Abonneer Log in

The Deficit Myth

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 65 tot 67

Wie, behalve de overheid, kan de gaten vullen? Stephanie Kelton geeft een helder en welomschreven antwoord: niemand.

The Deficit Myth

Stephanie Kelton
Public Affairs, New York, 2020

COVID-19 zorgt ervoor dat duizenden miljarden overheidsschuld de markten overspoelt. Alleen in België zal het dit jaar om zo'n 45 miljard bijkomende schuld gaan, in de VS om 3.000 miljard. De VS kan midden september 2020 lenen aan minder dan 0,7% per jaar, een daling met meer dan 1% ten opzichte van een jaar voordien. België tegen -0,24%, bijna hetzelfde als een jaar geleden. De mysterieuze markten lijken die historische begrotingstekorten dus best te vinden – deels omdat de centrale banken een groot deel van die obligaties inkopen. De doorsnee Vlaamse mediaeconoom beweert dat zulk onorthodox beleid een marktverstoring is die zombie-ondernemingen in leven houdt en de brave burger zijn vermogensrendementen afneemt. Voorstanders van Modern Monetary Theory (MMT), daarentegen, vinden dat de centrale bankiers eindelijk hun werk doen en roepen op de logica door te trekken. The Deficit Myth van de Amerikaanse econome Stephanie Kelton biedt een heerlijk leesbare introductie tot hun concepten en politiek programma._Wat is de centrale boodschap van de Modern Monetary Theory? En kan België, ingebed in de Eurozone, hier lessen uit trekken?

Een overheid die haar eigen munt creëert, zal altijd genoeg geld hebben om de goederen en diensten te kopen die worden uitgedrukt in die munteenheid. Dat is het kerninzicht van Modern Monetary Theory (MMT). Ze zal bijgevolg altijd voldoende geld hebben om haar schulden te betalen. Maar de staat, die voor MMT'ers bestaat uit een geconsolideerde overheid en centrale bank, wordt niet beperkt door haar vermogen om aan geld te raken. De mogelijkheden worden niet aangegeven door de hoogte van de belastingen die de overheid kan heffen of door willekeurige grenzen aan overheidsschulden. De geconsolideerde overheid kan onbeperkt geld scheppen, maar heeft reële beperkingen. Ze worden aangegeven door de grenzen van de capaciteit van de economie: de productiecapaciteit van haar fabrieken, machines en kantoren, de talenten en werkkracht van haar inwoners. Als er te veel uitgaven te weinig goederen en diensten najagen, komt de prijsstabiliteit in gevaar.

Dit inzicht wordt samengevat onder de noemer monetaire soevereiniteit. Een monetaire soeverein moet aan bijkomende voorwaarden voldoen. Ten eerste moet het belastingen kunnen heffen in zijn eigen munt. Ten tweede geeft het geen schuld uit in andere munteenheden. Ten slotte belooft het niet om zijn eigen munt om te wisselen aan een vaste koers in andere munten of goederen. Bekende voorbeelden zijn de VS, Japan en Australië. Een staat die niet aan die voorwaarden voldoet, is een gebruiker van een andere munt. Zulke staat leeft in een andere wereld: het moet effectief eerst voldoende middelen verzamelen om een uitgave te doen, of kan enkel beperkte schulden opbouwen – fundamenteel omdat ze niet kan garanderen dat er steeds geld zal zijn om die schulden af te lossen.

We komen echter nergens als we de tweede pijler van MMT niet in het spel brengen: de een zijn uitgave is de ander zijn inkomen. Dat geldt op macroniveau voor de sectoren van de economie: de privésector, de gezinnen, de overheid en het buitenland. Als één sector de bedoeling heeft om te sparen, moet uiteindelijk een andere sector meer uitgeven dan hij ontvangt. Indien de overheid wenst een begrotingsoverschot op te bouwen, zorgt dit voor een financiële stroom uit een andere sector. De gezinnen zullen netto minder sparen, de privé zal meer schulden opnemen of de Belgische economie moet een overschot ten opzichte van het buitenland opbouwen.

Op zich zijn beide pijlers geen nieuwe inzichten. Het brede concept monetaire soevereiniteit is een echo van een punt dat onder andere Paul De Grauwe maakte in de Eurocrisis: staten, die hun eigen munt controleren, kunnen niet bezwijken onder de marktdruk, aangezien ze kunnen garanderen dat er steeds voldoende geld zal zijn. Ook de focus op de sectoren van de economie is bekend: in diezelfde Eurocrisis werd het punt gemaakt dat Duitsland en Nederland enkel een begrotingsoverschot konden opbouwen door te mikken op een handelsoverschot, dat ze enkel konden opbouwen door het onderdrukken van de binnenlandse vraag na de invoering van de Euro, die het wisselkoersventiel wegnam. De sectorale visie focust de analyse op het feit dat zulke strategie niet universeel bruikbaar is: er is geen buitenaardse sector die zich permanent in de schulden kan steken. MMT volgt deze analyse en voegt er aan toe dat een begrotingsoverschot geen principieel positief goed is. Iemand moet steeds schulden maken. De bijdrage van het begrotingsbeleid aan een gezonde economische ontwikkeling en de totale tewerkstelling is doorslaggevend.

De inzichten van MMT over de mechanische werking van de economie zijn an sich niet zo controversieel. De bijdrage van MMT – en dit boek – is de framing van de redenering rond geldcreatie, het nauwgezet systematiseren van deze inzichten en het distilleren van een politiek project, spijtig genoeg voornamelijk in een Amerikaanse context. Uit deze ideeën leiden we af dat er niets is wat een monetaire soeverein tegenhoudt om het nodige uit te geven om voor volledige tewerkstelling te zorgen, de klimaattransitie te financieren, kort gezegd om alle investeringen in de toekomst te doen die de capaciteit van de economie niet te boven gaan. Het begrotingsbeleid is de voornaamste tool om deze doelen na te streven. Stephanie Kelton besteedt veel ruimte en energie aan het formuleren van concrete voorstellen voor een federale jobgarantie, wat als nieuwe automatische conjunctuurbuffer zou fungeren.

Wat betekent dit voor België, ingebed in de Eurozone? België is nooit een monetaire soeverein geweest. We hebben enkel de mogelijkheid dat te worden als deel van een hervormde Eurozone. Als kleine, open economie zijn we altijd te afhankelijk geweest van het monetaire beleid van onze buren, Duitsland op kop. Het Verdrag van Maastricht en de totstandkoming van de Euro was een poging van de buurlanden van Duitsland om gezamenlijk monetaire soevereiniteit te herwinnen. Dat is deels gelukt. België won aan invloed. De uitgever van zijn munteenheid houdt nu rekening met de economische omstandigheden in alle lidstaten, niet enkel in Duitsland. Daarbij werd niet alleen de ban op monetaire financiering verankerd – sowieso verboten volgens de tijdgeest – maar werd ook een bijzonder beperkt mandaat grondwettelijk verankerd: pure, onversneden prijsstabiliteit, zonder aandacht voor werkgelegenheid. Zo brachten we in de EU een wereld tot stand waarbij alle lidstaten gebruiker van de Euro zijn en geen soeverein: als je geld wil uitgeven, moet je dat eerst verzamelen.

Paradoxaal genoeg is de ECB zich sinds de uitbraak van de Eurocrisis steeds meer beginnen te gedragen als lender of last resort: als centrale bank ván de lidstaten. Eerst door beperkt liquiditeit in de markten te pompen in ruil voor obligaties, uiteindelijk door te zeggen dat de centrale bank zal doen wat nodig is om staten boven water te houden (OMT). Ondertussen zijn nieuwe rondjes quantitative easing (QE) blijven komen, aangezien de inflatie niet de hoogte kan worden ingejaagd. Met het Pandemic Emergency Purchase Programme (PEPP) schakelt men nog een versnelling hoger door niet langer een verdeelsleutel te hanteren. Zo geeft men de lidstaten van de Eurozone, beperkt in de tijd en onder voorwaarden, een stuk soevereiniteit terug, door het terugbetalingsrisico weg te nemen.

De ECB zal hiermee pas stoppen als de inflatie terug de hoogte ingaat. Aangezien de deflatoire druk sterker is dan tijdens de Eurocrisis, ligt dat moment jaren in de toekomst. Zo betaalt België negatieve interesten op zijn overheidsschulden terwijl de publieke investeringen nooit lager waren, de infrastructuur afbrokkelt en er een klimaatcrisis heerst. Wie zal het spaaroverschot van de gezinnen én de bedrijven absorberen en de economie terug in gang duwen? Wie, behalve de overheid, kan de gaten vullen? Stephanie Kelton geeft een helder en welomschreven antwoord: niemand.

Dieter Berckvens

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 8 (oktober), pagina 65 tot 67