Abonneer Log in

Ons vaccin tegen de sociale coronacrisis

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Tijdens de coronacrisis werden we geconfronteerd met een inhalig patronaat. We hopen nu op een regering die vormgeeft aan een robuuste sociale agenda.

Het zijn en blijven bijzondere tijden voor de werknemers. Werknemers in 'essentiële diensten' moesten aan de slag blijven, vaak in heel belastende omstandigheden zoals in de zorgsectoren en soms zonder de nodige beschermingsmiddelen. Anderen moesten plots van thuis uit werken, dikwijls in combinatie met de opvang van hun kinderen. Velen werden dan weer op tijdelijke werkloosheid geplaatst en vielen terug op 70% van hun (begrensd) loon en een toeslag daar bovenop. Op het hoogtepunt van de pandemie was dat het geval voor 4 op de 10 werknemers in de privé. En sommigen, zoals uitzendwerknemers en andere tijdelijken, vielen tussen twee stoelen. Zij werden volledig werkloos en kwamen zo op een stilgevallen arbeidsmarkt terecht.

Als vakbond hebben we onze handen vol gehad, niet alleen met het stipt uitbetalen van werkloosheidsuitkeringen aan die honderdduizenden tijdelijk werklozen extra, maar ook met een dagelijkse strijd om sociale bescherming te garanderen en te verbeteren. Zoals het optrekken van de tijdelijke werkloosheidsuitkering van 65% naar 70%, met een toeslag per dag. Het uitwerken van preventieplannen en handleidingen om veilig aan het werk te blijven of opnieuw op te starten. Druk zetten op de politiek om aangepaste begeleidingsmaatregelen te nemen zoals het corona-ouderschapsverlof zodat werkende ouders wat extra tijd en ruimte krijgen om de combinatie van werk en opvang én onderwijsbegeleiding wat makkelijker te maken. Maar ook maatregelen – en dat waren de moeilijkste – om volledig werklozen wat soelaas te brengen door hun uitkeringen niet te laten dalen tijdens corona, en dus de zogenaamde degressiviteit even on hold te zetten.

INHALIG PATRONAAT

We werden daarbij geconfronteerd met een bijzonder – excusez-moi le mot – inhalig patronaat. Wat de buitenwereld niet of amper ziet is dat de werkgeversorganisaties alle facturen proberen over te hevelen naar de gemeenschap. Vooreerst de lonen zelf: via het stelsel van tijdelijke werkloosheid is het onze sociale zekerheid die de lonen (gedeeltelijk) doorbetaalt en het mogelijk maakt dat de werknemers direct inzetbaar zijn na de crisis. Laat me duidelijk zijn: ook in het belang van de werknemer zelf, die in dienst blijft en zijn of haar koopkracht beschermd weet. Maar daar houdt het niet bij op. Sommige werkgevers deden er alles aan om bij ziekte komaf te maken met het gewaarborgd loon door zieke werknemers op tijdelijke werkloosheid te zetten. Andere dan weer plaatsten werknemers tijdens hun opzegperiode op tijdelijke werkloosheid om het loon niet door te moeten betalen terwijl de werknemer op een uitkering moet terugvallen. En nu willen ze dat het vakantiegeld voor de dagen in tijdelijke werkloosheid gedeeltelijk door de overheid ten laste wordt genomen.

Die strategie levert de werkgevers geen windeieren op. Uit cijfers van de ERMG (Economic RiscManagment Group, opgericht om de economische situatie op te volgen tijdens corona) blijkt dat de subsidiekraan op de verschillende overheidsniveaus werd opengedraaid en dat die steun onevenwichtig is uitgesmeerd over gezinnen en bedrijven. De bedrijven en zelfstandigen ontvingen tot begin juni al 10,3 miljard steun (zonder rekening te houden met overheidsgaranties voor leningen), de werknemers en de gezinnen ontvingen 2,3 miljard steun (de tussenkomst voor tijdelijke werkloosheid verdelen we daarbij 50/50 over beide kampen).

MEER KOOPKRACHT EN BETERE SOCIALE BESCHERMING

Uiteraard moest de overheid te hulp snellen, en uiteraard is het ook voor de werknemers van belang dat de bedrijven deze storm doorstaan. Maar het evenwicht is zoek en we moeten kost wat het kost vermijden dat de factuur finaal bij de werknemer terechtkomt. Daarom is het van groot belang dat we het momentum aangrijpen om het tij te keren en om werknemers de waardering te geven die ze verdienen. Dit najaar willen we dat de regering en het sociaal overleg vormgeven aan een robuuste sociale agenda: meer kooppracht voor alle werknemers en in het bijzonder voor de lage lonen en ondergewaardeerde functies. En een betere sociale bescherming voor wie het met een sociale uitkering moet doen.

Een grondige hervorming van de huidige loonnormwet

Er is een eerste stap gezet voor een betere waardering van het zorgpersoneel (op federaal niveau). Maar we willen dat alle werknemers meer koopkracht genieten. De afgelopen jaren is het loonaandeel in de totale toegevoegde waarde steeds kleiner geworden terwijl de beloning van kapitaal verder toenam. Die trend moet worden gekeerd via een grondige hervorming van de huidige loonnormwet die het kader vormt voor het tweejaarlijks loonoverleg, eerst over alle sectoren heen (het zogenaamde interprofessioneel akkoord) en vervolgens in de sectoren en bedrijven. De regering-Michel heeft in 2017 dit kader zodanig streng gemaakt dat er geen sprake meer kan zijn van een evenwichtig sociaal overleg. Officiële bronnen zoals de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven becijferden in het voorjaar dat onze lonen lager liggen dan in de buurlanden: als je met alle loonkostverminderingen rekening houdt, zijn we nu 4,7% goedkoper geworden sedert de wet van '96 van toepassing is. Rekening houden met die kortingen en dus een eerlijkere vergelijking maken met de loonevolutie in de buurlanden zou al een grote stap vooruit betekenen.

Het minimumloon doen stijgen van 1.625 naar 1.920 euro bruto

We willen bovendien een gevoelige opwaardering van laagbetaald werk. De zogenaamde essentiële beroepen zijn in de regel laagbetaald. In het merendeel van de gevallen liggen de lonen in die sectoren onder 14 euro per uur (2.300 euro per maand), wat voor ons de referentie is om te spreken over waardige lonen. We willen dat het minimumloon wordt opgetrokken tot op dat niveau. In tegenstelling tot de meeste landen in de OESO neemt de waarde van het minimumloon in ons land met de jaren af als we de vergelijking maken met het mediaanloon (het loon dat in het midden ligt). Er is dus een inhaaloperatie nodig. Een eerste belangrijke stap kan erin bestaan om de lat te leggen op 60% van het mediaanloon, streefdoel die momenteel op Europees niveau ter discussie staat. Concreet zou een 60%-grens het minimumloon (juister: het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen) doen stijgen van 1.625 naar 1.920 euro bruto.

Inhaalbeweging voor de sociale uitkeringen

En bovenal willen we een inhaalbeweging voor de sociale uitkeringen. 90% van de minimumuitkeringen liggen onder de armoedegrens. Voorbije regeringen hebben beloofd om dit verschil weg te werken, maar lieten dit na om uit te voeren. De regering-Michel maakte er zelfs geen punt van. Er is bijkomend een inhaalbeweging nodig voor de (volledig) werklozen. De coronacrisis heeft hun kansen op de arbeidsmarkt ferm aangetast. Het Planbureau voorspelt dat de werkloosheid volgend jaar zal pieken op 11,5% van de beroepsbevolking om pas eind 2025 het niveau te bereiken van vorig jaar (8,9%). Werknemers die werkloos worden en schoolverlaters mogen daar niet het slachtoffer van zijn: er moet komaf gemaakt worden met de verlaging van hun uitkering in de tijd (zogenaamde degressiviteit). En zoals de wet het voorschrijft willen we dat tegen 15 september een advies voorligt van de sociale gesprekspartners om de tweejaarlijkse enveloppe te verdelen die bestemd is voor de aanpassing van de uitkeringen aan de voorbije welvaartstoename.

Dit is onze sociale agenda voor de eerstkomende maanden: een sterk en tijdig advies rond het welvaartsvast maken van de sociale uitkeringen en stevig onderhandelen om een nieuw interprofessioneel akkoord af te sluiten voor 2021 en 2022. We hopen erop dat er nu snel een nieuwe federale regering gevormd kan worden die ruimte geeft aan het sociaal overleg en met een robuuste sociale agenda in het regeerakkoord, met een herfinanciering van de sociale zekerheid op kop.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.