Abonneer Log in
INTERVIEW

Rudi Laermans

'Ont-angsten is ont-liberaliseren'

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 10 (december), pagina 10 tot 15

In 'Gedeelde angsten' probeert socioloog Rudi Laermans de achterliggende sociale mechanismen achter onze angsten bloot te leggen. "De markt schept geen vertrouwen, maar creëert angst door de veralgemening van het concurrentiebeginsel."

De negatieve statusangst zit vooral bij de oude midden-middenklasse.

De angst voor 'de Andere' is in hoge mate een geconstrueerd object.

Waarom ontwikkelen we geen systeem van homogene rechten voor alle werknemers?

Een gecontroleerde versterking van de technocratie zou niet slecht zijn.

Rudi Laermans (1957) is gewoon hoogleraar sociale theorie en cultuursociologie aan de KU Leuven. In volle lockdown publiceerde hij de essaybundel Ik, wij, zij (Borgerhoff Lamberigts), drie persoonlijke voornaamwoorden die het uitgangspunt vormen voor een reeks sociologische beschouwingen over onze tijd. Deze maatschappijdiagnose krijgt een vervolg in zijn nieuwe boekessay Gedeelde angsten. Kleine sociologie van maatschappelijke onzekerheid (Boom), dat op 26 november werd voorgesteld tijdens de Nacht van de Sociologie in Rotterdam. Daarin stelt Rudi Laermans dat heel wat maatschappelijke veranderingen ons almaar meer angsten inboezemen en dat die angsten breed gedeeld zijn. "Dat de emoties binnen zitten en de maatschappij buiten ons staat, is een foute gedachte," aldus de socioloog. "Een hoop gevoelens worden collectief gedeeld. Maar door de individualisering van angstgevoelens blijven de achterliggende sociale mechanismen vaak omgeven door een forse mistbank."

Angst is alomtegenwoordig. Zeker in tijden van corona, waar zelfs de individuele doodsangst opnieuw ons leven binnenkomt en smetvrees verreikende sociale gevolgen heeft. Mensen ontwijken gedeelde ruimtes en geraken sociaal geïsoleerd. Het zette Rudi Laermans aan om ook over sociale smetvrees na te denken. Hoewel de anderhalvemetersamenleving een kwestie is van ruimtelijke afstand en niet van sociale afstand, ziet de socioloog ook de metafoor van sociale besmetting oprukken. "In de sociologie wordt vaak gesproken over statusverheffing en zichzelf beter wanen dan anderen. Maar er is een complement: de angst voor 'verontreinigd' sociaal contact met een groep waar je liever niet toe wil behoren."

Wat is sociale smetvrees precies?

"Bijvoorbeeld de angst dat je eigen kind kan worden aangestoken door de manieren van doen van een lagere klasse of etnische groep. Sociale smetvrees is een schoolvoorbeeld van magisch denken. Alsof er iets van de levensstijl kan meekomen met fysiek contact. Dat is natuurlijk niet zo. Maar bij schoolkeuze speelt dat toch vaak mee."

Men is wel voor de democratisering van het onderwijs, maar stuurt zijn kind toch liever niet naar een school met veel minderheden.

"Juist. De minder prestatiegerichte moraal van kinderen uit andere sociaal-culturele milieus zou wel eens het werkethos van je kind kunnen besmetten. Dat speelt vooral binnen de geschoolde middenklasse. Precies omdat sociale smetvrees een imaginaire kwestie is, kan ze irrationeel gaan woekeren. Ze verklaart mee waarom een deel van de middenklasse op politiek vlak verder naar rechts schuift."

Waren de 'codes' tussen de sociale klassen vroeger dan duidelijker?

"We leven vandaag in de 'vloeibare moderniteit', zoals de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman dat noemt. De samenleving heeft geen vaste sociale contouren meer, die ook erkende symbolische grenzen waren en door zuilorganisaties omkaderd werden. Zodra die grenzen poreus worden, vergroot ook de sociaalpsychologische beleving van gepercipieerde sociale of culturele verschillen.

In mijn boekessay beschrijf ik dat proces van de-institutionalisering en de angsten die dat opwekt. Angsten zijn er in verschillende soorten en gradaties. Wat dat scala bij elkaar houdt, is het gevoel dat het in een minder of meer nabije toekomst mis kan gaan – met je inkomen, je relatie, je kinderen, je leven. Angst draait rond de mogelijkheid van verlies."

Zijn die angsten daadwerkelijk breed gedeeld in álle maatschappelijke klassen?

"Sommige zeker, zoals eco-angst of relatie-angst. Toch spreek ik liever niet over een 'angstmaatschappij', zoals de Duitse socioloog Heinze Bude dat doet in zijn boek Society of Fear. Deze diagnose dreigt de manieren waarop angsten verschillend uitwerken binnen verschillende groepen te negeren. Zo zijn bepaalde angsten duidelijk sociaal gelokaliseerd, zoals de negatieve statusangst: die zit vooral bij de oude midden-middenklasse."

De negatieve statusangst zit vooral bij de oude midden-middenklasse.

Bestaat dé middenklasse nog wel?

"In een vloeibare samenleving wordt ook de klassenmaatschappij vloeibaarder, maar de middenklasse is inderdaad vooral 'midden', niet zozeer 'klasse'. Wat de brede middenklasse uit het ajuinmodel lange tijd bij elkaar hield, was het geloof in de mogelijkheid van welstand en mobiliteit. Er bestond een culturele saamhorigheid over de interne scheidslijnen heen.

Dat is thans anders. Vandaag zit bovenaan de groep van hooggeschoolden en onderaan het precariaat. De oude midden-middenklasse en de lage middenklasse zit daartussen gesandwicht. Daarbinnen leeft sterk die negatieve statusangst, de perceptie dat je daalt in de richting van een groep waar je liever niet toe wil behoren. Het gaat alweer over die vrees voor verlies en de verwachting van een negatieve toekomst."

In het klassemodel dat u in uw boekessay ontvouwt, komt de klassieke arbeidersklasse nauwelijks aan bod komt. Waarom?

"Ik situeer ze aan de onderkant van de middenklasse. Het grootste deel maakt daar qua levensstijl immers deel van uit. Geleefde klasse is statusklasse. Levensstijl moet je dus meenemen in de definitie van klasse. Daar zit het verschil met het precariaat. Dat is soms ook kortgeschoold, zij het vaker ongeschoold, en zit in flexibele contracten of doet interimarbeid. 'Het leven is een strijd' is binnen het precariaat in meerdere opzichten een harde waarheid."

Is bij de oude midden-middenklasse en de lage middenklasse niet eerder sprake van statusonzekerheid dan van statusangst? Men moet steeds harder werken om status quo te blijven.

"Daar ben ik het mee eens. Vanuit mijn pleidooi om emoties serieus te nemen, rek ik de notie van angst meermaals op in de richting van onzekerheid. De combinatie van sociaaleconomische dalingsangst met statusverlies van de eigen levensstijl doet hoe dan ook verkrampen. Angst is ook bij uitstek een emotie die bespeelbaar is. Wie zijn identiteit aangevallen voelt, vindt zijn gading bij uitgesproken rechts-populistische partijen – ongetwijfeld dé angstentrepreneurs van deze tijd."

Hoe werken rechts-populisten in op angst?

"Ze surfen op een breed scala van angsten die vooral leven binnen de onderste helft van onze samenleving. Het rechts-populistisch discours verdicht die tot een drietal angstobjecten. In de eerste plaats moet het volk bang zijn voor de nationale politieke elite die het de electoraal toegekende macht ontneemt en is gecorrumpeerd door privileges. Ook de culturele bovenlaag, die haar eigen multiculturele politieke correctheid op staatskosten fêteert, wordt als een angstobject voorgesteld. Net als 'de Andere' die buiten de maatschappij zou staan en een culturele vreemde is."

Opvallend is dat de angst voor migratie nauwelijks aan bod komt in uw boekessay, in tegenstelling tot in 'Reset' van uw collega-socioloog Mark Elchardus.

"Het zit er wel in als ik schrijf over 'de Andere' als concurrent op de arbeidsmarkt. Maar het klopt dat ik niet sterk focus op de angst voor migratie. Het is immers moeilijk om te zeggen waar de objectieve angst voor 'de Andere' ophoudt en waar de politiek aangeblazen angst door een rechts-populistisch discours begint. De angst voor 'de Andere' is in hoge mate een geconstrueerd object. De reële gevoelens zitten als het ware eerder daaronder: de-classificatie en dalingsangst, statusverlies en statusonzekerheid."

De angst voor 'de Andere' is in hoge mate een geconstrueerd object.

Ook het woord 'natiestaat' vinden we niet één keer terug in uw boekessay.

"Veel belangrijker is de internationale dimensie. Bij pleidooien om ons meer terug te plooien op de natiestaat, moet ik nogal eens denken aan de discussie over de 19 Brusselse gemeenten: meer slagkracht op een hoger niveau is het enige rationele antwoord. De inbedding van de democratie binnen de natiestaat is veeleer dood gewicht voor de omgang met de problemen waar we voor staan, zoals de klimaatopwarming en de toenemende ongelijkheid. In de natiestaat demp je de symptomen van die problemen, zonder ook grip te krijgen op de oorzaken ervan, zoals economische globalisering en mondiale machtsverhoudingen. Als we willen ont-angsten, zullen we moeten ont-liberaliseren."

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

"(lacht) Dat besef ik. Meer wederzijds vertrouwen kan alvast ont-angsten. Je bent minder op jezelf teruggeworpen, je staat er niet alleen voor. De markt schept geen vertrouwen, maar creëert angst door de veralgemening van het concurrentiebeginsel. De druk tot productiviteitsstijging zorgt er wel voor dat gedeelde angsten vaak in kleine kring uitgesproken worden, maar ze geven geen aanleiding tot een gedeelde strijd of collectieve actie. De werkende lotgenoot is geen bondgenoot. Concurrentie tegenover coöperatie: dat is de essentie. Meer coöperatieve vormen van bestuur en minder druk tot overpresteren zijn nodig, net als het terugdraaien van de flexibilisering van arbeid."

Op mondiaal vlak kunnen we wellicht niet direct de neoliberale context counteren?

"Laten we dan tenminste een verzorgingsstaat proberen uitbouwen die dat opvangt. Want ook die stapte het tijdperk van de vloeibare moderniteit binnen. De eerste stap is de welvaartsstaat zelf in haar werking ont-liberaliseren. Waarom ontwikkelen we geen systeem van homogene rechten voor alle werknemers? Ik volg de Franse socioloog Robert Castel in zijn pleidooi voor een gemiddeld arbeidsstatuut, waarbij de overheid tussenkomt om de precaire arbeidsstatuten zonder socialezekerheidsrechten op te trekken tot een gemiddeld arbeidsstatuut."

Waarom ontwikkelen we geen systeem van homogene rechten voor alle werknemers?

Het antwoord is toch weer sleutelen aan het radarwerk van de welvaartsstaat?

"Uiteindelijk is de verzorgingsstaat altijd een technocratisch project geweest. Ik herinner me een gesprek met Herman Deleeck, die een grote hand had in de uitbouw ervan, op het einde van zijn leven. Plots zei hij: 'We zijn bij de uitbouw van de welvaartsstaat één ding vergeten: er een verhaal rond te maken."

Wat zou dat verhaal vandaag kunnen zijn?

"(denkt na) De overheid zou elke werkende burger een minimum sociale verzekering moeten bieden op basis van een doorsneeloopbaan. Die neem je als norm, vervolgens pas je bij waar er gaten vallen. In België moeten daarnaast ook de minima voor niet-werken omhoog. Tegelijk moet de overheid het project van de verzorgingsstaat in groene richting herarticuleren.

Zekerheid dus op sociaal vlak en duurzaamheid op ecologisch vlak. Voor iedereen, ook voor het precariaat. Die laatste groep baart mij echt wel zorgen. Haar bestaansangst drijft ze in de armen van extreemrechts en een anti-overheidsdiscours, ook omdat de linkerzijde nog nauwelijks aansluiting bij hen vindt."

Zou het basisinkomen zo een verhaal kunnen zijn?

"Daar was ook ik een tijd voorstander van, maar niet meer. Het basisinkomen is geen sociaal, maar een liberaal verhaal. Je doet aan omgekeerde herverdeling. Bovendien moet je zoveel mogelijk de structurele koppeling tussen werk, sociale integratie en verzorgingsstaat behouden."

Probleem vandaag zijn natuurlijk juist de vele precaire jobs.

"De precarisering van laaggeschoolde arbeid is een groot probleem. Maar niet alleen bij laaggeschoolde arbeid. Yuval Harari toont in zijn boek Homo Deus aan hoe we door robotisering en AI straks ook een precarisering krijgen van hooggeschoolde arbeid. Je hebt nu al een sterke tweedeling tussen de lovely en de lousy jobs, maar in de toekomst zal ook een deel van de lovely jobs minder lovely worden. Binnen pakweg 30 jaar bestaan er geen advocatenkantoren meer zoals we die thans kennen. Hulpkrachten doen het werk op basis van juridische databanken, de advocaat zal enkel nog nodig zijn om het pleidooi te fatsoeneren."

Wat is de impact van de politiek nog op dit alles?

"De representatieve democratie en de technocratie leven op gespannen voet. Gelukkig is er de Europese Unie. Hadden we enkel binnen nationale kaders beleid gevoerd, was er nog geen begin van serieuze klimaatwetgeving. Veel heeft te maken met het verschil in temporaliteit. De politiek denkt in het beste geval op een termijn van 2 à 3 jaar; want het eerste jaar bouwt de regering op en het laatste jaar zit ze in verkiezingsmodus. Haar perspectief is niet ingesteld op de lange termijn en duurzaamheid. Je hebt dus actoren nodig die denken vanuit het perspectief van het nageslacht. Daarom zou een gecontroleerde versterking van de technocratie niet slecht zijn. China bijvoorbeeld combineert het voordeel van één partij met een omvangrijke technocratie. Het is daarom zeer goed gewapend voor de toekomst.

Een gecontroleerde versterking van de technocratie zou niet slecht zijn.

Versta mij overigens niet verkeerd: enkel meer technocratie zal ons niet redden. Er is ook nood aan meer oud en nieuw middenveld of, zoals ik het graag noem, meer 'commonalisme' of sociale zelforganisatie."

Uw verhaal is nogal somber, moet ik zeggen. Logisch dat angst alomtegenwoordig is.

"Dat snap ik. Maar misschien moeten we een vernieuwd project van zekerheidspolitiek precies schrijven vanuit de erkenning dat we er niet goed voorstaan. Een hoopproject vanuit de wanhoop, als het ware. Uiteindelijk is de uitbouw van de sociale zekerheid na de Tweede Wereldoorlog ook vertrokken vanop het puin van de oorlog.

We moeten reddingssloepen maken. Niet om naar een nieuw continent te varen waar alles peis en vree is. Maar sloepen waarin we samen kunnen zitten en die we zelf nog wat richting kunnen geven. Want we zijn wel degelijk aan het dobberen. We kunnen dat maar beter erkennen."

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 10 (december), pagina 10 tot 15