Abonneer Log in

Hoe we de identitaire knoop losser kunnen maken

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Op het moment dat de secularisatie zich doorzette, is er met de moslims een nieuwe groep in de samenleving gekomen met wel een sterk ingevulde identiteit. Wordt de islam door het multiculturalisme bevoordeeld?

De samenleving is al een tijd in de greep van verschillende identiteitsgerelateerde kwesties. Zo worden er debatten gevoerd over het invoeren van praktijktesten, worden standbeelden of naamborden van personen met een nogal omstreden (koloniaal) verleden verwijderd, worden satirische TV-programma's gecensureerd, veranderen muziekgroepen hun naam omwille van koloniale connotaties, ontstaan er rellen naar aanleiding van de publicatie van een aantal cartoons, leidt Aalst-carnaval tot internationale commotie, flakkert elk jaar zo rond december de discussie over zwarte piet op (dit jaar zelfs al in augustus) en is er om de zoveel tijd een 'hoofddoekendebat'. In de publieke ruimte en op de sociale media gaat het er vaak 'gespannen' aan toe: op schreeuwerige wijze komt men op voor het eigengereide gelijk en op hufterige wijze geeft men uiting aan het feit dat men zich gekwetst, verongelijkt of achtergesteld voelt. Steen des aanstoots blijkt vaak de islam te zijn waarvan wordt gesteld dat die door de multiculturele erkenningspolitiek wordt bevoorrecht.

In dit artikel bekijk ik of het multiculturalisme inderdaad bepaalde identiteiten bevoorrecht? Eerst leg ik uit dat er twee identiteitsniveaus zijn (een structureel, maatschappelijk niveau en een individueel, privaat niveau) en dat het aanhoudend karakter van bepaalde discussies (en die steen des aanstoots) te maken hebben met de mate waarin deze twee niveaus over elkaar schuiven. Vervolgens duid ik die spanning verder door te wijzen op het feit dat de samenleving op demografisch en politiek niveau multiculturaliseert in een tijd waar het maatschappelijk ethos vooral rond een nogal expressieve vorm van individualisme draait. Anders dan de islam – een collectieve, religieuze identiteit die bovendien door de godsdienstvrijheid wordt beschermd – kan dit individualisme allicht niet op vergelijkbare wijze worden opgenomen in het structurele niveau. Wanneer de multiculturele samenleving dus anno 2020 in verlegenheid wordt gebracht, dan heeft dat onder meer te maken met de grief over een private identiteit die zou worden ingekanteld in het structurele niveau, terwijl vele andere (nieuwe) identiteiten 'slechts' privaat blijven.

WAT IS MULTICULTURALISME OOK ALWEER?

De basisgedachte van het politiek-multiculturalisme is dat elke samenleving historisch is gevormd in functie van een dominante groep (gewoonlijk de meerderheidsgroep) en dat minderheden daardoor kunnen worden benadeeld (Kymlicka, 1995). Om economische ongelijkheid, politieke ondervertegenwoordiging, sociale stigmatisatie en culturele onzichtbaarheid tegen te gaan, is er nood aan multiculturele ingrepen zoals bijvoorbeeld het invoeren van curricula die voldoende rekening houden met diversiteit; het bevorderen van etnisch-culturele representatie en dito gevoeligheid in media; het toestaan van uitzonderingen in verband met kledij, voeding, feestdagen; het subsidiëren van etnisch-culturele organisaties en het introduceren van affirmatieve acties voor benadeelde groepen.

Bepaalde critici van het multiculturalisme hebben het gevoel dat door die ingrepen mensen met een migratieachtergrond (het gaat vandaag vooral over moslimmigranten) in de erkenning van hun verschil niet alleen worden bevoorrecht, maar ook dat door die bevoorrechting een deel van de eigen identiteit verloren gaat. 'Wij zijn vreemden in ons eigen land geworden!', hoort men wel eens. Dat is een dubbele claim. Als de eigen identiteit verloren dreigt te gaan, dan betekent dit dat ze dus dominant was, maar als die identiteit dominant was, hoe kan men dan het gevoel hebben dat er toch sprake is van bevoorrechting van minderheden? De twee uitspraken lijken contradictorisch, maar dat zijn ze niet, tenminste als men rekening houdt met het bestaan van twee verschillende identiteitsniveaus.

TWEE IDENTITEITSNIVEAUS

Het eerste identiteitsniveau is het structurele niveau dat verwijst naar de historisch-culturele achtergrond van een samenleving. Denk hier aan de feestdagen, de symbolen, de taal, het onderwijs, de economie, het defensieapparaat, de tradities, de media, het recht, de overheidsinstellingen, enzovoort. Dit niveau is het product van geschiedenis en toeval, maar ook van een actieve politiek die mensen via cultuurbeleid aan elkaar bindt (natievorming). Het tweede identiteitsniveau betreft het individuele niveau waarbij mensen er allerhande private identiteiten kunnen op nahouden (bijvoorbeeld voetbalsupporter, socialist, punker, artiest, naturist, maar ook christen of moslim).

Tot rond de jaren 1970 waren de westerse samenlevingen christelijk. Dat wil enerzijds zeggen dat 'christen' zowat de belangrijkste private identiteit van de meeste burgers was en anderzijds dat de culturele structuur van een samenleving tot op zekere hoogte christelijk was. Hoewel de scheiding van kerk en staat, vrijheid van religie en de bijhorende overheidsneutraliteit belangrijk principes waren die het mogelijk maakten dat eenieder zijn leven leidt in functie van een eigen visie, was de kerk een belangrijk instituut en kon men ook niet om de invloed van de christelijke partij heen, net zoals het onmogelijk was (en nog steeds is) om niet de vele architecturale en artistieke verwijzingen naar het christendom te zien (kerken, kapelletjes, kruisbeelden, schilderijen,…). De christelijke culturele achtergrond toonde en toont zich ook in de zondagsrust, het vrije net dat vooral katholiek is, de christelijke verlofdagen, enzovoort. Zo rond de jaren 1970 hebben heel wat mensen hun religieuze private identiteit opgegeven en ingeruild voor andere identiteiten. De waaier aan nieuwe private en seculiere identiteiten is echter niet op een vergelijkbare wijze opgenomen in de structurele culturele achtergrond zoals dat eertijds wel het geval was met de christelijke identiteit. Mensen hebben dan wel de liberale vrijheid om te leven zoals ze dat wensen, maar die vrijheid is anders dan de grondwettelijke bescherming van religie. Laat me dat hieronder met een voorbeeld concreet maken.

HOOFDDOEK & HONKBALPET

Op het moment dat de seculiere identiteiten opgang maakten, werd de samenleving ook geconfronteerd met een opgang van de islamitische identiteit. Wanneer het multiculturalisme ijvert om het structurele niveau inclusiever te maken, dan houdt dat anno 2020 onder meer in dat men ruimte wil bieden aan de islam. Echter, als de islam wordt opgenomen in de structurele, culturele orde van een samenleving teneinde die inclusiever te maken, dan betekent dit dat één specifieke private identiteit wordt opgetild naar het structurele niveau. Critici van het multiculturalisme zullen dan aangeven dat de islam als private (religieuze) identiteit van moslims wordt bevoorrecht ten opzichte van de vele andere particuliere (seculiere) identiteiten van autochtone burgers. 'Waarom die hoofddoek? Dat past hier toch niet in een vanouds christelijke en thans seculiere samenleving? Als de hoofddoek mag, dan ook de honkbalpet!'

Het multiculturalisme slaat dus volgens critici de bal mis. Zo stelt het multiculturalisme dat de achtergrondcultuur van een samenleving de autochtone burger (cultureel gezien) niet kan benadelen omdat die net een product is van die groep. Mensen zijn gewoon geboren in die structurele cultuur en stellen zich amper vragen over waarom zondag de rustdag is en waarom er nu precies op Kerstmis en Pasen verlof is. Waarmee het multiculturalisme echter weinig rekening houdt, is dat de christelijke achtergrondcultuur geen actuele vertaling is van private identiteiten (wie ervaart het christendom nog als een fundamentele identiteit en gaat bijvoorbeeld zondag naar de kerk en ijvert dus om christelijke redenen voor het behoud van de zondag als rustdag?). Die culturele achtergrond is wat het is, namelijk een achtergrond, terwijl op de voorgrond heel wat andere en nieuwe particuliere identiteiten spelen. Wanneer het multiculturalisme ervoor ijvert om die achtergrond te verbreden zodat ook de islam er een plaats heeft, zal of kan dat worden gepercipieerd als de privilegering van een bepaalde particuliere (i.c. islamitische) identiteit die alleen voor een bepaalde groep van mensen fundamenteel is.

Zo beschouwd lijkt het multiculturalisme ook met een bepaalde hiërarchie van identiteiten te werken: een samenleving die vanuit rechtvaardigheidsoverwegingen wil rekening houden met identiteit moet zich alleen toespitsen op de etnisch-culturele en religieuze identiteit. Vandaar dat multiculturalisten zullen ijveren om (onder bepaalde omstandigheden) hoofddoeken toe te laten en tegelijk weinig probleem hebben met een verbod op de honkbalpet die iemand kan dragen als bewijs van diens hechting aan een bepaalde subcultuur. Nochtans klinkt een veelgehoord argument in het 'hoofddoekendebat' zo: 'Als de hoofddoek in de klas of op het werk mag, dan toch ook de honkbalpet!'

INDIVIDUELE GEVOELSCULTUUR

Dit debat over identiteit en cultuur en bevoordeling of benadeling wordt op de spits gedreven door het feit dat mensen, als gevolg van diverse moderniseringsprocessen (zoals onttovering, secularisatie, ontzuiling en consumentisme), hun identiteit in grote mate baseren op wat hen voortdurend wordt aangepraat en hen een (veelal kortstondig) goed gevoel oplevert. Identiteiten zijn daardoor niet langer die stevige ankers van weleer, maar het zijn betrekkelijk lege omhulsels van emoties en eigengereide behoeftes (Lasch, 1979). De vraag naar erkenning in de publieke en politieke ruimte gaat dan ook niet altijd om de erkenning van een 'constitutieve' identiteit. Zelfs diegenen die in het hoofddoekendebat ijveren voor het dragen van de honkbalpet, brengen dit argument gewoonlijk alleen theoretisch aan, en willen niet effectief met een honkbalpet naar de klas of het werk gaan. Ze zien alleen dat sommige mensen blijkbaar wel met bepaalde tekens mogen verschijnen en voelen zich daardoor ongemakkelijk en klaarblijkelijk ook benadeeld. Zoals Bart De Wever in een tweet (28 februari 2018) naar aanleiding van een zoveelste hoofdoekendiscussie schreef: 'Ik sluit me aan bij leer van spaghettimonster en stuur mijn kinderen naar school met vergiet op hun hoofd. Gelijke behandeling voor elke overtuiging.' Natuurlijk zal hij dat niet doen; hij wil alleen wijzen op het feit dat religies (met religies wordt, totum pro parte, bedoeld: islam) bevoorrecht worden.

De christelijke identiteit is dus niet langer dé private identiteit, maar kleurt alleen nog mee de achtergrondcultuur in die men gewoon aanneemt. Er zijn ook niet echt nieuwe particuliere identiteiten in de plaats gekomen van die christelijke private identiteit die men politiek wil vertaald zien worden, zoals dat wel het geval is met moslims. De particuliere identiteiten zijn inhoudelijk te vaag, te fluïde, te inruilbaar en formeel eerder onderhevig aan een soort devies dat aangeeft dat men, onder het mom van emancipatie, gewoon vooral zichzelf en zogenaamd authentiek moet zijn, dat men moet consumeren om erbij te horen en dat men zichzelf moet realiseren. 'Wees jezelf!', 'Vrijheid blijheid', 'Just do it!', 'YOLO!', 'Memento vivere' zijn slechts enkele van de dominante boutades die het maatschappelijke ethos van deze tijd capteren en in de feiten wellicht vooral individuen vormen die de regels voor de sociale omgang niet altijd even serieus nemen en autoriteit soms verwerpen omdat die het eigen ego teveel zou beklemmen. Hufterig gedrag is schering en inslag. Stanford professor Robert Sutton (2017) schreef er alvast een vermakelijk boek over.

TIJDPERK VAN EXPRESSIEF INDIVIDUALISME

Het politiek multiculturalisme waarbij de culturele structuur van een samenleving wordt aangepast in functie van kwetsbare collectieve identiteiten, is er dus gekomen in een sociologisch tijdperk waarin het individualisme primeert en het 'ik' zich nogal schreeuwerig moet manifesteren. Het feit dat er via een focus op identiteit meer rechtvaardigheid zou kunnen komen in de samenleving (omdat volgens het multiculturalisme bepaalde groepsidentiteiten structureel werden/worden benadeeld), gaat met andere woorden samen met een ethos dat zegt dat men overal en altijd zichzelf moet zijn en dat men op assertieve wijze moet opkomen voor zichzelf (Taylor, 1996). Mogelijks kan het 'islamitisch reveil' deels begrepen worden als een product van dit in het westen zo dominant geworden ethos, want ook moslimmigranten ontsnappen niet aan de verwachting steeds zichzelf te moeten zijn en dus op te komen voor de eigen identiteit én bijhorende gevoelens.

Maar, wie denkt altijd en overal zichzelf te moeten zijn, kan zichzelf en de ander niet meer relativeren. Als men ervan overtuigd is dat identiteit inderdaad van belang is en als men meent dat identiteit iets is dat met rechtvaardigheid te maken heeft en wanneer in de feiten de identiteit uiteindelijk weinig meer is dan een kwestie van emoties, dan is het voor het individu dat meent altijd en overal zichzelf te moeten zijn maar een kleine stap te denken dat er sprake is van fundamenteel onrecht telkens wanneer hij wat wordt benadeeld of zich gekwetst voelt. Het gescheld in het verkeer, of op de sociale fora is maar één illustratie van de agressie en bijhorend slachtofferschap waarmee wordt gedweept. Mensen vragen geen erkenning voor een identiteit, ze geven gewoon voortdurend uiting aan hun emoties. Subjectieve gevoelens – 'Ik stoor mij aan x!', 'Ik erger mij aan y!', 'Ik voel me gekwetst door z!' – kunnen uitgroeien tot strijdpunten die, althans vanuit het standpunt van het individu, even belangrijk worden als structureel onrecht. Dit, zoals gesteld, is mede het gevolg van het feit dat private identiteiten emotionele kokers zijn geworden en dat gekwetste emoties steeds meer worden beschouwd als miskende identiteiten.

Dit accent op emoties verklaart ook waarom men een voortdurend assertief claimen van individuele rechten gewaarwordt ('Het is mijn recht om dit te zeggen en te doen.') en een gebrek aan 'mindfulness of others' ('Als ik het leuk vind, dan doe ik het, en als jou dat stoort, dan heb jij vooral pech.'). Het verklaart ook de tegenreactie waarbij men op een al even obstinate wijze bepaalde gevoeligheden beklemtoont ('We zouden beter x en y niet meer doen omdat dit misschien wel voor iemand kwetsend zou kunnen zijn!'). Enerzijds is men 'toxisch' (men eigent zich op assertieve wijze het recht toe om vooral de eigen behoeften in te willigen), maar anderzijds is men ook erg 'fragiel' (men heeft het gevoel niks meer te mogen zeggen omdat men altijd wel op iemands tenen staat). We leven met andere woorden in een tijd waar enerzijds wordt gesteld dat alles moet kunnen gezegd worden ('Je suis Charlie!') en waar anderzijds zelfs bij the Simpsons, de Kampioenen en de BBC (Fawlty Towers) verkrampt wordt gereageerd en wordt gedacht dat er bepaalde zaken niet meer mogen worden gezegd of getoond omdat iemand zich erdoor zou gekwetst voelen.

HET LOSSER MAKEN VAN KNOPEN

Dat de samenleving in de knoop ligt met identiteit, kan dus worden verklaard door de aanwezigheid van een bepaalde politiek-sociologische constellatie. Waar eertijds de private christelijke identiteit mee in de culturele omkadering van de samenleving werd opgenomen, ziet de doorsnee autochtone burger zijn private identiteit niet langer in die omkadering weerspiegelt. Op het moment dat de secularisatie zich op het private niveau doorzette (mensen zijn thans vooral onderhevig aan consumptiegerichte impulsen en emoties, eerder dan dat ze een stevig ingevulde identiteit hebben), is er een nieuwe groep (moslims) in de samenleving gekomen met wel een sterk ingevulde identiteit. Het wringt dan bij sommigen wanneer multiculturalisten pleiten voor de structurele erkenning van de islam, omdat dit op bevoorrechting lijkt. Hoe die identitaire knopen kunnen worden ontward, is alles behalve evident. Hieronder licht ik kort toe hoe ze wel wat losser kunnen worden gemaakt. Drie zaken lijken me alvast van belang.

Ten eerste is er nood aan het herevalueren van het expressief individualisme. Wat levert die individuele vrijheid nu eigenlijk op en wat wordt er eigenlijk uitgedrukt wanneer mensen zich in woord en daad vrijelijk uiten? Authenticiteit, zo stelt Taylor (2017), gaat om een leven dat in overstemming is met datgene wat waarlijk voor iemand van de grootste waarde is. Om dat op het spoor te kunnen komen, is er een 'kwalitatieve taal' nodig die toelaat de sterke waarderingen tot uitdrukking te brengen. Dat veronderstelt een kritische reflectie op de morele horizon van onze tijd die te weinig ruimte laat voor dialoog, stilstand, en allicht teveel op competitie, narcisme en consumptie.

Ten tweede worden individuen best terug weerbaarder. Ze moeten zich niet aldoor overleveren aan hun innerlijke Calimero en Tasmaanse duivel. Zo kunnen de contouren van de vrije meningsuiting niet worden bepaald door zij die zich gekwetst voelen. Als dat wel het geval is, wordt die ruimte erg klein en komt de samenleving in de greep van het dictaat van de censuur. Tegelijk is niet alles wat juridisch mogelijk is, ook moreel laakbaar. Ik mag denken en zeggen dat de islam achterlijk is, maar echt bevorderlijk voor een vruchtbare dialoog is dat niet. Tevens is het zo dat er tussen structurele uitsluiting en benadeling en kwetsende humor een groot verschil is. Structurele uitsluiting gaat over het ontnemen van kansen, terwijl humor de soms pijnlijke plekken van een identiteit blootlegt. Het eerste is onaanvaardbaar, het tweede veronderstelt relativering en verwerking.

Ten derde zal moeten worden herbekeken wat structureel onrecht in een multiculturele, seculiere en individualistische samenleving eigenlijk is. Neem dit voorbeeld. Een joodse student vraagt in het hoger onderwijs om een inhaalexamen omdat het onmogelijk is om als jood op een zaterdag een examen af te leggen. Het inhaalexamen zal hem op basis van het belang van de religieuze identiteit wellicht snel worden gegeven. Maar, wat nu met een student die aangeeft die zaterdag ook geen examen te kunnen afleggen omdat hij dan een belangrijke vergadering heeft van zijn jeugdbeweging en dat hij het zich als leider maar moeilijk kan permitteren om daar niet op aanwezig te zijn? De kans dat zal worden toegestemd met het inhaalexamen is allicht een stuk kleiner waardoor de student zal moeten kiezen tussen het bijwonen van de vergadering of het afleggen van een herexamen. Een religieuze identiteit geniet immers meer bescherming dan de identiteit die iemand aan een jeugdbeweging zou ontlenen. Het is me niet duidelijk of deze redenering in een seculiere samenleving nog opgaat. Ofwel houdt men vast aan een soort multiculturele identiteitshiërarchie met het risico dat men dus bepaalde identiteiten bevoorrecht – moslims hebben in dat geval 'geluk' omdat ook in een seculiere samenleving 'religie' een belangrijk rechtscriterium is – ofwel verbreedt men het erkenningsbeleid en staat men open voor allerlei 'constitutieve' seculiere identiteiten met het risico dat de doos van Pandora wordt geopend (want wat zijn 'constitutieve' bindingen precies en hoe stelt men die vast?). Zeggen dat men hier pragmatisch moet zijn, is ongetwijfeld verstandig, maar het punt blijft dat de religieuze identiteiten een voetje voor hebben op de andere identiteiten die veeleer van de goodwill van de werkgever of onderwijsinstelling zullen afhankelijk blijven.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.

LITERATUUR

  • Kymlicka, Will (1995). Multicultural citizenship. Oxford: Oxford University Press.
  • Lasch, Christopher (1979). The culture of narcissism. American life is an age of diminishing expectations. New York, London: Norton W.W. & Company.
  • Levrau, François (2018). Hoe houden we het met elkaar uit? Over sociale cohesie, diepe gelijkheid en beleefdheid. Ethische perspectieven, 28 (4): 141-173.
  • Taylor, Charles (1996). De malaise van de moderniteit. Kampen: Kok Agora.
  • Sutton, Robert (2017). Asshole survival guide. How to deal with people who treat you like dirt. New York: Houghton.