en is de schade nog groter.

De kaarsrechte boontjes zijn slechts één sprekend voorbeeld voor de hoe machtig de import- en exportindustrie zijn, en dat niet alleen in ontwikkelingsgebied. Volgens de gegevens gepubliceerd door VLAM en Eurostat, voerde België in 2018 niet minder dan 146.293 ton appelen in en 122.184 ton uit. Voor peren steeg de import tot 57.460 ton. Voor aardbeien bedroeg de import 35.183 ton en de export 45.253 ton. In- en verkoop op wereldschaal is standaard geworden. Ook al kunnen we vaak in onze eigen groep landbouwers een goede producent hiervoor vinden, de prijs primeert. Wat we eten is dus niet geheel onze eigen keuze omdat – zelfs in een supermarkt – het assortiment niet is opgesteld op basis van onze voorkeuren en geen rekening houdt met onze aardrijkskundige ligging, noch met de seizoenen. De prijzenstrategie van de supermarkten legt onze keuze voor ons vast.

Vierde boosdoener: ultrabewerkte voeding. Het ontstaan van supermarkten was nodig om bij te blijven met de stijging in geproduceerde volumes voeding, door verbeterde productietechnieken. Producenten moesten op zoek naar een techniek om consumenten deze groei te doen volgen en steeds grotere volumes te laten verbruiken. De vrees bestond dat zelfs als de consumenten de spullen konden kopen ze deze nog steeds niet zouden willen, omdat ze die niet echt nodig hadden. De tijdloze tactiek om consumenten toch te overhalen méér van iets te kopen was, en is nog steeds: verlaag de prijs, doe een promo, geef 1+1, organiseer hamsterweken, enzovoort. Supermarkten verlagen de prijs voor de consument en dwingen de producenten aan een lagere prijs te leveren. Doen ze dit niet, dan hebben ze pech en kiezen de supermarkten voor iemand anders. Dit is voor mij de belangrijkste oorzaak van de stijging in ultrabewerkte voeding in ons dagelijks dieet.

Het boek Big Farms Make Big Flu geeft een eerder pessimistische visie van onze toekomst. Het stemt tot nadenken. Zelf zie ik graag wat je er tegenover kan zetten. In Lekker Lang Leven beschrijf ik hoe eenvoudig het kan zijn om al stappen in de goede richting te zetten.

Michaël Sels

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 6 (juni), pagina 80 tot 83