Abonneer Log in

De koloniale sporen in het Belgisch recht

Het is een schande dat een Brusselse rechtbank de zaak van kindermishandeling van metiskinderen verjaard heeft verklaard.


©Jacqui Goegebeur

Het gedrag van de Belgische staat was tijdens de kolonisatie, net zoals nu, verwerpelijk.

De aangeboden excuses moesten slechts het begin van een lang dekolonisatietraject zijn.

Léa Tavares Mujinga (78), Noëlle Verbeken (76), Marie-José Loshi (74), Monique Bitu Bingi (72) en Simone Ngalula (71). Dat zijn de namen van de vijf vrouwen die de Belgische staat voor het gerecht daagden wegens ontvoering, mishandeling, het gescheiden worden van hun families en het wegnemen van hun identiteit. Dit gebeurde op basis van hun huidskleur. Ze zijn kinderen van een wit koloniale vader en een zwart, Afrikaanse moeder. Deze 'metiskinderen', en nog vele anderen, zijn zestig jaar geleden ontvoerd van hun zwarte moeders omdat de Belgische staat van mening was dat hun Afrikaanse moeders hen niet 'geciviliseerd' konden opvoeden.

Een paar dagen geleden besliste de Brusselse burgerlijke rechtbank van eerste aanleg dat de zaak verjaard is en dat dit misdrijf niet bestond in de toenmalige wetgeving. 'De Belgische staat kan niet worden gestraft voor een misdrijf tegen de mensheid voor feiten die destijds niet als zodanig konden worden gekwalificeerd', aldus de rechter. De argumenten in deze rechtszaak tonen de doorleving van koloniale denkpatronen in ons rechtssysteem.

KOLONIAAL TRAUMA HEEFT GEEN HOUDBAARHEIDSDATUM

De rechter besloot om de feiten niet als misdaden tegen de mensheid te kwalificeren, waardoor het gewone strafrecht met een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. De feiten speelden zich af tussen 1948 en 1961, dus die verjaringstermijn is overschreden.

Alles wat we vandaag kennen over het leven van de metiskinderen is pijnlijk. Gaande van hoe hun bestaan de door België ingestelde gesegregeerde samenleving stoorde, hoe ze door de Belgische staat ontvoerd werden van hun Afrikaanse moeders, hoe sommigen misbruikt zijn door hun pleegouders, tot hoe de Belgische staat alle banden met hun biologische ouders doorknipte. Velen hebben de Belgische nationaliteit niet gekregen en moeten tot vandaag afrekenen met administratieve problemen. En dit gaat enkel om wat we wel weten. Want de Belgische staat heeft pas in 2019 een eerste aanzet gedaan om de koloniale archieven te ontsluiten. Veel documenten zijn al verloren gegaan en tot andere documenten wordt nog altijd geen toegang verleend.

Hoe al deze gevallen van kindermisbruik en -mishandeling kunnen verjaren, is een schande. Deze metiskinderen groeiden op zonder identiteit. Ze zijn behandeld zoals derderangsburgers, met gevolgen tot vandaag. Dergelijk leed draagt men altijd mee. Het duurt vaak ook lang vooraleer mensen volledig kunnen vatten wat hen als kind is aangedaan, zeker als het leed door een staat wordt veroorzaakt. En toch geldt volgens ons rechtssysteem hier een schamele verjaringstermijn van vijf jaar op. Het is dan ook terecht dat de Vereniging van Belgische Metissen aan de Raad van Europa vraagt om elke verjaringstermijn voor kindermisbruik en -mishandeling te schrappen.

Verder betwisten de advocaten van de Belgische staat dat ons toenmalige strafrecht in de kolonies de genoemde feiten als misdrijf zou bestempelen. Dit brengt ons op een ongemakkelijke vaststelling die ingaat tegen één van de belangrijke principes van het recht: nullum poena sine lege. Dit legaliteitsbeginsel, een essentieel onderdeel van de democratie en rechtsstaat, drukt uit dat er geen straf kan zijn zonder een strafbaar feit en voorkomt dat de wetgever met terugwerkende kracht regels kan opleggen. In het geval van koloniaal onrecht stoten we op de grenzen hiervan, omdat het om een Belgische wetgever ging die toen voor hun kolonies hun eigen wetten schreven. Natuurlijk gingen ze hun eigen gedrag, en de misdrijven die eruit voortvloeiden, bewust niet strafbaar stellen. Hetzelfde probleem zien we niet alleen in de zaak rond de metiskinderen, maar ook in de vraagstukken rond de teruggave van geplunderde koloniale kunstgoederen. Waarom zou een koloniale mogendheid wetten schrijven die haar eigen racistisch en koloniaal gedrag strafbaar stellen, of die haar plundering en andere grootschalige onrechtvaardige verrijking zou verhinderen?

Het zegt iets over de ernst van het onrecht voortkomend uit de koloniale tijdperk, als zelfs grondbeginselen van de democratie en de rechtsstaat onvoldoende blijken te zijn om gerechtigheid voor slachtoffers te garanderen.

'EEN ANDERE TIJDSGEEST'

De rechter besliste dat de feiten niet als misdaden tegen de menselijkheid kunnen gekwalificeerd worden. Hiervoor geeft de rechter verschillende argumenten: omdat de feiten toen in de publieke opinie niet als dusdanig werden ervaren, en omdat ze 'zich niet inschreven in een systematische politiek van opzettelijke vernietiging, die karakteriserend is voor een misdaad tegen de menselijkheid'. Hiermee volgt de rechter de verdediging van de advocaten van de Belgische staat, die ook aangeven te vrezen dat meer metiskinderen bij de rechtbank gaan aankloppen.

Als ik zie hoeveel werk de Belgische staat in het wissen van de identiteit van deze en zoveel andere kinderen heeft gestoken, dan zie ik er een systematisch en zeer opzettelijk gedrag van de staat in die zelfs decennia na de gebeurtenissen bewust volgehouden is.

Verder is er een fundamenteel probleem met het argument van 'een andere tijdsgeest' – en dat wordt altijd gebruikt door alle voormalige koloniale mogendheden: namelijk dat ze hiermee hún toenmalige ideeën over de wereld universaliseren alsof iedereen op aarde toen zoals hen dacht en handelde. Over wiens tijdsgeest spreekt men dan: die van koloniale mogendheden of van geracialiseerde mensen? De Belgische staat hanteert hier een eurocentrisch vertrekpunt over de tijdsgeest, waarbij de normen van voormalig koloniale mogendheden als een globaal geldende denkwijze worden gehanteerd.

Het gedrag van de Belgische staat was tijdens de kolonisatie, net zoals nu, verwerpelijk.

Niets is minder waar. Het gedrag van de Belgische staat was tijdens de kolonisatie, net zoals nu, verwerpelijk voor de mensen die eronder moesten lijden. Als de rechter haar uitspraak bepaalt op basis van de 'publieke opinie', over wiens publieke opinie hebben we het dan? Die van witte kolonialen of van geracialiseerde mensen? Die twee zijn verschillend, maar slechts één ervan wordt voorgesteld als een universeel vertrekpunt om de toenmalige tijdsgeest te bepalen. Dit is fout. Het is een teleurstelling dat een rechtbank dergelijke foute redenering maakt.

SORRY ZEGGEN IS NIET GENOEG

De argumenten van de Belgische staat en de uitspraak van de Brusselse burgerlijke rechtbank van eerste aanleg vallen moeilijk te rijmen met de teneur van de excuses die in 2019 door de Belgische staat zijn gegeven aan de metiskinderen. Sorry zeggen is niet genoeg. De aangeboden excuses moesten slechts het begin van een lang dekolonisatietraject zijn. De Belgische staat moest herstelbeleid uitwerken dat álle aspecten van het koloniaal bewind aanraakt: dus ook herstel voor de metiskinderen.

De aangeboden excuses moesten slechts het begin van een lang dekolonisatietraject zijn.

Léa Tavares Mujinga, Noëlle Verbeken, Marie-José Loshi, Monique Bitu Bingi, Simone Ngalula en de zoveel andere metiskinderen verdienen veel meer dan dit.