Abonneer Log in

Flatten de armoedecurve

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Corona is niet alleen een gezondheidsvirus, maar ook een ongelijkheidsvirus. Niet alleen het virus zelf, maar meer nog de manier waarop we de besmettingscurve probeerden af te vlakken, hebben de bestaande ongelijkheid vergroot. Begrijpen hoe de coronapandemie de bestaande ongelijkheid heeft vergroot, is cruciaal om de sociale gevolgen ervan aan te pakken de volgende maanden.

'Rijkdom is hiërarchisch, smog democratisch.' Zo luidt een omstreden boutade van Ulrich Beck. Hij wil daarmee benadrukken dat een aantal nieuwe ecologische risico's iedereen in gelijke mate treffen, ongeacht rang, stand of klasse. Dat geldt alvast niet voor deze pandemie: corona is een ongelijkheidsvirus. We weten dat ouderen en mensen met onderliggende gezondheidsproblemen kwetsbaarder zijn. Minder zichtbaar is hoe ook de sociaal-economische effecten van de coronacrisis bijzonder ongelijk zijn verdeeld. Het coronavirus vergroot de armoede en de ongelijkheid, zowel wereldwijd als in eigen land. Het vergroot ook de onderwijsongelijkheid. Bovendien is het virus in onze superdiverse samenleving allesbehalve kleurenblind. Waar de aandacht nu vooral gaat naar de economische relance, is een sociaal relancebeleid minstens even belangrijk.

HOE DE STRIJD TEGEN CORONA DE ARMOEDECURVE DOET PIEKEN

Volgens de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties zouden we armoede wereldwijd moeten uitroeien tegen 2030. De weg naar die doelstelling is met de coronacrisis alvast een heel stuk langer geworden. De wereldwijde pandemie gaat samen met een economische terugval, en heeft zo een rechtstreekse impact op de inkomens van de armsten wereldwijd.

Ook in de rijkste landen van de wereld, zoals België en Nederland, wijst alles erop dat de maatregelen tegen het coronavirus de armoede en de ongelijkheid sterk hebben doen toenemen, ondanks een relatief sterke sociale zekerheid. De lockdown verkleinde de kans op besmetting, maar vergrootte het risico op armoede.

Naast de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht door het coronavirus namen de verschillende regeringen in België een reeks maatregelen om de sociale impact van de coronacrisis te beperken. Die omvatten onder meer betalingsmodaliteiten voor sociale bijdragen voor zelfstandigen en een hinderpremie voor zelfstandigen, een tegemoetkoming in de water- en energiefactuur voor wie tijdelijk werkloos wordt, betalingsuitstel voor hypothecair krediet, een tijdelijk verbod op uithuiszettingen, extra middelen voor opvang van dak- en thuislozen, tot steun aan voedselbanken en Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW's). Toch zijn ze onvoldoende.

Daarom klinken noodsignalen uit het werkveld steeds luider. Ondanks de maatregelen groeiden huur-, energie- en andere schulden. Veel van de flex- en hamburgerjobs, waar steeds meer mensen op moeten overleven, vielen stil. Vele buitenlandse bouwvakkers, die werken voor onder-onder-onderaannemers, stonden opeens op straat, zonder tijdelijke werkloosheid, zonder iets. OCMW's in België signaleren een instroom van nieuwe hulpvragers. De groep van experten die de Belgische exit-strategie voorbereidde, verwachtte een toename van de armoede van 16% vandaag naar liefst 25% van de bevolking. Wat achter die prognose zit, is nog steeds onduidelijk, maar als het klopt, zou het betekenen dat liefst een op de vier mensen onder de armoedegrens zou leven na de coronacrisis, in een van de rijkste landen ter wereld. Alles wijst er op dat we de zwaarste sociale terugslag meemaken sinds de jaren 1930 of WOII.

Wie betaalt de prijs voor de strijd tegen corona? De strijd om de verdeling van de risico's is per definitie een ongelijke strijd. Maar we beseffen nog maar half hoe de lockdown de ongelijkheid verscherpt en de armoede vergroot. Voor wie thuis kon, mocht of moest werken, bleef het loon gewoon doorlopen. Thuiswerkers zijn vaker mensen uit de middenklasse, zoals leerkrachten, ambtenaren of mensen die online niet aan hun kantoor gebonden zijn. Ondertussen vielen poetshulpen terug op tijdelijke werkloosheid, net zoals mensen uit de bouwsector, de toeristische sector of de horeca. Ondanks de belangrijke financiële compensatie van tijdelijke werkloosheid, werkte het inkomensverlies toch door, het sterkst bij mensen in lager betaalde beroepen, bij alleenstaanden en bij wie deeltijds werkt.

Thuisblijven woog ook minder zwaar voor mensen met een goede woning, die ruim genoeg is om aan de verschillende bewoners af en toe privacy te bieden, en liefst ook nog een tuin of een terras heeft. 'Blijf in uw kot' in studio's of appartementen die in normale tijden al overbewoond zijn, was – op zijn zachtst gezegd – iets minder comfortabel. Ook de eerste resultaten van een online bevraging van het Kenniscentrum Gezinswetenschappen over de impact van de lockdown op gezinnen tonen hoe sociale ongelijkheid mee het welbevinden in het gezin bepaalt tijdens de coronacrisis. Wie in een leuke en comfortabele bubbel leeft, rapporteert minder last; mensen in minder leuke bubbels botsen op meer problemen.

Omdat heel wat mensen door de mazen van de sociale zekerheid glippen, groeit de nood aan onmiddellijke materiële hulp. Tegelijk hebben nogal wat initiatieven voor voedselbedeling de deuren gesloten, omdat de vaak bejaarde vrijwilligers uit voorzorg hun engagement niet meer durven of mogen opnemen. Nieuwe vormen van sociaal schaduwwerk ontstaan in de grote steden.

CORONA VERGROOT DE ONDERWIJSONGELIJKHEID

Het ongelijkheidsvirus treft ook de scholen, waar de lockdown de bestaande onderwijsongelijkheid verder vergroot. De stopzetting van de lessen en de snelle overschakeling naar afstandsonderwijs verscherpten ook hier noodgedwongen de bestaande ongelijkheden. De meeste scholen gaan er – ook in de wereld voor corona – van uit dat alle leerlingen thuis een computer én een internetverbinding hebben. Corona doorprikte die fictie bruusk, wat leidt tot allerlei ad-hocinzamelacties van oude laptops en computers.

Toch zal de volledige impact pas de volgende maanden en schooljaren ten volle zichtbaar worden, wanneer we weten welke leerlingen zijn afgehaakt en kunnen meten wie een blijvende leerachterstand heeft opgelopen. Al decennialang weten we uit armoede- en onderwijsonderzoek dat de thuissituatie en het opleidingsniveau van de ouders een cruciale rol spelen in de reproductie van onderwijsongelijkheid. Ouders die hoger opgeleid zijn, hebben veel meer mogelijkheden om hun kinderen en jongeren bij hun school- of studieloopbaan te ondersteunen. Er zijn boeken in huis, computer en internet zijn beschikbaar, maar er is ook kennis van het schoolsysteem en van studiemethodieken. Kinderen die de pech hebben om geboren te worden in een gezin waar de ouders nooit de kans hadden om te studeren, of waarbij de ouders de Nederlandse taal minder machtig zijn, ontberen vaak die ondersteuning. Iedere school zal ook bevestigen dat die kwetsbare leerlingen na een lange zomervakantie een deel van wat ze het jaar ervoor leerden, kwijtraakten in de periode dat er geen school was. Op die manier reproduceert ons onderwijs in normale tijden de ongelijke startposities van kinderen in belangrijke mate.

De coronacrisis vergrootte die kansenkloof bruusk. Hoe geëngageerd vele leerkrachten ook oefeningen, opdrachten en lesopnames via smartschool of andere digitale platformen ter beschikking stellen, of soms zelfs aan huis brengen, de realiteit leert dat niet iedere leerling die taken oppikt, en dat niet iedereen in dezelfde mate mee is met herhalingsoefeningen, laat staan met pre-teaching en nieuwe leerstof. Lang niet iedere leerling wordt bereikt. Antwerps schepen voor Onderwijs, Jinnih Beels, signaleerde dat ruim één op vier leerlingen in het basisonderwijs niet meer bereikt wordt door de scholen. Het effect van dit alles zal pas de volgende jaren ten volle zichtbaar worden.

Ook op de hogescholen en universiteiten is het afwachten wat het effect van de lockdown zal zijn op de studievoortgang, maar ook op het afhaken en stopzetten van studies. Waar een hernieuwde democratisering van het hoger onderwijs in tijden van superdiversiteit al urgent was, dreigt ook hier de coronacrisis de bestaande uitsortering te versterken.

Hoe komt het dat we de armoede amper hebben kunnen verminderen aan het begin van de 21e eeuw, wanneer het economisch relatief goed ging? Met die vraag confronteerde Bea Cantillon de samenleving de voorbije jaren voortdurend. Haar vraag was scherp en pijnlijk, in één van de rijkste landen ter wereld. De vraag in dit postcoronatijdperk wordt nog scherper: wat doen we nu we door de coronacrisis met een ongeziene groei van het aantal mensen in armoede geconfronteerd dreigen te worden?

De voortzetting van het bestaande armoedebeleid is ruim onvoldoende. Ook een 'béétje méér' van hetzelfde en een aantal extra maatregelen zullen niet volstaan. De coronacrisis maakt een 'marshallplan armoedebestrijding' nodig: geen pakketje flankerende maatregelen als aanhangsel van een klassiek economisch relanceplan, maar armoedebestrijding als een centrale en meetbare doelstelling. Alleen een sterk uitgebouwd sociaal luik als basispijler van de relancemaatregelen in het postcoronatijdperk biedt perspectief. Na de besmettingscurve moet de armoedecurve naar beneden: we moeten het effect van corona als ongelijkheidsvirus even hard bestrijden als het eigenlijke gezondheidsvirus.

Bijzondere aandacht daarbij verdient het onderwijs. Na het onderwijs op afstand is het de hoogste tijd om de afstand in het onderwijs te verkleinen. Daarvoor moeten scholen de middelen krijgen en het onderwijs eindelijk de keuzes durven maken voor een nieuwe democratiseringsgolf. Voor de groeiende armoede in de samenleving en de groeiende ongelijkheid in het onderwijs kunnen we immers niet op een vaccin rekenen, alleen op een meer solidaire samenleving.

OOK EEN ETNISCH ONGELIJKHEIDSVIRUS

Maar het coronavirus kent nog een vorm van ongelijkheid, die in Nederland en België tot nu toe taboe blijft. Corona is allesbehalve kleurenblind: het is ook op etnisch vlak een ongelijkheidsvirus. In Engeland trok Sadiq Khan, burgemeester van Londen, op 17 april aan de alarmbel in The Guardian. Hij wees er op dat op dat moment ruim één derde van de covid-patiënten op intensieve zorg in het Verenigd Koninkrijk tot Aziatische of andere etnische minderheidsgroepen behoorde, waar deze slechts 14% van de Britse bevolking vertegenwoordigen. Volgens Khan werken mensen met een etnische achtergrond vaker in frontlinieberoepen; meer dan bij ons houden ze de Britse gezondheidszorg overeind. Ze werken vaker in laagbetaalde contactberoepen en lopen zo meer risico op besmetting. Ook de slechtere leefomstandigheden spelen: etnische minderheden leven vaker in te volle woningen of met meerdere generaties onder een dak, met meer kans op besmetting en een hoger sterftecijfer. Begin mei bevestigden wetenschappelijke studies dat het sterfterisico van zwarten in het Verenigd Koninkrijk tot vier maal hoger ligt dan dat van blanke patiënten. Ook bij mensen van Aziatische origine en bij andere etnische minderheidsgroepen ligt het sterftecijfer significant hoger.

In mei bleek ook in Zweden dat het aantal besmettingen en doden veel hoger ligt in superdiverse wijken zoals Rinkeby-Kista in Stockholm. Ook hier werken inwoners vaker in laagbetaalde frontlinieberoepen: buschauffeurs, supermarktpersoneel, kappers, bewakingspersoneel of gezondheidswerkers. Vaak leven ze in kleine, overbewoonde panden, met minder kans op social distancing.

Eenzelfde verhaal in de Verenigde Staten, waar COVID-19 zwarte Amerikanen harder treft, door de ongelijke toegang tot de gezondheidszorg en hun levensomstandigheden, maar ook omdat onderliggende ziektes als astma en diabetes hen kwetsbaarder maken. Begin juni beslisten de Centers for Disease Control and Prevention in de Verenigde Staten om bij testen ook systematisch herkomst te registreren, om deze ongelijkheid op te sporen.

WAT MET BELGIË EN NEDERLAND?

Corona is de eerste pandemie in een wereld die superdivers is geworden, met steden zoals Amsterdam en Rotterdam, of Brussel en Antwerpen waar de meerderheid van de inwoners wortels heeft in migratie. Die superdiverse steden zijn complex en meertalig, ook voor gezondheidszorg. Superdiverse steden herbergen ook mensen zonder papieren. Ondanks het recht op dringende medische hulp is hun toegang tot gezondheidszorg vaak problematisch.

Zeker in superdiverse steden is het een mythe dat iedereen dezelfde kans heeft om door het virus te worden getroffen. De eerste alarmsignalen in België kwamen midden maart uit ziekenhuizen in Zuid-Oost Limburg, waar meer dan de helft van de covidpatiënten uit de Turkse gemeenschap kwam. Dat leidde tot culturaliserende interpretaties: binnen de gemeenschap zou onvoldoende afstand worden gehouden. Sindsdien verdween de aandacht voor diversiteit in de dagelijkse cijferstroom. Ten onrechte, leert informatie uit het buitenland.

Nu de curves bij ons gelukkig dalen, is het hoog tijd om te onderzoeken of corona ook bij ons landgenoten met een migratie-achtergrond zwaarder treft, net zoals in Engeland, Zweden en de Verenigde Staten. Algemene maatregelen dreigen vaak kleurenblind te zijn, maar het virus is dat niet. Nu we nog maanden met het risico op besmetting en opflakkering moeten leven, kunnen we ons die kleurenblindheid niet veroorloven in deze superdiverse samenleving. Gegevens of en hoezeer landgenoten met een migratie-achtergrond zwaarder getroffen worden, zijn nodig, ondanks beperkingen om dit te mogen registreren. Niet alleen het institutioneel racisme bij politie moet bestreden worden, maar ook de etnische ongelijkheid in de gezondheidszorg. Boven tafel dus, die cijfers.

Deze bijdrage komt uit het nieuwe boek 'Als risico's viraal gaan. Welke wereld na corona?' van Dirk Geldof. Meer info: www.acco.be/corona .

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.