Abonneer Log in

De sociologische verbeelding achter de COVID19 maatregelen

Ik heb een sterk vermoeden dat ik niet de enige menswetenschapper ben die zich regelmatig ongemakkelijk voelt wanneer onze overheden COVID-19 maatregelen aankondigen of uitleggen.

We hoorden de voorbije periode dingen zoals: 'Thuis mag je maximaal 4 mensen ontvangen, op voorwaarde dat de 1,5 meter wordt gerespecteerd; telkens gedurende 2 weken dezelfde 4 mensen' en 'We moeten onze knuffelcontacten beperken tot één enkele persoon'. Onze 'bubbel' is al enkele keren door de overheid vergroot en verkleind. Het verkleinen van de bubbel, samen met zowat elke andere maatregel, is erop gericht het volume van onze 'sociale contacten' te verminderen.

Telkens weer vraag ik me af wat er nu concreet achter deze begrippen schuilgaat, welk soort van realiteit men tracht te beïnvloeden met dit vocabularium en met die logica van maatregelen. Of anders verwoord: welk soort van sociologische verbeelding men gebruikt bij het bespreken en opstellen van die maatregelen.

SOCIOLOGISCHE VERBEELDING

The Sociological Imagination is de titel van een boek dat de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills in 1959 publiceerde. En het is een stevige kritiek op vaak impliciet gehouden aannames (d.i. de sociologische verbeelding) in mainstream menswetenschappelijk onderzoek: fundamentele uitgangspunten over hoe een samenleving ineen zit, wat een 'normale' samenleving is, hoe 'normale' mensen ineen zitten en zich gedragen. Mills was zeer bezorgd over de tendens die hij zag, met name in de sociologie van Talcott Parsons en zijn volgelingen, in doorsnee statistisch onderzoek (denk aan opiniepeilingen) en diverse vormen van experimenteel onderzoek. In die vormen van onderzoek zag Mills een sociologische verbeelding die de voorkeur gaf aan abstracte constructies van mensen, groepen en samenlevingen, een voorkeur voor 'populaties' boven echte reëel bestaande gemeenschappen. Zijn pleidooi in The Sociological Imagination was er dan ook één voor realisme: baseer je onderzoek op echte mensen, echte gedragsvormen, echte gemeenschappen.

Precies hetzelfde probleem zie ik in de COVID-19 maatregelen. Het eerste wat me opvalt is hoe uniform de sociologische verbeelding is die de maatregelen aandrijft. Belgen leven samen in gezinnen die een stabiele unit vormen, stabiele gedragspatronen hebben, samenleven onder hetzelfde dak en nogal wat vierkante meters bezetten (waardoor men anderhalve meter tussen elke bezoeker vrij kan laten). De sociologische verbeelding van 'de Belg' is die van een middenklasser met een gemiddeld inkomen, een ruime woning met tuin(tje) in een peri-urbane gemeente, met opgroeiende schoolgaande kinderen en een vaste job die thuiswerk toelaat. Die Belg is sedentair, leeft in gezinsverband (man, vrouw, twee kinderen), is geletterd in (minstens) standaard Nederlands en/of Frans, heeft toegang tot de digitale wereld, heeft een vast netwerk van vrienden en stabiele vormen van 'sociaal contact'. Die sociale contacten zijn – zo moeten we het ons voorstellen – niet alleen stabiel maar ook eenvoudig en relatief makkelijk te beheren. Zo makkelijk dat we om de twee weken vier andere vrienden thuis kunnen ontvangen zonder dat we iemand tegen de haren instrijken.

We zien het: de Belg in deze sociologische verbeelding is een amalgaam van statistische gemiddelden, daardoor uniform en generaliseerbaar als 'populatie', en dus per definitie onrealistisch in de zin die C. Wright Mills al aangaf. Deze Belg is geconstrueerd door en voor statistici: het discours over COVID-19 is van bij aanvang een discours dat begint en eindigt bij getallen, percentages en grafieken.

Maar er is meer. De ingebeelde uniformiteit van de populatie leidt tot een nog merkwaardiger aanname: die van de uniformiteit van sociaal gedrag. Vermits men de samenleving heeft herleid tot een stabiele en beheersbare populatie met gemeenschappelijke kenmerken, kan men ook het gedrag van leden van die populatie veralgemenen. Althans, daar gaat men van uit.

Jazeker, men kan dat. Maar men kan dat enkel met vormen van gedrag die ongevoelig zijn voor een grote reeks sociale verschillen die ik zo meteen zal vermelden. Handhygiëne, een mondmasker dragen, social distancing en een elleboogje in plaats van een hand bij begroetingen zijn zo'n relatief ongevoelige vormen van gedrag, en dat is de reden waarom ze met relatief succes zijn doorgevoerd (en wellicht ook blijvers zullen blijken in onze repertoires van sociaal gedrag). Maar zelfs bij die eenvoudige maatregelen klagen we over individuen en groepen die ze verwerpen of verwaarlozen, want zelfs daar heb je diversiteit.

LEVEN WE ECHT MAAR IN EEN ENKELE 'BUBBEL'?

Zowat elke maatregel die draait rond 'bubbels' leidt tot controverse en merkwaardige interpretaties. De 'bubbel' die de overheid gebruikt in de maatregelen wordt bepaald door familiale of sociale intimiteit: je bubbel, dat zijn je gezinsleden en de vier vrienden die je elke twee weken mag wisselen. Maar ik zie dat de term 'bubbel' ook gebruikt wordt voor zowat elke cluster mensen die zich in het openbaar samen vertonen. Groepjes supporters die tijdens de Ronde van Vlaanderen (tegen de regels) langs de weg stonden werden door de commentator beschreven als 'bubbels', het hele peloton in de Ronde van Vlaanderen eveneens. Tafels in restaurants worden ook bezet door 'bubbels', net als groepjes collega's die in dezelfde ruimte werken, de leden van een voetbalploegje of de leiding van een scoutsgroep. Het woord 'bubbel' staat voor een wirwar aan betekenissen.

Die controverse is de sociologische realiteit die van zich laat horen. Want ga het eens na voor jezelf: leef jij echt maar in een enkele 'bubbel', in de zin van mensen met wie je veel en intens contact hebt en behoorlijk wat gedragseigenschappen deelt? Is die 'bubbel' dezelfde om 9 uur 's ochtends als om 15 uur of om 21 uur? Is je online 'bubbel' dezelfde als je offline 'bubbel'? Hebben al die bubbels door dezelfde kenmerken? Kan je, bijvoorbeeld, al die bubbels zomaar uitbreiden of verkleinen? En leven we (in een tijd van hypermobiliteit) echt in sedentaire bubbels – bubbels die 'in hun kot' blijven? Is het zo dat onze belangrijkste affectieve bubbel ons gezin is, en dat het dak waaronder we het liefst verblijven het dak van vader en moeder is? En hebben jullie een gezinsraad gehouden over wie voor de volgende twee weken de bubbel mag uitbreiden, en wie daarna?

Feit is dat we doorgaans in een grote diversiteit aan bubbels leven; dat die bubbels veranderen, evolueren en fasen in ons leven kenmerken; dat vele bubbels mobiel zijn en mee bewegen met ons; dat bubbels zelfs doorheen het verloop van een dag veranderen; dat die diversiteit aan bubbels telkens een gedragsaanpassing vereist en aan heel andere regels onderworpen zijn – dat er dus niets stabiels of snel generaliseerbaar is van zodra we naar de concrete realiteit van bubbels kijken. Men heeft het bij het bespreken van de maatregelen telkens over het reduceren van het aantal sociale contacten; het zou duidelijk moeten zijn dat het begrip 'sociaal contact' telkens weer wisselt wanneer we doorheen die diversiteit aan bubbels gaan, en dat het reduceren van het aantal sociale contacten een kwalitatieve kwestie is, geen kwantitatieve: er zijn sociale contacten die we makkelijker kunnen reduceren dan andere afhankelijk van over welke bubbel we het hebben, en elke bubbel heeft contacten die dwingender en belangrijker blijken te zijn dan andere.

DIVERSITEIT IN ONZE BUBBELS

Het is die diversiteit in bubbels die voor velen net de rijkdom van het sociale leven uitmaakt. En net die diversiteit is wat velen ervaren als 'integratie', echte en volwaardige integratie, niet in 'de' samenleving maar in zeer uiteenlopende gemeenschappen binnen die samenleving. Vanzelfsprekend houdt die diversiteit in lidmaatschap van gemeenschappen ook diversiteit van gedrag in. En dat is de reden waarom dezelfde maatregel een groter en vaak meer nefast effect kan hebben voor bepaalde gemeenschappen dan voor andere, en dus controversieel wordt. De sluiting van cafés, bars en concertzalen zal jongere mensen zwaarder treffen dan ouderen (en treft de uitbaters uiteraard het meest van al), de sluiting van scholen treft hoofdzakelijk de schoolkinderen en hun ouders. Elke maatregel zal onvermijdelijk selectief, en dus onrechtvaardig blijken wanneer men geen rekening houdt met de diversiteit van de concrete gemeenschappen die erdoor geraakt worden.

Een deel van die diversiteit heeft men al ontdekt, bijvoorbeeld toen men na de lockdown van scholen ontdekte dat een verbluffend groot aantal schoolkinderen geen toegang had tot een PC of laptop, of toen bleek dat de sluiting van restaurants ook een effect had op mensen in armoede omdat ook de sociale restaurants gesloten werden. Een ander deel van die diversiteit bespreekt men graag: de taalkundige diversiteit die ervoor zorgt dat 'bepaalde groepen' in 'bepaalde buurten' (lees: onze 'allochtonen') niet bereikt worden door de infocampagnes van de overheid en de berichtgeving in de massamedia, en dus als schuldig kunnen voorgesteld worden. Maar het is helder dat, wanneer we de effectiviteit van maatregelen bekijken, we ver voorbij 'communicatie' als kernprobleem moeten gaan, en dat het aanwijzen van de gebruikelijke schuldigen ons evenmin veel verder helpt.

KIJKEN NAAR CONCREET GEDRAG

Maatregelen tegen de verspreiding van COVID-19 moeten gedragseffecten hebben. Preciezer: ze moeten onze 'sociale contacten' reguleren. Ik gaf al aan dat de notie van 'sociale contacten' problematisch is, maar we kunnen daar nog een en ander aan toevoegen.

Een: we hebben sinds maart 2020 beetje bij beetje geleerd dat het woordje 'sociaal' in 'sociaal contact' voor heel andere dingen staat wanneer we onze contacten via WhatsApp, Skype of Zoom moeten organiseren in plaats van face-to-face. Meer bepaald: we hebben geleerd dat online instrumenten voor sociaal contact geen vervanger kunnen zijn voor een 'live' gesprek, want we verliezen een belangrijk deel van de intensiteit, de spontaneïteit en impromptu dynamiek van 'live' gesprekken. We worden dus geleidelijk aan minder sociaal, meer individualistisch en ook eenzamer (binnen die verzonnen 'bubbel'), en onze contacten worden meer en meer geformatteerd, geregisseerd, en afhankelijk gemaakt van de beschikbaarheid van technologie.

Twee: wanneer het dan de bedoeling is van de overheid om het volume 'sociale contacten' te beperken moeten we het volgende in gedachten houden. Mensen zijn nog steeds datgene wat Elliot Aronson erover zei in zijn boek The Social Animal (1972): 'social animals' die voor zowat alles nood hebben aan de goed- of afkeuring van anderen. Voor die sociale diersoort zijn dit soort verschraalde contacten absoluut onvoldoende – en niet alleen voor de jongere leden van die diersoort. In de context van de COVID-19 maatregelen krijgen we een nieuwe sociale wereld aangeboden en opgelegd die in zeer veel opzichten tekortschiet en daardoor nogal wat ongewenste neveneffecten kan (en zal) genereren omdat we ze niet hebben zien aankomen.

We zijn een grote kans aan het vergooien, een kans om gebruik te maken van het ergerlijke vehikel van COVID-19 om veel en snel te leren over hoe ons sociaal gedrag precies ineen zit doorheen de complexe en superdiverse samenleving die we hebben opgebouwd – ons concrete sociaal gedrag, geen abstractie ervan, geen holle formats die eigenlijk door niemand echt zo worden uitgevoerd, maar concrete, echte patronen van sociaal gedrag, online zowel als offline.

Het is immers zo dat men de concrete diversiteit die onze manieren van samenleven kenmerkt beter begrijpt wanneer men vertrekt van concrete, observeerbare vormen van gedrag dan van al dan niet courante labels voor gemeenschappen en hun identiteiten die we vooraf al gaan vastleggen. De eigenschappen van groepen, in de huidige vormen van online-offline samenlevingen, worden bepaald door de handelingen die ze uitvoeren. De COVID-19 crisis geeft ons een unieke kans om die sociale handelingen precies en in detail te leren kennen. Maar net dat niveau van kennis vermijden we wanneer we ons toespitsen op bizarre noties zoals 'bubbels' (of 'knuffelcontact') aan wie we dan gedragspatronen voorschrijven.

Zoals C. Wright Mills al beklemtoonde: de beste sociologische verbeelding is er een die wordt gevoed door realisme, niet door volgehouden trouw aan abstracte aannamen die door een snel veranderende realiteit voortdurend in vraag worden gesteld. Aan zo'n verbeelding hebben we allemaal dringend behoefte, al was het maar om het soort van neveneffecten te vermijden waarover ik het zonet had, en in dezelfde beweging de gewenste effecten van je strijd tegen COVID-19 te optimaliseren.

Er is een consensus over het feit dat men bij het vastleggen van de COVID-19 maatregelen ook de economische impact ervan moet in de gaten houden. Er zou een even solide consensus moeten bestaan over het beginsel dat men bij dit alles het sociale weefsel niet onherstelbaar mag beschadigen. Ook dat risico is deel van de pandemie, en we moeten het even goed kennen en begrijpen als het virus zelf.