Abonneer Log in

De langste afstand of de minste weerstand?

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Op politiek, sociaal en arbeidsorganisatorisch vlak tast het kleine coronacelletje de grootste structuren aan. We kunnen ons nu behelpen met lapwerk, of kiezen voor vakwerk.

Men kan de coronapandemie zien als een klap voor de mensheid, een hinderlijke terugslag en niets meer. Men kan het zien als een strijd die eindigt in verdeeldheid, zoals de economische crises in de laatste halve eeuw. Men kan het echter ook zien als een stresstest voor de maatschappij en een leerervaring. In de arbeidswetenschappen zegt het bekende Karasek-model dat men moeilijkere vragen de baas kan als men over de instrumenten en mogelijkheden beschikt om die aan te pakken. Dat kan uiteindelijk groei inzetten, op voorwaarde dat die moeilijke vragen uitdagingen zijn en geen nodeloze hinder. Hoewel het virus uiterst complex is, heeft de medische wereld zich niet moeten heruitvinden. Ze moest er staan en standhouden.

Op politiek, sociaal en arbeidsorganisatorisch vlak zit dat helemaal anders. Het kleine celletje tast daar de grootste structuren aan. We kunnen ons nu behelpen met lapwerk, of kiezen voor vakwerk. De weg van de minste weerstand leidt naar het oude, risicovolle normaal, naar onhoudbare tegenstellingen, sociale spanningen, en uitputting van de mens en de planeet. De weg van de langste afstand is duurzamer en harmonieuzer, en zou het nieuwe, veiligere en zekere normaal moeten worden. Het besef, de wil, en de noodzaak om die weg op te gaan groeit, maar meer weerstand betekent dat het vermogen moet toenemen om de moeilijkheden te overwinnen die onderweg te vinden opduiken. Ik zoom in van het macroniveau tot het microniveau op zoek die hernieuwde krachten.

EUROPESE SAMENWERKING

Het voorlopig rapport voor de Europese Unie lijkt hard: omdat gezondheidszorg een nationale bevoegdheid is, werd het in deze fase van de pandemie een verhaal van ieder voor zich. Italië moest rekenen op steun van Rusland en Cuba, Tsjechië confisqueerde een lot mondmaskers dat het land passeerde op weg naar de laars van Europa, onze Koning moest in hoogsteigen persoon onderhandelen om onkwalitatieve Chinese maskers te laten aanrukken. Onthutsend zwak voor een politieke unie die op interdependentie is gebouwd, en zeker een agendapunt voor de komende jaren.

Tegelijk zien velen niet dat de diversiteit in de aanpak van de verschillende lidstaten ook een troef is, of zou kunnen zijn. Het is daarbij opvallend dat de kortetermijnreactie haaks op de langetermijnstructuur staat: in sociaaldemocratische, noordse welvaartsstaten werd gerekend op individuele responsabilisering, met Zweden als exponent voorbij het deugdelijke; in het (gevaarlijk) autoritaire oosten hebben de burgers het voortouw genomen om de mondmaskerwet politiek af te dwingen; in het zuiden, dat steunt op subsidiariteit, verscheen het leger op straat; en over het kanaal, waar onzichtbare handen de vrije markt schragen, werd gekozen voor een strikt legalisme waardoor zelfs de leiders en experten, zoals adviseur Dominic Cummings en epidemioloog Neil Ferguson, aan de schandpaal genageld werden voor een naar onze normen vrij kleine misstap. In het christendemocratische Europa vervaagden de grenzen en competenties van het multilevelbeleid, en namen expertencomités en lobbygroepen het roer over. De spanning tussen het federale niveau en de gewesten of deelstaten was voelbaar in België, maar ook in Duitsland, en de machtsverhouding tussen wetenschappelijke voorzorg en politiek voluntarisme tot zelfs manifestatiedrang sloeg om wanneer de curve vlakker werd. Een lappendeken van strategieën dus, alsof ieder land een ander virus aan het bekampen was.

Daarin schuilt een opportuniteit. Vanuit Europees perspectief is het gebrek aan uniformiteit in het beleid een vorm van risicospreiding. Men zou er een bewuste keuze van kunnen maken: lidstaten sluiten een contract om elkaar de vrijheid te geven een eigen beleid uit te tekenen, zoals het Verdrag voorschrijft, maar elkaar uit de nood te helpen als het misloopt. Dat is het sluitstuk dat ontbrak door het volgen van de weg van de minste weerstand, namelijk de decentraliseringsgolf die de desintegratie van de EU heeft ingezet. Zo zagen we dat werd nagetrapt wanneer een land kleurt buiten de lijntjes die andere landen, bijvoorbeeld in ruil voor een (beloofde) lening, hebben uitgezet. De weg van de langste afstand daarentegen zet net harder in op de interdependentie, bijvoorbeeld voor de productie en aanvoer van geneesmiddelen en beschermingsmateriaal, voor de verzekering van energie en grondstoffen, en voor investeringen groene technologie. Het bedrijfsleven moet zich sterker in Europese zin oriënteren. Zoals bij de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal in 1957 zal uit die samenwerking solidariteit voortvloeien. Daar kan nu een informatietechnisch laagje bovenop komen: het harmoniseren van datacollectie, of het nu over ziekte of sociale condities gaat, raakt evenmin aan de nationale soevereiniteit, maar laat net toe om Europees te benchmarken en bij te sturen waar het nodig is. De Europese Unie is dan niet langer noch louter een ideaal dat voortvloeit uit het joods-christelijke denken, een nationalistisch historisch construct, maar een structureel partnerschap waarvan de burgers resultaten mogen verwachten, zeker in crisistijden die zich in de toekomst nog zullen aandienen.

LOKALE ZORG

Ook nationaal moet de tendens naar regionale decentralisering – met een toch wel gure rugwind van links – in vraag gesteld worden. De weg van de minste weerstand die werd gevolgd, leidde tot een ongeziene spontane cadeautjesronde, waarbij het rijkste gewest in volle crisis onbesuisd geld en vlagjes ging uitdelen. Dit bracht een kettingreactie met zich mee, waarbij tot nog toe, na het onverminderd dodental, voor niemand slecht nieuws volgde. Zo werd een vermogensbelasting kordaat afgewezen, waardoor ook aan arbeidszijde geen toegevingen gevraagd kunnen worden. Wie eerst komt, eerst maalt – zo gold. Het verplegend personeel stond achteraan de rij, en kreeg drankbonnetjes.

Men vergeet evenwel dat wie het zwaarst geleden heeft, en het minst gekregen, nog weinig te verliezen heeft en niets hem of haar nog aan dit systeem bindt. Anderen hebben amper geleden, maar zien de bui hangen en vrezen dat aan hun vermogen geraakt zal worden. Die twee elementen zorgden ervoor dat radicale, antisystemische partijen een meerderheid halen in opiniepeilingen in Vlaanderen. Om alvast de eerste groep gehoor te geven is een sociale herschikking, bijvoorbeeld naar de vele laagbetaalde maar essentiële beroepen toe, dan ook imminent; de vraag is alleen hoelang de tweede groep het zal durven uitstellen, en welke breuken zo geslagen worden. Een boedelscheiding is een realistisch en catastrofaal doemscenario. Het vindt weerklank bij opiniemakers en journalisten, maar tegelijk is er vanuit het werkveld en in de volkse onderstroom een roep om minder complexiteit en meer samenhang. Zo vraagt de zorgsector om een bestuurlijke vereenvoudiging wars van ideologisch opportunisme, om eenheid van commando, waarbij de federale administratie zich het meest matuur getoond heeft. De zorgsector vraagt ook om werkbaar werk, zodat er voldoende handen zijn om niemand goede zorgen te ontzeggen. Andere sectoren, zoals de landbouw en voedingsindustrie, logistiek, en handel, zullen eveneens gemotiveerd moeten worden om het systeem overeind te houden, en dat betekent erkenning voor het werk van vele werknemers in laagbetaalde banen die een risicoberoep geworden zijn als ze het al niet waren.

Bomen groeien echter niet tot aan de hemel. Daarom vereist de weg van de langste afstand een zeer sterke progressieve verdeling van de lasten, waarbij de zwakkeren ook, maar minder getroffen worden, en waarbij in ruil voor die toegift geïnvesteerd wordt in lokale zorgzaamheid, als tegenhanger van de sterkere internationale oriëntering die de afruil vormt voor de belasting van de grotere vermogens. Die zorgzaamheid gaat van de verfraaiing van een park voor ontspanning in de buurt – wat minder evident is dan het lijkt – tot opleidingen en maatwerk, het wegwerken van de wachtlijsten, en een toegankelijkere geestelijke gezondheidszorg. Hoewel de kostprijs daarvan in het licht van de verliezen nu, en in het licht van de te verwachten effecten van welzijn en sociale cohesie beperkt is, heeft men in de maanden van de lockdown aan de lopende band kansen onbenut gelaten, hoewel er een gigantisch capaciteit aan werkkrachten voorhanden was. Die nalatigheid kan men zich niet permitteren als men wil dat de kosten van de pandemie mede verhaald zullen worden op de 95%.

SLIMME ECONOMIE

Corona is de spreekwoordelijke lamp waar we zijn tegenaan gelopen, maar ook het licht dat de weg vooruit beschijnt, om de allegorie voort te zetten. Hardnekkige armoede en residuele ongelijkheid niet te na gesproken, vertoefde onze samenleving en economie decennialang in relatief rustig vaarwater. Grote, existentiële bedreigingen gebeurden in den vreemde. Vandaar dat de epidemie aanvankelijk ook niet ernstig genomen werd, dat geven experten zoals Erika Vlieghe inmiddels toe. De enige crisis die deze generatie politici heeft meegemaakt, was de bankencrisis van 2008, waarbij tijdelijke werkloosheid de vraagschok temperde. Dit was dan ook het voornaamste instrument dat gebruikt werd om mensen te overtuigen in lockdown te gaan, en het heeft gewerkt, maar het was onvoldoende. We waren in grote mate onvoorbereid op de pandemie die nochtans voorspeld was, en in tegenstelling tot andere dwarsliggers in dit land kan er met het virus niet onderhandeld worden. Het nam ons dan ook te grazen, profiterend van die blinde vlek.

De onschuld zijn we nu kwijt, en dat is heel goed. We moeten meer verwachten van onze overheid, van onze bedrijven en van onszelf als burgers, maar we moeten van allen ook minder verwachten, namelijk minder pretentie en zelfingenomenheid. Men heeft eerder geloof gehecht aan mooipraters met gunstige rampscenario's dan aan kritische stemmen, net zoals consultants het bedrijfsmanagement een flatterend portret voorhouden eerder dan een spiegel. De weg van de minste weerstand gaat echter andermaal langs quasi-religieus, identitair culturalisme op ideologisch gebied, of het nu Vlaams-nationalisme of Black Lives Matters is, en richting flexibilisering van de arbeid op economisch gebied, waarbij bijvoorbeeld het debat over nachtarbeid opnieuw werd geopend, en de platformeconomie – de oudste vorm van arbeidsorganisatie – wind in de zeilen krijgt. Het is symbolisch getouwtrek dat in het beste geval voor stilstand zorgt, in het slechtste geval voor achteruitgang.

Stilaan groeit het besef echter dat dit telkens een zwaktebod is, gebaseerd op idee-fixen, dat er diepgaandere transities in de democratie en in de bedrijfsorganisatie nodig zijn. Dat is veel minder abstract dan het klinkt. In tegenstelling tot de symboliek staan immers praktische aanpassingen: écht telewerk voor iedereen in plaats van een verhulde verlofdag voor de kaderleden, ambities voor een vlottere IT-infrastructuur die in het spoor komt van Oost-Europese standaarden, correcte en desnoods anonieme aanwervingsprocedures, korte ketens om de aanvoer op peil te houden, open-source onderzoek en ontwikkeling, lokale innovatie én productie, enzovoort. De rode draad is geloof in eigen kunnen en kritische zin, wat men gerust tegenover de zwakke evaluatiecultuur die vroeger heerste kan plaatsen. Het kan een sterkte zijn in het post-truth tijdperk. Nooit eerder is er zoveel gefactcheckt, nooit passeerde er zoveel academisch onderzoek de revue als tegenwicht tegen veronderstellingen. Als onze gezondheid ervan afhangt, is kennis belangrijker dan geloof. Die zoekende en onzekere attitude zal echoën in de komende jaren, ook als het over andere zaken gaat, ook als het over de maatschappelijke plicht van degelijk werk gaat, en vooral als het over de verantwoordelijkheid van bestuurders en bewindslui gaat. Het blind vertrouwen, de katholieke aard van dit land, heeft een deuk gekregen, en dat is een zegen. Vandaag is het niet moeilijk om mensen uit te leggen dat een comité voor preventie en bescherming op het werk nuttig is, dat werknemersvertegenwoordiging en een vakbond die je risico's afdekt nodig zijn. Corona zorgde voor antilichamen tegen naïviteit.

ONTWAAK, ONTWAAK

Verwacht echter geen plotse omslag. Elk niveau zal eerst nog afglijden naar het oude normaal, de weg van de minste weerstand volgen, opnieuw misstappen maken, en opnieuw de rekening gepresenteerd krijgen. Op dit moment zijn er nog geen hervormingen doorgevoerd, zijn er amper instrumenten in werking gezet om een tweede golf te voorkomen, en kiemt de sociale onrust nog. België heeft de polepositie niet veroverd, maar bij elke sociale en economische terugslag zal men de eerste golf van de coronapandemie als het nulpunt beschouwen, en ieders bijdrage sindsdien in dit licht evalueren. Het zal leiden tot hogere verwachtingen op elk niveau omdat individuele precariteit is omgeslagen in collectieve fragiliteit. Op dat vlak kan België, dankzij een sterk georganiseerd middenveld als collectief geheugen en als stabiele tegenkracht tegenover een wankel beleid, Europees de leiding nemen om een duurzamer tijdperk in te luiden. Het zal echter het virus zijn dat ons heeft wakker geschud.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona_ van Samenleving & Politiek.