Abonneer Log in

Spend, spend, spend

Overheden moeten, in de woorden van het IMF, 'zoveel uitgeven als ze kunnen, en daarna nog wat meer uitgeven'.

Je kan dan wel hopeloos geld bijpompen, als de vraagzijde van de economie geblokkeerd blijft dan sputtert het monetaire transmissiekanaal.

Wat we in de huidige context nodig hebben, is een sterk stimulerend begrotingsbeleid.

Geld confronteert ons met een eigenaardige paradox: het vervult een centrale rol in ons economisch bestel – 'het doet de wereld draaien' –, terwijl de oorsprong ervan nog steeds in raadsels lijkt gehuld. Waar komt geld concreet vandaan? Daar bestaat nog steeds onduidelijkheid over. Nochtans heeft het antwoord op die vraag belangrijke macro-economische implicaties.

De verwarring omtrent de oorsprong van geld wordt nog verder bestendigd door het overwaaien van de 'nieuwe' Moderne Monetaire Theorie (MMT) uit de VS. Die maakt een aantal erg verdienstelijke punten met betrekking tot staatsschulden (en meer bepaald de overdreven vrees daarvoor), maar vertoont ook een centrale theoretische zwakte: het uitganspunt dat enkel de overheid of staat verantwoordelijk is voor geldcreatie. Dit leidt tot de totale afwezigheid van banken en de financiële sector in de theorie en daarmee ook tot het onvermogen om kredietbubbels zoals diegene die aan de grondslag lag van de huizencrisis in de VS in 2008 te begrijpen.

Een beter vertrekpunt is daarom het onderscheid te maken tussen enerzijds publiek geld (cash en centrale banken reserves) en anderzijds privaat kredietgeld (bankleningen). Dit maakt dat er op vlak van geldaanbod en -vraag drie belangrijke actoren interageren in de economie: overheden (vandaag vooral via centrale banken), commerciële banken, en huishoudens en bedrijven. We weten ondertussen allemaal dat centrale banken extra geld kunnen creëren, maar ook commerciële banken horen in dit schema thuis. Zij scheppen eveneens geld (kredietgeld) en vuren daarmee financiële cycli (van kredietbooms en -busts) aan. Lange tijd werd nochtans volgehouden dat commerciële banken louter fungeerden als 'doorgeefluik': om leningen uit te schrijven dienden zij eerst te wachten op voldoende (bestaand) spaargeld dat bij hen werd ondergebracht en dat ze vervolgens weer konden uitlenen. In praktijk zitten banken uiteraard niet te wachten tot ze voldoende deposito's hebben verzameld alvorens geld uit te lenen. Integendeel, een bank creëert doorheen de lening zijn eigen fondsen: tegenover elke lening staat immers ook een schuld die de lener moet afbetalen. In realiteit verloopt de volgorde dus omgekeerd: eerst de lening en dan de deposito.

Private geldcreatie is daarmee een 'endogeen' proces: de hoeveelheid kredietgeld die gecreëerd wordt is afhankelijk van de staat van de economie. Dat maakt het hele proces echter ook erg 'pro-cyclisch': als het economisch goed gaat wordt er veel extra kredietgeld gecreëerd, omdat de verwachting er is dat de lening vlot zal kunnen worden terugbetaald. Als de economische toestand echter onzeker is, stokt de private geldcreatie. Met andere woorden: omdat de private geldcreatie niet afhankelijk is van vooraf bestaande fondsen (spaargelden) zijn grote sprongen mogelijk in de uitstaande leenvolumes. Zowel snelle expansies als contracties van kredietgeld zijn mogelijk, met grote gevolgen voor de graad van consumptie en de totale som aan investeringen in de economie.

Hier komen centrale banken in het plaatje. In normale tijden bepalen zij de prijs van kredietgeld doorheen hun rentebeleid. Zij kunnen de vraag naar kredietgeld dus enigszins afremmen (door de rente op te trekken) of aanwakkeren (door de rente te verlagen). In de nasleep van de Grote Financiële Crisis werkte dergelijke renteverlagingen echter onvoldoende en werd overgeschakeld op een ander instrument dat ook in de nasleep van de corona-pandemie werd ingezet: 'QE' of kwantitatieve verruiming. Daarbij maakt een centrale bank op grote schaal nieuw digitaal geld aan en pompt dat in het financiële systeem in ruil voor obligaties. Het centrale idee daarbij is dat als centrale banken voldoende nieuw geld in het financiële systeem pompen, banken en andere financiële instellingen, vlot terug (krediet)geld zullen gaan uitlenen en op die manier ruimte maken voor groei, investeringen en tewerkstelling.

Je kan dan wel hopeloos geld bijpompen, als de vraagzijde van de economie geblokkeerd blijft dan sputtert het monetaire transmissiekanaal.

Met andere woorden, als centrale banken nu massaal (publiek) geld aanmaken, dan is dat in zekere zin omdat commerciële banken dat niet langer doen. De denkfout daarbij is echter om te veronderstellen dat dat extra publiek geld vervolgens ook automatisch doorstroomt naar de reële economie en wordt omgezet in extra kredietgeld en investeringen. Als economisch ongunstige of onzekere vooruitzichten bedrijven en huishoudens niet doen investeren, dan helpt het massaal beschikbaar stellen van extra liquiditeiten aan de financiële sector nauwelijks. De hoeveelheid geld in roulatie is immers een product van de vraag naar geld, niet van het aanbod aan geld. Je kan dan wel hopeloos geld bijpompen, als de vraagzijde van de economie geblokkeerd blijft dan sputtert het monetaire transmissiekanaal.

Wat we in de huidige context nodig hebben, is een sterk stimulerend begrotingsbeleid.

De vraag is dus of de weg van de monetaire impuls wel de meest efficiënte weg is om de economie een duw te geven. En daar komt de MMT via een omweg wel tot juiste conclusies: wat we in de huidige context nodig hebben, is een sterk stimulerend begrotingsbeleid. Overheden moeten hun begrotingsbeleid opnieuw leren inzetten als volwaardig macro-economisch beleidsinstrument en via een 'crowding-in' effect private consumptie en investeringen aanjagen. Overheden moeten, in de woorden van het IMF, 'zoveel uitgeven als ze kunnen, en daarna nog wat meer uitgeven'.

Die les lijkt de Biden-administratie alvast ter harte genomen te hebben. Nu is het wachten nog op onze Europese beleidsmakers…