Abonneer Log in

Sociaal Pact. Anders

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 6

Pleidooi voor een Sociaal-Ecologisch Pact tussen de arbeidersbeweging en de klimaatbeweging.

De roep om een Sociaal-Ecologisch Pact klinkt luider en luider. Het maakte deel uit van de #BeterNaCorona-oproep die Samenleving & Politiek mee lanceerde in april. Dirk Holemans en coauteurs penden er een hoofdstuk over neer in het gloednieuwe Oikos-boek Het ecologisch kompas. Historicus Koen Aerts (UGent) schreef in maart dat de tijd rijp is voor een nieuw Sociaal Pact, en voegde er later aan toe dat het een sociaalecologisch pact moet worden. Zelf pleitte ik ervoor in het denktank Minerva-boek Klimaat en sociale rechtvaardigheid (oktober 2019).
Marc Leemans (ACV) heeft het over een 'sociaal duurzaamheidspact', sp.a over een New Social Deal. Vanuit werkgeverzijde klinkt het bij het VBO en VOKA dat er nood is aan een nieuw sociaal pact. Niet overal valt het pleidooi even goed. Robert Vertenueil moest ontslag nemen als ABVV-voorzitter nadat hij zonder mandaat van de leden samen met MR-voorzitter Bouchez een nieuw sociaal pact verdedigde.

Het idee van een Sociaal-Ecologisch Pact is interessant. Enerzijds duidt het op een vernieuwing van het Sociaal Pact uit 1944 en een nieuwe maatschappelijke consensus. Anderzijds voegt het daar de cruciale ecologische component aan toe. Maar vaak blijft het bij een vaag idee, dat veel vragen oproept. Drie vragen zijn cruciaal.

Welke contouren voor een Sociaal-Ecologisch Pact?
De doelstellingen van het Sociaal Pact in 1944 waren duidelijk: materiële vooruitgang voor de arbeidersklasse in ruil voor het aanvaarden van de eigendomsverhoudingen en de beslissingsmacht van het kapitaal. 'De werknemers eerbiedigen het wettig gezag van de hoofden der ondernemingen', zo klinkt het, en 'de werkgevers eerbiedigen de waardigheid der arbeiders en stellen er een eer in hen met rechtvaardigheid te behandelen'.
Wat moeten de contouren van een Sociaal-Ecologisch Pact dan precies zijn? In mijn inleiding in Klimaat en sociale rechtvaardigheid beschrijf ik de verschillende doelstellingen die zo'n Pact moet beogen. Naast het tegengaan van de klimaatcrisis met veel ambitieuzere klimaatdoelstellingen, met planning en met publieke investeringen, gaat het ook om meer klassieke vakbondsthema's. We moeten de sociaaleconomische onzekerheid terugdringen met werkbare jobs, een sterker sociaal vangnet, betere openbare diensten en een rechtvaardige fiscaliteit. Daarnaast dient het de volksgezondheid en het welzijn, dankzij betere luchtkwaliteit, gezonde, betaalbare voeding, meer natuur en verkeersveiligheid, en meer vrije tijd.
Een belangrijke vraag dringt zich op. Het Sociaal Pact bestendigde de kapitalistische economie doordat de arbeidersbeweging beloofde het beslissingsrecht van het kapitaal niet in vraag te stellen, maar zijn de doelstellingen van een Sociaal-Ecologisch Pact wel verenigbaar met die kapitalistische economie en de wetten van winst en groei?
Daarom schuif ik in het boek Klimaat en sociale rechtvaardigheid een extra doelstelling naar voren: het democratiseren van de economie, op bedrijfs-, sector- en (inter)nationaal niveau. Die doelstelling blijft in de meeste pleidooien voor een nieuw sociaal pact achterwege.

Is een Sociaal-Ecologisch Pact mogelijk?
Het democratiseren van de economie is natuurlijk een ambitieuze doelstelling. Maar zelfs een Pact dat voornamelijk inzet op een betere sociale bescherming en een ecologische transitie zonder de kapitalistische economie fundamenteel in vraag te stellen, lijkt vandaag veraf. De context is dan ook helemaal anders dan in 1944.
De impact van het coronavirus (en de financieel-economische crisis van 2008) komt niet in de buurt van de horror die Europa met de Eerste Wereldoorlog, de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog meemaakte. Waar er toen een zeker eenheidsgevoel heerste dankzij de oorlog, is er vandaag polarisatie, staat extreemrechts sterk en ging de strijd tegen corona van #tousensemble naar gekibbel.
Bovendien leek de vakbeweging sterker te staan in 1944. In de voorgaande decennia leidde de sociale strijd in veel landen tot overwinningen zoals het algemeen stemrecht, de uitbouw van een sterkere sociale zekerheid en een vermindering van de arbeidstijd. Daarnaast leefde de idee dat er een alternatief was voor het westerse kapitalisme, het – weliswaar autoritaire en niet-duurzame – reëel bestaande communisme van de Sovjet-Unie. In die context vreesde een deel van het patronaat dat zonder sociale vooruitgang de arbeidersklasse kon radicaliseren.
Tot slot functioneerden bedrijven toen in een minder gemondialiseerde economie, wat een nationaal klassencompromis vergemakkelijkte.
Waarom zouden kapitalisten vandaag toegevingen doen? Door de mondialisering zijn ze zelf meer onderworpen aan de internationale concurrentie, de sociale strijd blijft beperkt, en de vrees dat de arbeidersklasse een revolutie zou ontketenen is onbestaande.
Het is dan ook geen toeval dat in veel landen werkgevers sinds het einde van de jaren 1970 hun deel van de afspraak van het klassencompromis de facto opzegden. De levensstandaard van de werknemer stagneert, de loongroei blijft quasi overal achter bij de winstgroei, de sociale zekerheid brokkelt af of staat onder druk.
In die krachtsverhoudingen lijkt een nieuw progressief compromis tussen arbeid en kapitaal zeer naïef. Dat verklaart ook de terughoudendheid van de arbeidersbeweging, die vreest dat een nieuw sociaal(ecologisch) pact minder gunstig zou kunnen uitvallen dan in 1944.

Welke actoren moeten een Sociaal-Ecologisch Pact sluiten?
Dat brengt ons bij de laatste vraag. Wie moet een Sociaal-Ecologisch Pact opstellen? Ook al ziet een verlicht deel van het kapitaal wellicht de nood aan een doortastender klimaatbeleid (zeker als ze daarbij kunnen rekenen op overvloedige overheidssubsidies), in het algemeen zijn werkgeversorganisaties geen groot voorstander van een sterkere sociale zekerheid, laat staan van grenzen aan de economische groei of een democratisering van de economie. Bovendien, ook al blijven vakbonden de belangrijkste Belgische ledenorganisaties, je kan je afvragen of nieuwe sociale bewegingen zoals de klimaat- en milieubeweging geen plaats aan tafel moeten krijgen, en of burgerinspraak niet noodzakelijk is.
In mijn visie zou een Sociaal-Ecologisch Pact dan ook geen Pact zijn tussen werkgeversorganisaties en vakbonden, zoals het Sociaal Pact van 1944, maar een Pact tussen de arbeidersbeweging enerzijds en de klimaatbeweging anderzijds.
Vertegenwoordigers van beide bewegingen zouden bijvoorbeeld via rondetafelgesprekken – met burgerinspraak en inbreng van bevriende academici – een gedeelde visie over een sociaalecologische samenleving kunnen ontwikkelen. De vakbeweging moet daarbij nog veel meer de noodzaak van een dringende ecologische transitie centraal stellen in de werking, en de klimaatbeweging moet nog meer inzetten op een sociale transitie inclusief meer traditionele vakbondseisen.
De krachten bundelen kan tot een sterker machtsblok leiden, waarbij de klimaatbeweging kan rekenen op de arbeidersbeweging om met actiemiddelen zoals stakingen een cruciale rol te spelen om een sociaalecologische transitie teweeg te brengen. Dat is ook de enige manier om de gevestigde machten te bekampen die een meer ecologische en een sociaal rechtvaardige samenleving tegenhouden.
Kortom, in die visie zou Sociaal-Ecologisch Pact geen afspiegeling zijn van een consensus tussen arbeid en kapitaal zoals in 1944, maar net deel uitmaken van een broodnodige sociaalecologische strijd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 6