Abonneer Log in

Tu m’accuses?

Emile Zola Prijs 2020 - Eervol vermeld door de jury

Net wanneer ik denk het niet meer uit te houden, wordt mijn stille spijt overstemd door de verlossende hamerklap van de rechter die me vrijspreekt.

In de luttele seconden voor het vonnis viel, hoorde ik voor het eerst in jaren de oorverdovende stilte waar ik onbewust naar had gesnakt. Een stilte die niet wordt gebroken door verhitte protesten, opgedrongen meningen en pedante leuzen die ik maar al te graag nakauwde. En net in die stilte besefte ik dat vrijuit gaan tegelijk het doodsvonnis van mijn ziel zou betekenen. Best ironisch hoe ik plots gaf om iets waarvan ik dacht dat het al lang was heengegaan. Maar voor ik mijn zielenroerselen met u deel, is een kleine introductie wel aan de orde.

De naam is Van Bel, even kort, krachtig en rechtdoorzee als ikzelf. Verwacht dus geen hallucinante historiek of waanzinnige wandaden hier, die zijn heus niet aan een plichtgetrouwe man als ik besteed. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik een heilige ben, maar laat niemand je wijsmaken dat ik mijn verantwoordelijkheid niet draag. Ik ben de vader die elke ochtend zijn kinderen naar school brengt, de man des huizes die de vuilniszakken buiten zet en de stoep voor zijn buren sneeuwvrij maakt, de echtgenoot die zijn vrouw op handen draagt, de loyale kameraad die zijn jeugdvrienden op tijd en stond uitnodigt voor een etentje, een pintje of een pokerspel. Mocht u me echt kennen, dan zou u vast niet kunnen ontkennen dat wij twee uit hetzelfde hout gesneden zijn. En toch… Tu m'accuses?Ik werd gearresteerd op 10 april. Goede Vrijdag. Een gevolg van mijn eigen daden beweert u, want een Griekse tragedieals deze is nu eenmaal onafwendbaar voor een besmeurde ziel als ik. Maar zei een verstandig man niet ooit dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is? Ik mag dan niet volmaakt zijn, maar hou uzelf op z'n minst even de spiegel voor. Ik ben immers echt niet slechter dan de rest en dat zal ik bewijzen ook.

Met geheven hoofd en onvermurwbare bravoure begeef ik me naar de beklaagdenstoel. Lijnrecht tegenover mij – zowel in letterlijke als figuurlijke zin – staat monsieur l'accusateur, een Parijse dandy uit een tijd waarin dat ongetwijfeld als compliment gold. Met zijn knijpbril en baret straalt hij een zekere vergane glorie uit, alsof hij met zijn stijl al wil aankondigen hoe passé ook zijn argumentatie zal zijn. Ik vraag me af of hij dat zelf ook beseft, want hoe verwoed hij ook zijn brilglazen poetst, de glans van puur optimisme die daar ooit achter school, lijkt hij niet meer tevoorschijn te kunnen toveren. Dat neemt echter niet weg dat een select, krimpend groepje aanhangers hem nog steeds blijft aanbidden als een soort romantische held, maar u en ik weten wel beter. Wij zien hem voor de moraliserende, dogmatische pseudo-goeroe die hij werkelijk is, een echte Gutmensch. En die titel doet hij met zijn inleidend betoog meteen alle eer aan. Bewapend met zijn wandelstok steekt hij van wal: 'Dames en heren van de jury, in ons midden vandaag staat een rasechte wolf in schapenvel. Meneer Van Bel hier wil niets liever dan u doen geloven dat hij een van jullie is en wendt maar wat graag drogredenen aan om u daarvan te overtuigen. Maar hoe gehaaid hij ook is, de wolf in hem kon het de voorbije jaren niet laten om kleine glimpjes van zijn ware aard in het rond te strooien. Noem een vorm van moreel verderf en ik garandeer u dat meneer Van Bel zich er schuldig aan heeft gemaakt. En alsof hij mijn taak heeft willen vergemakkelijken, lezen zijn sociale profielen als een overvol dossier aan bewijslast.'

Een jongeman uit de jury knikt instemmend. Nog voor ik de kans krijg om hem in stilte uit te maken voor politiek correcte moraalridder, zie ik hoe zijn geknik als het ware een canon van medeknikkers in gang zet, tot zelfs de twee vrouwen die daarnet nog hevig met hun ogen zaten te rollen, zich laten vermurwen en braafjes mee knikken.

DE QUOI M'ACCUSES-TU?

Met elke vertwijfelde – hier en daar zelfs beschuldigende – blik uit de zaal voel ik mijn ergernis groeien. 'In wat voor een absurde, kafkaëske wereld zijn we beland als recht en rede moeten wijken voor sentimentele prietpraat? Zijn we in de 21ste eeuw dan echt niet verder geëvolueerd dan dat? Ik ga me alleszins niet verlagen tot dat soort quatsch, ik zal me verdedigen als de ware animal rationale die ik ben en ik hoop dat ieder van u eveneens die titel met trots kan dragen. Want zelfs het kleinste sprankeltje rationaliteit volstaat om deze aantijgingen van tafel te vegen, dus laat ons allemaal even redelijk zijn.'

'Zo beschuldigt de aanklager mij van haatdragende taal en opruiing, enkel en alleen omdat ik durf uitdrukken wat ieder van u denkt. Als ik pleit voor het beschermen van onze grenzen, als ik de toenemende criminaliteit in gekleurde buurten aanklaag, als ik onze onschuldige kinderen wil beschermen van hun door moslimextremisme geïndoctrineerde klasgenootjes, lieve mensen, dan doe ik dat voor ú. Dat is mijn burgerplicht en daar zal ik me nooit voor excuseren, ook al moet ik daarvoor soms op de lange tenen van 'deugdzame' zedenprekers trappen. Want wat zij ook mogen beweren, wij mogen ons het recht op vrije meningsuiting, waar onze dappere voorouders als leeuwen voor hebben gevochten, nooit laten ontnemen. Dus spreek ik uw angsten uit en bied ik mogelijke oplossingen aan. En al zijn die soms onorthodox of extreem in de ogen van sommigen, ik dien geprezen te worden om mijn inzet voor de samenleving, toch niet berecht.'

'Daarnaast word ik hier ook aangeklaagd voor ongewenste intimiteiten. Zulke zaken worden te snel en te gretig via de roddelpers verspreid. Laat me eerst en vooral benadrukken dat die aanklacht zijn oorsprong vindt in een reeks anonieme getuigenissen van vrouwen die zich tot op de dag van vandaag nog steeds niet geopenbaard hebben, zelfs niet aan mij. Hoe geloofwaardig acht u zulke uitspraken dan werkelijk? Ik ben een publiek figuur en al zeg ik het zelf, ik word door velen aanbeden als een godheid, niet in het minst door vrijgezelle vrouwen. Heb ik ooit eens geflirt met een stagiaire? Ben ik ooit eens ingegaan op een avance hier en daar? Natuurlijk, ik ben ook maar een gezonde man. En ik beken zonder schroom dat ik op mijn pad wel eens een hartje heb moeten breken, want vrouwen zomaar aan het lijntje houden ligt werkelijk niet in mijn aard. Maar dat ik me hier nu moet verdedigen omdat enkelen van hen de afwijzing niet kunnen verkroppen, dat slaat toch werkelijk alles. Dus ik zou al die zelfverklaarde slachtoffers en #metoo-feministen zonder degelijk bewijsmateriaal willen aanraden om de grondbeginselen van ons strafrecht nog eens te bestuderen. In dit land ben je immers nog steeds onschuldig tot het tegendeel bewezen is, dus als ze hier zelf niet op de beklaagdenbank willen eindigen wegens laster en eerroof, kunnen ze maar beter enkele toontjes lager zingen. En kijk maar niet geschokt, want ik weet dat u het ermee eens bent. Ik hoor immers vanuit steeds meer hoeken de oproep weerklinken om mijn herintrede te maken op het publieke toneel. Dus werkelijk, als Vlaanderen me terug wilt, gaat u hen dat dan zonder enig bewijsmateriaal tegen mij ontzeggen?'

Zonder ook maar een keer naar adem te happen, zet ik mijn betoog verder. Ik zie de aanklager regelmatig zijn hoofd schudden, maar ik ben onverstoorbaar. Want toegegeven, ik durf wel eens op licht pedante toon te verwijzen naar Keizer Claudius of op orwelliaanse wijze de naam van de gezamenlijke vijand te veranderen als me dat uitkomt, maar dat deden de meest geprezen Romeinse redenaars op het Forum Romanum ook. En het lijkt te werken, want hoe langer ik praat, hoe meer ik de juryleden op mijn hand krijg.

LA QUATRIÈME EVANGILE

Met een bedrukt gezicht staat de aanklager op. Hij moet diep teleurgesteld zijn in zichzelf om me zo te onderschatten, om nog maar te zwijgen van de – voor hem althans – verrassende metamorfose van het jurerend superego. Hij stapt zwaarmoedig op hen af, wat met het lood in zijn schoenen vast nog moeilijker gaat dan anders.

'Ik ben altijd een voorvechter geweest van rechtvaardigheid. Eén blik op Les Quatre Evangiles volstaat om dat aan te tonen, want in elk van de drie voltooide romans is dat concept zo diep doorgesijpeld. Maar het sluitstuk, de apotheose zeg maar, heb ik nooit kunnen afwerken. Want Justice ligt me zo nauw aan het hart dat elk woord moet kloppen, zelfs het piepkleinste puzzelstukje mag niet ontbreken. En net daar knelt het schoentje, want om rechtvaardigheid te preken moet je helemaal recht in je schoenen staan. En hoewel ik destijds al zei dat ik het als mijn taak beschouw om onrechtvaardigheden aan te kaarten omdat ik niet medeplichtig wil zijn, moet ik toegeven dat ik me daar in de tussentijd wel schuldig aan heb gemaakt. Tijden veranderen en ik heb met lede ogen moeten aanzien hoe wij massaal onze menselijke ziel hebben verkocht voor kennis en ratio. Ik heb staan toekijken terwijl we collectief het slachtoffer zijn geworden van onze wetenschappelijke en industriële groei, want hoewel perfect complementair, zijn onze principes en ons geweten hiervoor moeten wijken. Politici en mediafiguren zijn mondiger geworden en hoe luider en schaamtelozer zij immorele slagzinnen zijn beginnen verkondigen, hoe zachter en moedelozer mijn stem werd. Maar niet vandaag. Vandaag sta ik hier om nog een laatste keer mijn stem te verheffen, in de hoop dat verderfelijke wantoestanden zoals die waaraan meneer Van Bel zich schuldig heeft gemaakt, voortaan niet meer achteloos bedekt zullen worden met de opportunistische mantel der ratio.'

'U laat het immers toe dat onze hardvochten rechten worden misbruikt. Zo heeft Mr. Van Bel zich daarnet meermaals beroepen op zijn recht op vrije meningsuiting. Hij heeft er zich haast achter verborgen. En dat was een uitgekiende strategie van hem, want hij beseft als geen ander hoe massaal we daar dezer dagen om schreeuwen. Maar als we dat recht eisen, hebben we dan niet tevens de plicht om zowel de vrijheid als de oprechte overtuiging ervan te garanderen? En dan heb ik het niet alleen over meneer Van Bel, maar ook over u, beste leden van de jury. Hoe oprecht is uw overtuiging als die gedreven wordt door het verlangen om uw idolen op hun voetstuk te houden? Hoe vrij bent u werkelijk in uw denken, als de principes van naastenliefde en rechtvaardigheid die u ongetwijfeld in uw hart draagt plots haaks komen te staan op de zogenaamde stem van de gewetensloze ratio die politici en media u opdringt? Een stem die zich zonder ophouden en via alle mogelijke kanalen in uw oren wurmt en uw brein – met zijn gekende voorkeur voor bevestiging – bespeelt en verwart, tot u ze zich meester maakt en ze niet meer kan onderscheiden van uw eigen stem. Want nee, ik wil de schuld van onze verzuipende moraliteit niet in uw schoenen schuiven, ik smeek u enkel om uw nieuw verworven en ingebeitelde overtuigingen in vraag te stellen voor u het schip definitief laat zinken. Want vergis u niet, justitie mag dan de letter van de wet voorschrijven, maar het kompas om te bepalen wat wij als maatschappij aanvaarden ligt in úw handen, in úw stem. Dus laat het ook uw eigen stem zijn die spreekt straks. Velen onder u dezer dagen hebben religie afgezworen, en dat is uw goed recht. Maar als u zich kan kanten tegen de dogma's van de Kerk, dan heeft u ook de kracht om opvattingen opgedrongen onder het mom van de Verlichte Ratio af te zweren als die niet stroken met uw waarden.'

OUI, JE REGRETTE TOUT!

Terwijl de woorden van de aanklager langzaam binnen sijpelen, overvalt een verlammende mix van angst, twijfel en manie me. Ben ik te ver gegaan? Ben ik een aanstoker of katalysator van deze steeds meer verziekte maatschappij? En vooral, zal ik ooit kunnen leven onder het juk van zo'n duistere schaduw? Ik moet mijn handen tegen mijn mond drukken om mijn eigen vonnis niet te tekenen, om het niet uit te schreeuwen. Oui, je regrette tout!

Net wanneer ik denk het niet meer uit te houden, wordt mijn stille spijt overstemd door de verlossende hamerklap van de rechter die me vrijspreekt. Met een triomfantelijke vreugdekreet verbreek ik de rust in de zaal, en daarmee mijn laatste kans op zielsloutering. Want de lichte bewustwording die me even tergde tijdens die enkele seconden van stilte, wordt even snel weer vertrappeld en verpletterd door de uitbarsting van triomf die de zaal en mijn hoofd vult. Nog een laatste keer werp ik een spottende blik op de aanklager, van wie de reeds flink geslonken aanhang de schouders laat hangen en de ogen ten hemel slaat. Ik vraag me af of ze het zwaard van Van Bel al boven hun hoofden kunnen zien bungelen.

Victoire!

(Lees alle winnende essays van de Emile Zola Prijs 2020)