Abonneer Log in

Een menselijk leven

Emile Zola Prijs 2020 - Eervol vermeld door de jury

De Belgische krijgsgevangen bracht zijn blik tot de stervende Joegoslaaf en dacht 'ik breng hem naar huis'.

Op een koude winterdag in het jaar 1944 liep een Belgische krijgsgevangen na twaalf uren slavenarbeid in de mergelgroef terug naar het concentratiekamp van Melk. Het afgelopen jaar gevangenschap begon zijn tol te eisen. Hij was van het leven afgedwaald en in een poging om aan deze vast te houden, werd zijn bestaan één van religieuze bespiegelingen en uitdagingen. Elke ochtend brachten de gevangenen een dertig à veertigtal doden en stervenden op brancards naar het kamp. Ook hij deed dit, elke ochtend na het werk nam hij een dode of stervende op de rug. Elke ochtend strompelde ze deze lijdensweg af en brachten ze een offer uit de mijn.

Die winterdag lag er op de terugweg naar het kamp een Joegoslaaf of wat leek op een hoopje vodden, een levende in verre staat van ontbinding. In een hoogtepunt van religieuze mystiek hief de Belgische krijgsgevangen de Joegoslaaf op zijn rug, om hem al sakkerend naar het kamp terug te brengen. De Joegoslaaf trok hard aan de kin van de krijgsgevangen zodat hij hem bijna wurgde. Gezien de Joegoslaaf geen enkele spierkracht meer had bengelde hij maar wat aan diens rug. De Belg begon te vloeken: 'Verdomde Joegoslaaf, doe toch een beetje je best…'. Hij trachten zich te bezinnen en zei tegen zichzelf: '… jij die gelooft dat God in de mens woont', 'neem dan de gevolgen op de koop toe… '. Als een opperste vorm van geloof en overtuiging van het goede van god, op een ogenblik waar hij geconfronteerd werd met een dieptepunt van ellende, bracht hij de hand van de Joegoslaaf tot zich en kuste hem.

HET ONMENSELIJKE 'IETS'

De onmenselijke brutaliteit van de kampbewakers, de onmogelijkheid om te ontsnappen aan het onnoemelijk leed en het dagelijks schommelen tussen de dood en het leven. Het leven in de kampen getuigd van een ervaring die het inbeeldingsvermogen van vele lijkt te overschrijden. Alles getuigd van een collectief trauma die de rest van de 20ste eeuw tot op vandaag de dag blijft doorleven. De kampen zijn de levende getuigenis van het onpersoonlijk bestaan van de mens, die op de meest gemechaniseerde en geïndustrialiseerde wijze ontmenselijkt wordt. Van het transport in beestenwagons, het herleid worden tot het systematisch uitmoorden van de gevangen. De mens werd tot op het uiterste punt van zijn mens-zijn verdrongen, ontdaan van zijn menselijkheid en naar de afgrond van het levenloze 'niets', zijn dood ingedreven.

Wanneer men vraagt naar wat er dan uit deze kampen voortkwam, is het antwoord vaak 'niets'. Er kwam geen filosofie, kunst, cultuur of politiek uit deze ervaring. De mogelijkheid van woorden, kunst of menselijke gebaren schieten te kort om deze ervaring te omvatten. De weinige mensen die de kampen toch overleefd hadden, kwamen er gebroken uit. Ook de Belgische krijgsgevangen kwam verscheurd terug van de kampen. Hij werd vastgesteld met post-traumatisch stresssyndroom. Vijfentwintig jaar later werd hij nog steeds in het holst van de nacht wakker door het gehuil van een pasgeboren kind. Hetzelfde gehuil van een pasgeborene dat hij aanhoorde toen het op een lijkenwagen naar het crematorium werd gebracht.

Het ongemakkelijke en verontrustende gevoel van deze getuigenis is niet dat er hier over 'niets' lijkt te getuigen. Maar dat het pure ondergaan van het levenslange leed van deze gevangen, gepaard met de onbetwistbare drang om dit te ontsnappen, op een onmenselijk 'iets', een onpersoonlijke anonimiteit of een verzwelgende duisternis lijkt te duiden. Dit verstikkend gevangenschap in nacht en nevel waar springlevende naast zieltogende mensen en lijken liggen, waar geen onderscheid lijkt te bestaan tussen levenden en doden, dat is het trauma dat zich in de 20ste eeuw voltrokken heeft. Een trauma dat zich ook vandaag de dag laat uitschijnen in onnoemelijke getuigenissen, die al te gauw verzwegen, gerelativeerd of vergeten worden, maar die evenzeer spreken van één- en hetzelfde onoverkomelijk ondergaan.

Miljoenen mensen moeten heden ten dagen éénzelfde 'lot' ondergaan en het bestaan in al zijn anonimiteit op hun schouders dragen. Ze geraken verzeild in de meest afgrijselijke oorlogen. Mensen die op geïndustrialiseerde en technologische wijze onderworpen worden aan de willekeur van drone aanvallen, vaatbommen en chemische wapens. Hun mens-zijn wordt herleid tot een louter bestaan waar geen sprake is van vrijheid nog enige vorm van menselijkheid. Zo zitten er al enkele maanden honderdduizenden mensen in het door bommen belaagde Idlib provincie in Syrië gevangen tussen het Syrische leger en de gesloten grenzen van Turkije. Wat er zich daar afspeelt is een collectief trauma.

De mensen brengen hun dagen in onzekerheid door. Wanneer de machinerie van de oorlog nadert en het geluid van bommen oprukt, vluchten ze halsoverkop weg. In het holst van de nacht rijdt een stoet van voertuigen vol vluchtelingen richting de Turkse grens. Een ruisende stilte van passerende wagens neemt de overhand. Voor de grens worden ze door bewakers en prikkeldraad gestopt en verplicht om kamp op te slaan. De mensen staan in grote getallen hun onzekere bestaan uit te schreeuwen. Het zijn stille schreeuwen. Schreeuwen die we niet horen, die zij niet horen. Er is alleen een ruisende stilte. De mensen worden niet aangehoord, grensbewakers draaien hun hoofden om, camera's zijn afwezig en staatshoofden gaan gewoon verder. Nu, dreigt in Idlib een epidemie los te barsten, steeds niemand die hen aanhoort.

Deze mensen bepalen niet over hun toekomst. Ze hebben geen vrijheid. Ze worden verzwolgen door een oorlog waar ze geen zeggenschap in hebben. Het is de chaos van een oorlogvoerend orkest die de toon zet, niet de schrille schreeuwen van diens slachtoffers. De dirigenten zijn Iran, Rusland, Turkije, de V.S. en Assad. De rest van de wereld volgt de strijdhymne.

HET MENSELIJK BESTAAN

Uit deze verzwelgende duisternis en diens ruisende stilte staat de mens op. De onuitputbare drang om te ontsnappen is hier de noodzaak om de ruisende stilte te doorboren met kreten, zich uit de gevangenschap te slaan en de ketens van het onzekere bestaan te doorbreken. De verschrikking van de oneindige nacht leidde tot verstarring. De verstarring wordt nu afgeschut en de mens schreeuwt 'ik besta'.'Ik heb recht om te bestaan'.

De Belgische krijgsgevangen bracht zijn blik tot de stervende Joegoslaaf en dacht 'ik breng hem naar huis'. Geketend zoals hij was, aan het ellendig bestaan van de kampen, doorbrak hij de doelloosheid en horreur die hem werd opgelegd. Door het oppikken van de Joegoslaaf kerfde hij zijn eigen lijdensweg uit en maakt hij een einde aan de onverschilligheid die in de kampen heerste. Hij toonde aan dat een mens zijn eigen geschiedenis kan maken, kan persisteren in zijn mens-zijn en een recht heeft op een bestaan, een menselijke bestaan.

Als de vluchtelingen uit wanhoop aan de Turkse douaniers poorten verzamelen, zien we eenzelfde schreeuw om bestaan. Met zijn honderdduizenden staan ze aan de grens. Hun ogen gericht op een veilige thuishaven, op een toekomst. Enkele miljoenen vluchtelingen gingen hen al voor. Met het laatste beetje vrijheid dat ze hadden, riepen ze 'wij bestaan'. 'We hebben recht op een bestaan'. Het geruis van de stilte maakte plaats voor de klank van een eis en een verklaring. Dit was de starttoon van hun dwalende Odyssee over land en zee op zoek naar een plek die een vrij leven kon verzekeren.

De vluchtelingen in Idlib worden eraan herinnerd dat de Odyssee een zwerftocht is met vele onderbrekingen en gevaren. De gesloten poorten van de Turkse grens, de maffiose mensensmokkelaars, de levensgevaarlijke boottochten over de Middellandse zee, de overvolle vluchtelingenkampen, de vele grensbewakers en de eenzaamheid die gepaard gaat met het vluchten. Waar deze zwerftocht hen heen brengt hebben ze niet in handen.

Net zoals de Belgische krijgsgevangen tonen de alledaagse levens van vluchtelingen sporen van trauma. Zowel post-traumatische stress syndroom als depressie zijn veel voorkomende aandoeningen die vluchtelingen terug kunnen werpen op dat éénzelfde monotoom ondergaan die eigen was aan hun oorlogssituatie. Ze herbeleven dit ondergaan vaak opnieuw door slapeloze nachten, angstaanvallen, stress, waanbeelden, geluiden en gevoelloosheid. Hun leven wordt getekend door trauma die met eb en vloed weer de kop opsteekt. Van de Joegoslaaf die door de krijgsgevangen terug naar 'huis' gebracht werd tot de vluchtelingen die een veilige thuis willen vinden, allen trachten ze uit de meest erbarmelijke situaties te ontsnappen, als mens op te staan uit de anonimiteit en een eigen menselijk bestaan op te eisen.

DE ANDER

Het leven is daarmee gezegd niet alleen het individuele bestaan van mensen maar een constant worden. We bestaan namelijk niet alleen, het eigen bestaan kan niet op zichzelf staan en individuele rechten zijn niet de enigste geldige rechten. Er is altijd ook een ander. De ander is diegene die ons eigen bestaan, onze egoïstische 'ik' en individualiteit doorbreekt. De ander schort onszelf op en creëert een opening voor de moraliteit, het goede.

Het gelaat van de Joegoslaaf riep de Belgische krijgsgevangen op een haast religieuze wijze op om hem naar het kamp terug te brengen. Eenmaal de Joegoslaaf op zijn rug was gehesen, begon hij te sakkeren. De zwaarte van de lijdensweg werd hem te veel. Hij zei tegen zichzelf: 'Nu loop je hier door uit angst, omdat je hem niet hebt durven laten liggen'. Uit schrik voor de persoonlijke gevolgen van het negeren van de Joegoslaaf zou de krijgsgevangen zichzelf tot verantwoording roepen: 'waarom neem je deze stervende nu op, uit angst?'. De persoonlijke angst maakte echter plaats voor het humanisme van de ander. Zijn antwoord op deze zelf-verantwoording was 'God woont in de mens', het goede woont in deze Joegoslaaf. Op het moment dat de oproep van de Joegoslaaf tot de krijgsgevangen kwam, brak zijn eigen individuele lijden, sentimentaliteit en bestaan. Er kwam een opening voor een moraliteit die het egoïsme overschrijdt, het eigenbelang maakte plaats voor het goede en de zin van het leven kwam in teken te staan van de ander. De krijgsgevangen nam de hand van de Joegoslaaf vast en kuste deze. Een gebaar uit liefde voor de ander.

EEN HERWAARDERING VAN ALLE WAARDEN

Het gelaat van de ander wordt vandaag de dag geopenbaard door de vluchtelingen die in België arriveren en verblijven. We worden geconfronteerd met hun oproep om ethisch te handelen. De oproep doorbreekt ons zelfbeeld en het eigenbelang die mensen nastreven. Het wijst op de contradicties van 'onze' begeerde morele waarden en normen. Wanneer Europa in koor zingt dat het de meest democratische moraliteit belichaamd, wordt dit gezang onderbroken door de kreten van de ander. Het wordt doorbroken door de duizenden verdronken vluchtelingen die een onderzees kerkhof vormen, door douane verwonde mensen en dolende sans-papiers. Ze drukken ons allen op een moeilijke zelf-verantwoording. De oproep gaat naar ons uit en vraagt wat we nu exact moeten doen met deze mensen, hoe we moreel kunnen handelen naar deze andere.

De contradictorische moraliteit en de verantwoording die uit het ethisch appel van de ander voortvloeit, worden overweldigd door een al te luide reactionaire klaagzang. Paniekkreten komende van politici waarschuwen voor de neergang van 'onze' waarden en normen, de Europese cultuur en de algehele westerse beschaving. De moraliteit die hier uitgaat van het gelaat van de vluchtelingen wordt door de politici toegeëigend en herleid tot een identitair moralisme. De ethische opening wordt geïnstrumentaliseerd om angst in te boezemen door de ander, de vluchteling, de moslim, de jood of de progressieveling te bestempelen als een bedreiging voor ons 'moreel kanon', voor 'ons' bestaan.

Voor deze reactionairen betekent moraliteit namelijk identiteit. Het is een optelsom van moralistische regels die een volk zou omschrijven of de cultuur van een natie zou belichamen. Moraliteit wordt hier eigendom van een egoïstisch eigenbelang, de creatie van een identiteit en ego-centrisch zelfbeeld. Maar waarden of normen kunnen niet zo makkelijk in een identitair keurslijf gewrikt worden. Telkens wanneer men de aanblik van een de vluchteling voelt en met het gelaat van een andere geconfronteerd wordt, breekt het identitaire en individualisme in duizend stukken. Het kanon van 'onze waarden en normen' wordt bij het naar voren treden van de ander opengebroken, tot rechtvaardiging geroepen. De moraliteit wordt terug geopend, ontdaan van een moraliserende vinger en vanuit de krochten van nationalistische volksmenners gehesen op diens terechte voetstuk.

BIBLIOGRAFIE

Aerts, B., Jos de Man. Advocaat in Nacht en Nevel '40-'45. http://www.getuigen.be/Getuigenis/Aerts-Bert/.
Lévinas, E. (2005). Over de ontsnapping, voorafgegaan door Enkele beschouwingen over het hitlerisme. Kapellen: Pelckmans.
Lévinas, E. (1988). Van het zijn naar de zijnde. Baarn : Ambo.
Lévinas, E. (2006). Emmanuel Levinas aan het woord: 11 gesprekken. Kapellen : Pelckmans
Aerts, B., Jos de Man. Advocaat in Nacht en Nevel '40-'45. http://www.getuigen.be/Getuigenis/Aerts-Bert/.

(Lees alle winnende essays van de Emile Zola Prijs 2020)