Abonneer Log in

Samen naar een inclusiever taalgebruik

Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona

Met een nieuw woord alleen gaan we het niet redden, maar taal is essentieel in het racismedebat.

De dood van de zwarte man George Floyd door overmatig blank politiegeweld op 25 mei 2020, heeft niet alleen de Verenigde Staten maar de hele wereld beroerd. In het maatschappelijk debat dat bij ons wordt gevoerd, gaat het naast ons eigen koloniale verleden ook over het structurele racisme dat onze samenleving nog steeds teistert. Nu dit laatste zo breed wordt erkend en zo hoog op de agenda staat, is de tijd gekomen om er eindelijk ook echt iets aan te doen.

Praktijktesten kunnen helpen om structureel racisme op te sporen, sancties om het te bestraffen en quota om het aan te pakken. Maar als we het ten gronde willen bestrijden, zullen we ook bij onszelf te rade moeten gaan en reflecteren over hoe we zelf naar onze samenleving kijken, deze benoemen en zo mee vormgeven. Taal is cruciaal in het racismedebat. Woorden vormen onze bril op de wereld en kunnen zelf deel van de werkelijkheid worden. Daarom moeten we ze altijd wikken en wegen en op tijd en stond heroverwegen, zeker wanneer de tijd erom vraagt.

Aan wie nu aan Newspeak moet denken, kan ik zeggen dat ik 1984 van George Orwell heb gelezen maar dat tegenover elke dystopie ook altijd een utopie kan worden gezet. Woorden kunnen zowel ten kwade als ten goede worden gebruikt. Ik stel dan ook geen nieuwe terminologie voor die door een totalitair regime van bovenaf wordt opgelegd om de vrijheden van mensen verder in te perken, maar een andere manier van spreken die we in onze democratische samenleving van onderuit kunnen laten groeien om mensen in vrijheid te laten leven en de kansen te bieden die ze verdienen. Het is mijn droom samen naar een inclusiever taalgebruik te streven.

MET EEN NIEUW WOORD ALLEEN GAAN WE HET NIET REDDEN

We weten al langer dan vandaag dat woorden als *eskimo's, *indianen en *negers beledigend zijn voor de mensen die we er lange tijd mee hebben aangeduid. Het eerste betekent letterlijk 'visvreters', het tweede stamt nog uit de tijd dat de Europeanen de pas ontdekte Amerika's met de Verre Indiën verwarden en het derde doet denken aan de slavernij. Daarom spreken we nu over de Inuït ('mensen' in hun eigen taal), Native Americans ('oorspronkelijke Amerikanen') en zwarten (naar hun huidskleur). Dit laatste klinkt misschien al wat beter, maar zal niet volstaan.

Wanneer de connotatie of bijbetekenis die aan een woord kleeft de denotatie of eigenlijke betekenis gaat overheersen, grijpen we graag snel naar een nieuw woord dat deze connotatie nog niet heeft. Helaas gaat dezelfde connotatie zich vaak even snel aan dit nieuwe woord hechten. Dan kunnen we opnieuw beginnen en weer een ander woord verzinnen. Hoe we minderheden in onze samenleving benoemen, blijkt hieraan bijzonder gevoelig. Of het nu gaat over een specifieke seksuele oriëntatie of identiteit (van *janetten, *manwijven en tal van vormen met *pot, over homo's, lesbiënnes en bi's tot samen holebi's en ruimer lhtbq+'ers), lichamelijke of geestelijke gesteldheid (van *misvormden en *gestoorden over *gehandicapten tot *minder- en *andersvaliden) of herkomst (van *vreemdelingen over *gastarbeiders, *(im)migranten en *allochtonen tot *nieuwkomers).

Met een nieuw woord alleen gaan we het niet redden. We zullen er ook voor moeten zorgen dat de connotatie van het oude woord zich niet weer zo snel aan onze nieuwe verwoording kan hechten. Bij zwarten kan gemakkelijk aan hetzelfde worden gedacht als bij *negers; en het woord kan met dezelfde bijbedoelingen worden gebruikt. Het dreigt dan ook snel een eufemisme of verhullende formulering te worden voor hetzelfde racisme dat zich erachter kan verschuilen.

WAAROM WE VAN EEN KENMERK NIET HET HELE WEZEN MOGEN MAKEN

Als mensen beschikken we allemaal over meerdere kenmerken waarmee we onze eigen complexe identiteiten vormgeven. Op basis van deze kenmerken bekennen we ons tot bepaalde groepen en zetten we ons van andere groepen af. Dit is eigen aan mensen en vormt op zich geen probleem. Het probleem ontstaat pas wanneer we andere mensen tot één enkel kenmerk en één enkele groep gaan reduceren, zeker als we dit kenmerk zelf niet delen en ons niet tot deze groep rekenen. Dan sluiten we onze ogen voor hun veel complexere identiteit en volwaardige menselijkheid, blijven we blind voor al hun andere kenmerken die hen wel tot enkele van onze eigen groepen kunnen doen behoren en is het pad naar ontmenselijking, vervreemding en uitsluiting al ingezet.

Taalkundig willen we het adjectief of bijvoeglijk naamwoord waarmee we een kenmerk van mensen benoemen weleens aan deze mensen zelf toekennen en vervolgens zelfs tot substantief of zelfstandig naamwoord verheffen, waardoor we van het ene toegekende kenmerk hun volledige wezen maken. Zo worden mensen met een zwarte huidskleur eerst zwarte mensen en vervolgens zwarten.

Ik denk dat we dit niet meer moeten doen omdat we hierdoor te gemakkelijk kunnen vergeten dat het slechts over één kenmerk en ook nog altijd over mensen met meerdere kenmerken gaat. Daarom is het beter vooral over mensen met een bepaald kenmerk te blijven spreken, of het hun huidskleur, herkomst, gesteldheid, seksualiteit of nog iets heel anders betreft. Zo kunnen we het over mensen met een zwarte huidskleur, mensen met een familiale migratiegeschiedenis, mensen met het syndroom van Down en mensen met genderfluïditeit hebben, en bijvoorbeeld over mensen die hun straf hebben uitgezeten en in de samenleving reïntegreren wanneer het over ex-gedetineerden gaat. Zo blijven het in alle gevallen mensen en zullen we dat niet zo snel kunnen negeren.

In het racismedebat dat bij ons wordt gevoerd, is intussen ook een discussie over het woord blank ontstaan. Omdat hierbij aan zuiverheid, reinheid en onschuld kan worden gedacht, wordt voorgesteld voortaan over wit te spreken. Bij wit kan echter aan exact hetzelfde worden gedacht als bij blank en wit zal in al deze betekenissen ook altijd tegenover zwart blijven staan. Wit lijkt mij dan ook niet de oplossing te zijn, temeer omdat de huidskleur die ermee wordt bedoeld mij veeleer roze toeschijnt. We zouden kunnen overwegen er helemaal mee op te houden onze huiden in herkenbare kleuren uit te drukken en in de plaats van over mensen met een witte, roze, rode, gele, bruine of zwarte huid, enkel nog over mensen met een lichte, (licht of donker) getinte of donkere huid te spreken, al weten we nu al dat licht en donker evenzeer tegenover elkaar zullen blijven staan als wit en zwart. Het lijkt mij dan ook belangrijker dat we woorden als blank, wit en zwart niet meer aan mensen zelf gaan toekennen en ze ook niet meer gaan verzelfstandigen, dan dat we ze helemaal uitbannen.

WAAROM HET BELANGRIJK IS WIE WELKE WOORDEN GEBRUIKT EN WANNEER

We moeten er ons van bewust zijn dat het altijd een statement is jezelf of anderen blank, wit of zwart te noemen. Van een minderheid die onrecht ervaart en zich organiseert om hiertegen ten strijde te trekken, kan ik het zeker begrijpen dat ze zich als zwarte gemeenschap profileert, al gaat het bij ons over alle mensen die niet meteen Vlaams lijken. Voor een meerderheid die voor zijn dominante positie vreest, zich organiseert om minderheden te blijven overheersen en zich hiervoor als blanke ariërs of witte supremacisten profileert, kan ik slechts huiveren. Als persoon zou ik het liefst kleurenblind zijn als het over onze huiden gaat, als democratische samenleving is het onze plicht ervoor te zorgen dat mensen niet langer op basis van hun huidskleur worden gediscrimineerd.

Het is niet omdat minderheden zich op een bepaalde manier benoemen, dat we deze benaming als meerderheid moeten overnemen. Zoals er een groot verschil is tussen mensen die zich als homo's uiten en mensen die anderen voor homo's verslijten, is er een groot verschil tussen mensen die zich als zwarten emanciperen en mensen die anderen als zwarten onderdrukken. Voor onze samenleving als geheel moeten homo's en zwarten in de eerste plaats mensen blijven die gelijkwaardig zijn aan alle andere mensen in de samenleving, ongeacht hun seksuele oriëntatie of huidskleur. En dan is het beter hen altijd in de eerste plaats als mensen te blijven benoemen.

We moeten ook altijd goed bedenken wanneer het zinvol is over persoonlijke kenmerken te spreken. Om te wonen en werken, doen geslacht, leeftijd, huidskleur, herkomst, gesteldheid, seksualiteit en gerechtelijk verleden er zelden toe, maar in de werkelijkheid blijken ze vaak nog steeds bepalend. Misschien moet in advertenties en vacatures wel wat vaker worden vermeld dat er zeker niet specifiek naar een man van middelbare leeftijd met blanke huidskleur, Vlaamse stamboom, goede gezondheid, heteroseksuele voorkeur en blanco strafblad wordt gezocht. Dan zou hij snel een witte raaf blijken en zouden meer mensen zich wel dan niet aangesproken kunnen voelen.

In de meeste gevallen valt het aan te raden zo veel mogelijk in algemene termen te spreken, zodat zo veel mogelijk mensen zich ook in deze algemene termen kunnen herkennen. Dit kan door vaker in het meervoud te formuleren en in het enkelvoud minder persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden en meer aanwijzende voornaamwoorden en lidwoorden te gebruiken. Zo kunnen mensen of kan iemandeen taak krijgen toebedeeld en kunnen of kan deze worden gevraagd die naar […] best vermogen uit te voeren, zonder dat er verder nog veel hij's of zij's en zijnen of haren aan te pas hoeven te komen. Alleen al in genderneutraliteit kan hiermee een grote stap worden gezet. Het is voor alle mensen beter dat het niet onnodig over persoonlijke kenmerken gaat.

SAMEN NAAR EEN INCLUSIEVER TAALGEBRUIK

Tegenover racisme, als minachting voor en achterstelling van andere rassen, staat voor mij geen rassenliefde, als verheerlijking en bevoordeling van andere rassen, maar rassenneutraliteit. Als we hiervan de nieuwe norm kunnen maken, dan ligt ook de weg naar een gelijkwaardigere behandeling en betere insluiting van alle mensen in onze samenleving open.

Met ons taalgebruik kunnen we deze inclusiviteitsgedachte nog een extra duwtje in de rug geven, zoals viroloog Marc Van Ranst op 16 april deed met zijn uitspraak: 'Uiteraard is de ramadan een belangrijke periode voor een grote groep van onze mensen hier in België'. Hiermee benadrukte hij niet alleen dat het over mensen gaat, maar ook dat dit onze mensen zijn, die een belangrijk deel van onze samenleving vormen. Voor mij had 'een grote groep van de mensen hier in België' al kunnen volstaan om neutraal te zijn, maar het was het bewuste gebruik van het bezittelijk voornaamwoord onze, dat veel mensen verfrissend verbindend vonden. Bij een aantal andere mensen zal hij er ook wel kwaad bloed mee hebben gezet, maar het lijkt mij alleen maar goed dat hij hun gedachten dan ook eens heeft weten uit te dagen. Dit kunnen we dus allemaal met onze taal en het is belangrijk dat we ons hiervan bewust zijn. Het brengt voor mij ook de opdracht met zich mee bewuster met onze taal om te gaan en te vermijden dat we andere mensen met onze taal uitsluiten. Dit kunnen we doen door altijd over mensen te blijven spreken, kenmerken niet op hen over te zetten of te verzelfstandigen, en deze niet nodeloos te benoemen. Zo kunnen we ons blijven uitspreken, ook nadat het racismedebat weer is gaan liggen.

Deze bijdrage verscheen in de Zomerreeks 2020: #BeterNaCorona van Samenleving & Politiek.