Abonneer Log in

Een basisinkomen: is dat echt voor iederéén?

Een basisinkomen dat niet langer gelijk is voor iedereen, maakt een betere kans om publiek en politiek aanvaard te worden.

Omdat een basisinkomen er is voor iederéén, gaat het óók naar mensen waarvan wij in het algemeen vinden dat ze geen steun van de overheid verdienen.

Voorstanders van het basisinkomen zullen wellicht compromissen moeten sluiten, zonder evenwel de kernprincipes ervan te verloochenen.

Geef elke inwoner maandelijks een vast en gelijk bedrag zonder dat hij of zij daar ook maar iets voor hoeft te doen. Dat is waar voorstanders van een universeel basisinkomen al decennialang voor pleiten, meestal vanuit de overtuiging dat het dé oplossing is voor een hele resem sociale problemen, waaronder de groeiende inkomensongelijkheid, de aanhoudende armoede en de toenemende automatisering van menselijke arbeid.

Tot op heden slagen die voorstanders er echter niet in om het basisinkomen nog maar enigszins op de politieke agenda te krijgen. Er worden in eerste instantie grote vraagtekens geplaatst bij de betaalbaarheid ervan: kost het ons niet veel te veel om iedereen een maandelijks inkomen uit te betalen? Maar zelfs wanneer men er in slaagt om critici te overtuigen van de financiële haalbaarheid, blijft een wel erg belangrijke normatieve overweging pal in de weg staan: omdat een basisinkomen er is voor iederéén, gaat het óók naar mensen waarvan wij – burgers en beleidsmakers – in het algemeen vinden dat ze geen steun van de overheid verdienen.

Omdat een basisinkomen er is voor iederéén, gaat het óók naar mensen waarvan wij in het algemeen vinden dat ze geen steun van de overheid verdienen.

HULPWAARDIGHEID

Het gaat dan meer specifiek om minstens drie groepen in onze maatschappij waarvan onderzoek systematisch aantoont dat ze als minder hulpwaardig beschouwd worden in de publieke opinie.

De eerste groep betreft mensen met een hoog inkomen, waarvan beweerd wordt dat ze maar weinig reële behoefte hebben aan sociale steun en er bijgevolg ook geen recht op mogen hebben. Die gedachte beïnvloedt al jaren de debatten over de kinderbijslag en meer recent ook de discussies over het gratis openbaar vervoer. Maar het speelt tevens een belangrijke rol in de oppositie tegen een basisinkomen: waarom zouden we immers zowel rijk als arm een inkomen toebedelen als we weten dat de rijken ook zonder kunnen?

De tweede groep die gewoonlijk als minder hulpwaardig bestempeld wordt, zijn mensen die niet werken terwijl dat wel van hen verwacht wordt. Het gaat dan concreet om gezonde mensen op actieve leeftijd, waarvan de werkbereidheid in twijfel getrokken kan worden. Van hen nemen we vaak aan dat ze weinig bijdragen aan onze collectieve welvaart en daar dan ook nog eens zelf verantwoordelijk voor zijn. Alleen al het idee dat een basisinkomen ook gaat naar mensen die niet werkwillig zijn, is voldoende om menig burger en beleidsmaker te doen huiveren van afschuw. Dat werd recent nog maar eens bevestigd door het massale protest tegen het voorstel om vrijwillig ontslag mét werkloosheidsuitkering mogelijk te maken.

De derde groep die minder hulpwaardig is in de publieke opinie zijn migranten. Dat wordt deels verklaard door het feit dat de vaak erg verschillende culturele en religieuze achtergrond het moeilijker maakt om ons te kunnen identificeren met migranten. Daarnaast hebben nieuwkomers per definitie nog niet de kans gehad om hun steentje bij te dragen aan de collectieve welvaart van het ontvangende land. Om die redenen verwerpen velen het idee van een basisinkomen dat in de regel ook betaald wordt aan recent aangekomen migranten.

COMPROMISSEN

Om de heersende normatieve bezwaren te ontmantelen, en om dus van een basisinkomen een maatschappelijk gedragen en politiek realistisch project te maken in plaats van een utopisch ideaalbeeld, zullen voorstanders van het idee wellicht een aantal compromissen moeten sluiten, zonder evenwel de kernprincipes ervan te verloochenen. Ik bied hier alvast drie mogelijke denkpistes in die richting.

Voorstanders van het basisinkomen zullen wellicht compromissen moeten sluiten, zonder evenwel de kernprincipes ervan te verloochenen.

De eerste is om resoluut te kiezen voor een stelsel met sociale toeslagen voor mensen met lagere inkomens bovenop een relatief laag basisbedrag dat gelijk is voor iedereen. Zulke 'selectiviteit binnen universaliteit' wordt nu al toegepast in onze kinderbijslag, en kan dus relatief makkelijk uitgebreid worden naar een basisinkomen.

De tweede piste is om af te stappen van de totale onvoorwaardelijkheid van het basisinkomen. Dat wordt al enige tijd bepleit door voorstanders van het zogenoemde 'participatie-inkomen', een soort basisinkomen dat enkel wordt toegekend op voorwaarde dat men minstens één maatschappelijk gewaardeerde activiteit uitvoert (zoals het hebben van een job, het verlenen van zorg of het volgen van een opleiding). Critici waarschuwen echter dat de praktische uitvoering van zulk participatie-inkomen al snel een administratieve nachtmerrie dreigt te worden: het vereist immers een continue controle van elke inwoner en diens activiteiten. Het lijkt vanuit dat oogpunt dan ook een pak realistischer om enkel een minimale arbeidsvoorwaarde op te leggen, dewelke bepaalt dat men bijvoorbeeld minstens 5 jaar gewerkt moet hebben om recht te hebben op een basisinkomen.

Een derde denkpiste is om de toegang van nieuwkomers te beperken door een verblijfsvereiste op te leggen. Zoals bijvoorbeeld nu al het geval is in universele volkspensioenen, moet er dan bewezen worden dat men reeds een aantal jaren effectief in het land verblijft vooraleer het recht op een basisinkomen geopend kan worden.

NIET GELIJK VOOR IEDEREEN

De drie denkpistes samengenomen levert een basisinkomen op dat niet langer gelijk is voor iederéén. In plaats daarvan komt een basisinkomen dat hoger is voor mensen met een lager inkomen en bovendien enkel gaat naar mensen die reeds x aantal jaren in het land verblijven én werken. Het is alvast mijn overtuiging dat deze variant van het basisinkomen een betere kans maakt om publiek en politiek aanvaard te worden, net omdat het tegemoetkomt aan de belangrijkste normatieve bezwaren die er zijn tegen het volledig universele en onvoorwaardelijke ideaal.