Abonneer Log in

Een winner is anderen schijnbaar niets verschuldigd

  • Rudi Laermans - Prof. em. sociale theorie en cultuursociologie aan de KU Leuven

Er is in principe niets mis met het faciliteren van zelfredzaamheid. Maar zoals het woord suggereert, is een verzorgingsstaat gebouwd op een breed gedragen ethiek van mededogen en solidariteit.

WINNERS EN LOSERS

Woorden doen ertoe: de inburgering van nieuwe parolen signaleert een wending in de tijdsgeest. Zo danken we aan de nog altijd hard waaiende neoliberale wind het spreken over winners en losers. Dat is inderdaad een bikkelharde tweedeling: het glas kan niet halfvol zijn. Bovendien veronderstelt ze dat mensen gelijke kansen hebben in de strijd om geld en erkenning, materieel en immaterieel succes, welvaart en welzijn. 'Eigen schuld, dikke bult', 'je kreeg net als iedereen kansen, maar je verkwanselde ze': dat is steevast de ondertoon wanneer het woord loser valt.

Echt grensverleggend is die herijking van het verschil tussen in- en exclusie niet. De bekende liberale mantra wordt herhaald, maar nu in het Global English dat sinds goed twee decennia voor een brevet van wereldburgerschap doorgaat. Tegelijk hebben we wel degelijk met een bredere ideologische omslag te maken: de populariteit van dat ene woordje loser geeft aan dat de marktmetafoor thans een basisbeeld van het samenleven in toto is. We zien onszelf als onderlinge concurrenten, in de strijd om professioneel gewin evengoed als in gesprekken over ouderschap of groen leven. 'Ik excelleer' is onder vrienden of tijdens familiebijeenkomsten een geliefd gezelschapsspel.

PRECARITEIT

Na de eeuwwisseling werd ter linkerzijde eveneens een nieuwe uitdrukking gemeengoed. Ondertussen is 'precariteit' – want daarover gaat het – in progressieve kring een alom gebruikte uitdrukking ter omschrijving van de levenssituatie van een grote groep burgers. Het deed socioloog Guy Standing spreken van een aparte klasse, het precariaat. Die 'nieuwe gevaarlijke klasse' – aldus de ondertitel van The Precariat, verschenen in 2011 – is een bont allegaartje. Ze omvat langgeschoolde jobhoppers in turbulente markten (denk kunstenaars en andere creatievelingen), ongeschoold poetspersoneel of rekkenvullers zonder vast contract, platform- en gigwerkers, migranten zonder papieren die als slaven worden behandeld, enzovoort.

De kans dat het pluriforme precariaat een eengemaakt klassenbewustzijn en daarop geënte strijd ontwikkelt, is quasi nihil. Veeleer domineert daarbinnen het neoliberale ethos van winnen of verliezen, zij het natuurlijk in heel verscheiden vormen. De langgeschoolde flexwerker haalt wel of niet een goed betaald project binnen dat verder levensgemak garandeert; de kort- en ongeschoolde vecht elke maand of week, soms zelfs iedere dag opnieuw om de rekeningen te kunnen betalen. Dat financieel gespartel is door de energiecrisis nog flink verergerd. Wie al een beetje tot zeer precair was, werd het nog meer; daarnaast vergrootte de groep mensen die hun reserves moet beginnen aanspreken om het weinige comfort te behouden. Kleine zelfstandigen, horecawerkers, kortgeschoold zorgpersoneel en andere lage middenklassers kenden sowieso al een precaire welstand; vandaag lopen nogal wat mensen uit die brede bevolkingsgroep het risico om deze bescheiden welvaart te verliezen.

Vandaag lopen nogal wat mensen uit de lage middenklasse het risico om welvaart te verliezen.

Niet nieuws onder zon, zo zal menige Vlaamse socioloog aantekenen bij het nieuwe discours over precariteit: het gaat gewoon om het al veel langer onderzochte fenomeen van bestaansonzekerheid (in Nederland is die uitdrukking geen usance). Tot op grote hoogte klopt dat. Het nieuwe sjibollet voegt echter ook iets toe: het verwijdt de blik, het attendeert op nog andere dimensies dan de sociaaleconomische. Overigens is precarity een moeilijk vertaalbare uitdrukking; kwetsbaarheid komt nog het dichtst in de buurt, al past daarbij beter het Engelse woord vulnerability. Er speelt hoe dan ook de connotatie van structurele zwakheid en, daarom, het risico op verdere verzwakking. Maar tekent dit soort fragiliteit niet alle leven?

PRECARIOUSNESS

De Amerikaanse gendertheoretica Judith Butler liep voorop toen ze in 2004 in de slip van 9/11 de opstellenbundel Precarious Life publiceerde. In het lange openingsessay onderscheidt ze precariousness van precarity. Die laatste term verbindt ze met de ongelijke verdeling van de kansen op precariteit, in de zin van bestaansonzekerheid. Daarvoor is altijd ook de overheid medeverantwoordelijk: zij corrigeert wel of niet de primaire ongelijkheden in levenskansen. Daarbij speelt altijd nog een andere tweedeling: wie verdient wel, wie minder of geen ondersteuning? Het antwoord op deze vraag leidt linea recta naar algemenere maatschappelijke opvattingen over ras en gender, de grote of kleine toegevoegde waarde van beroepen… En jawel, die ideeën liggen juist mee aan de basis liggende structurele ongelijkheden.

Precariousness duidt op een ontologische afhankelijkheid van anderen. Die doet zich het sterkst tijdens de kinderjaren gelden, maar feitelijk houdt het aangewezen zijn op anderen nooit op. Ieder mens is altoos en overal fysiek kwetsbaar, waarbij trouwens ook een ecologische afhankelijkheid van niet-mensen in het geding is; en samen zijn we door de hoge mate van arbeidsdeling gebonden aan het werk van ontelbare medemensen in vaak verafgelegen regio's. Of neem gewoon de taal: anderen leren ons die spreken, vervolgens hebben we hen nodig om deel te blijven uitmaken van een communicatief netwerk waarbinnen we ons erkend weten. Eenzaamheid, dat is het wegvallen van zo'n netwerk en brutaal geconfronteerd worden met de verstrengeling van individueel en sociaal zijn, autonomie en heteronomie.

ZELFREDZAAMHEID

Volstrekte autonomie is een illusie, maar wordt vandaag toch voluit omarmd als levensideaal: een winner is anderen schijnbaar niets verschuldigd. Het prototypische neoliberale subject soigneert zichzelf en investeert doordacht in eigen capaciteiten, kwestie van te vermijden dat je bij anderen moet aankloppen om hulp en zorg, of gewoon een schouder om op uit te huilen. Zwaktes toon je niet, sterk zijn – of lijken – is het algemene devies. Het is een van de paradoxen van onze tijd: ondanks de grote aandacht voor genderdiversiteit blijft binnen en buiten de werksfeer een mannelijk gekleurd heroïsme de toon zetten.

Zwaktes toon je niet, sterk zijn – of lijken – is het algemene devies.

Overheden zetten al een tijdje hard in op het bevorderen van de individuele zelfstandigheid. De verzorgingsstaat vervelde tot de actieve welvaartsstaat, de ondernemer groeide uit tot een rolmodel. Het komt allemaal samen in het discours over excellentie: dat viert de autonomie van individuen of organisaties die de eigen taaiheid hebben bewezen doorheen talrijke concurrentieslagen of markttesten. Je moet echter volstrekt bijziend zijn en geen grammetje sociale verbeeldingskracht bezitten om voorbij te gaan aan de vele afhankelijkheidsrelaties die zelfs de meest geslaagde entrepreneur, in welk domein ook, blijvend kwetsbaar maken. En toch is die myopie wijdverbreid: noem het ideologie.

MEDEDOGEN EN SOLIDARITEIT

Er is in principe niets mis met het faciliteren van zelfredzaamheid. Maar zoals het woord al meteen suggereert, is een verzorgingsstaat gebouwd op een breed gedragen ethiek van mededogen en solidariteit. Die stoelt op haar beurt op een gedeeld besef van onze gedeelde kwetsbaarheid, het gegeven dat we 'all incomplete' zijn (dixit de titel van een boek van Stefano Harney en Fred Moten). We zijn inderdaad geen eigenmachtige subjecten, maar kwetsbare knooppunten van fragiele verhoudingen: niet soevereiniteit maar 'relationaliteit' definieert onze menselijkheid. Een zorgzame overheid laat daarom in haar beleidsvoering sociale kwetsbaarheid op individuele onafhankelijkheid primeren. En ze zegt dat luidop, ze stopt die keuze niet weg achter de leuze dat ze ieders agency – overigens ook een progressief modewoord – wil opkrikken en zoveel mogelijk mensen wenst te laten excelleren.

Abonneer je op Samenleving & Politiek

abo
 

SAMPOL STEUN

50€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
  • Je krijgt een SamPol draagtas*
MEEST GEKOZEN

SAMPOL COMPLEET

40€/jaar

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL KORTING

30€/jaar (-25j en +65j)

  • Je ontvangt het magazine in de bus
  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief
 

SAMPOL ONLINE

30€/jaar

  • Je leest het magazine online
  • Je hebt toegang tot het enorme archief

Het magazine verschijnt 10 keer per jaar; niet in juli en augustus.
Proefnummer? Factuur? Contacteer ons via info@sampol.be of op 09 267 35 31.
Het abonnementsgeld gaat jaarlijks automatisch van je rekening. Het abonnement kan je op elk moment opzeggen. Lees de Algemene voorwaarden.

Je betaalt liever via overschrijving?

*Ontdek onze SamPol draagtas.