Hoe bouwen we een gezondheidszorg die écht toegankelijk en betaalbaar is?
Sociaaldemocraten zijn bezorgd over en denken na over de gezondheidszorg. In 2019 publiceerde voormalig RIZIV-topman Ri De Ridder het standaardwerk 'Goed ziek. Hoe we onze gezondheidszorg veel beter kunnen maken'. Vervolgens zette Frank Vandenbroucke vorig jaar met '10 Franke vragen aan Frank' zijn visie toegankelijk op papier. Frank Vandenbroucke schreef eerder een goedkeurend voorwoord in het boek van Ri De Ridder die tot voor kort op diens kabinet werkte. Daar werkte hij onder de huidige kabinetschef gezondheidszorg, Evelyne Hens, die zijn boek kritisch onthaalde in Samenleving & Politiek. Nu volgen ook John Crombez en Eric Mortier met het boek 'Hou België gezond. Een rechtvaardige gezondheidszorg voor een onzekere toekomst'.
Waar Ri De Ridder een strakke structuur volgde, schrijven Crombez en Mortier een wijdlopig boek. Ze stippen veel aan: van de gezondheidszorg in het prehistorische Mesopotamië tot het hedendaagse China langs een Brits rapport over innovatie in de medische technologie. Doordat ze veel 'even' aanhalen zonder er echt op in te gaan, blijft de lezer op z'n honger zitten, met name wat betreft hun visie voor een rechtvaardige Belgische gezondheidszorg.
De VS combineren de hoogste gezondheidsuitgaven ter wereld met een levensverwachting die lager ligt dan in Turkije en Colombia.
Crombez en Mortier pleiten in ieder geval voor een 'decommodificatie' van de gezondheidszorg. De gezondheidszorg kan geen markt zijn vanwege de enorme informatieasymmetrie tussen patiënten (kopers) en zorgverstrekkers (verkopers). Gezondheid mag ook geen product zijn dat sommigen niet kunnen betalen. Het summum van marktwerking zijn de VS die veruit de hoogste gezondheidsuitgaven ter wereld combineren met een levensverwachting die lager ligt dan in Turkije en Colombia.
De auteurs pleiten niet om blind geld te pompen in de gezondheidszorg. Ze stellen vast dat er een zeker niveau van uitgaven nodig is om de bevolking op een degelijk gezondheidsniveau te brengen, maar vanaf dat niveau slagen veel landen erin om hun gezondheidszorg efficiënter te organiseren zonder aan kwaliteit in te boeten. Als kostenverminderende maatregel verdedigen ze bij de bepaling van de terugbetaling van geneesmiddelen en prestaties van zorgverstrekkers meer rekening te houden met de kost naast de therapeutische meerwaarde.
Ze nuanceren het 'nieuwe' van veel peperdure technologie door erop te wijzen dat technologie al stevig zit verankerd in de gezondheidszorg. Belangrijker dan technologische vernieuwing is de dialoog tussen zorgverlener en patiënt. Dat ligt voor de hand, maar is vandaag helemaal niet het geval. Recent illustreerde de knappe Pano-aflevering 'Tussen hoop en wanhoop' nog het gebrek aan empathie bij artsen. Eén van de terminale patiënten haalde aan dat de arts haar uitlachte toen ze naar haar overlevingskansen vroeg.
Met recht en rede onderstrepen de auteurs de grote uitdaging van de mentale gezondheid. De grote golf van depressie en burn-out zagen we niet aankomen, maar raakt de bevolking midscheeps. Een cruciale hervorming van minister Vandenbroucke maakte de geestelijke gezondheidszorg toegankelijker. Ondanks de krappe middelen blijft de minister hier consequent aan werken.
Naast de mentale gezondheid benadrukken Crombez en Mortier terecht dat de langdurige zorg de grootste uitdaging is voor de gezondheidszorg. We worden met z'n allen ouder en daardoor ook zieker. Ouderen combineren steeds vaker verschillende chronische ziektes waar ze dankzij de medische wetenschap niet meer aan overlijden, maar nog wel aan blijven lijden. Ondanks dat België in vergelijking met andere landen al een hoog aandeel van het bbp besteedt aan langetermijnzorg is de situatie in de ouderenzorg vandaag mensonterend.
Het belangrijkste thema van het boek is de ongelijkheid in de gezondheidszorg. De auteurs wijzen op de kloof in gezonde levensverwachting tussen hoog- en laagopgeleiden die zelfs nog toeneemt. De gezonde levensverwachting bedraagt bij laagopgeleide mannen slechts 62 jaar, dat is dus vier jaar vóór de huidige pensioenleeftijd.
De gezonde levensverwachting bedraagt bij laagopgeleide mannen slechts 62 jaar, vier jaar vóór de huidige pensioenleeftijd.
Cruciaal in het verminderen van deze ongelijkheid is het verbeteren van de financiële toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Waar in andere landen via privéverzekeringen wordt gewerkt, betalen Belgen voor hun gezondheidszorg vooral via hun sociale bijdragen. Daarmee betaalt het RIZIV de zorgverleners en geneesmiddelen. De patiënt moet een klein deel betalen, met name het remgeld.
Toch staat België in het buitenland bekend als een land met bijzonder hoge 'eigen betalingen'. Dat wil zeggen dat de Belg, in vergelijking met andere landen, veel uit eigen zak moet betalen. De Belg financiert 21% van de gezondheidszorg met eigen betalingen. Dat is een veel hoger aandeel dan in onze buurlanden. In Frankrijk is dat 9,3%, in Duitsland 11,1% en in Nederland 12%.
De verklaring daarvoor is niet zozeer het remgeld als wel de volledig ontspoorde ereloonsupplementen. De prijsverschillen kunnen enorm zijn. Terwijl het Cliniques Universitaires Saint-Luc in Brussel 2.163 euro aan supplementen aanrekent voor een bevalling, kost dezelfde bevalling negen kilometer verder in het CHU Saint-Pierre 517 euro aan ereloonsupplementen. Voor een appendectomie rekent het Brusselse Chirec - Hopital Delta 2.459 euro aan ereloonsupplementen aan, terwijl het ASZ ziekenhuis in Aalst voor 387 euro aan ereloonsupplementen dezelfde ingreep uitvoert.
Dat is buitensporig. Artsen worden vooral met publiek geld betaald en toch durven sommige artsen vennootschappen oprichten en zich ondernemers noemen, terwijl ze na hun zwaar gesubsidieerde opleiding in een met de numerus clausus volledig afgeschermde markt werken.
In theorie kan een patiënt kiezen om naar een gedeconventioneerde of geconventioneerde zorgverlener te gaan. In de praktijk is er zo'n groot tekort aan onder meer tandartsen dat de patiënt al lang blij mag zijn als hij of zij ergens terecht kan tegen eender welke prijs. Die vrijheid-blijheid in prijsbeleid komt met een keerzijde: een gebrekkige toegankelijkheid. Mensen die zorg nodig hebben, stellen die uit omdat ze niet weten hoeveel die hen gaat kosten. Door het uitstellen van zorg verergert de aandoening waardoor de uiteindelijke ingreep duurder is voor zowel de patiënt als de sociale zekerheid. Wie niet op de prijs moet letten, krijgt wel de nodige zorg. Dat is de ongelijkheid van de zorg.
De ereloonsupplementen moeten worden afgeschaft. Artsen zijn geen ondernemers. Zover gaan de auteurs echter niet.
Het ligt voor de hand dat deze situatie onhoudbaar is. De ereloonsupplementen moeten worden afgeschaft. Artsen zijn geen ondernemers. Zover gaan de auteurs echter niet. Ze stippen het probleem aan, bewijzen lippendienst aan de lopende hervorming, maar daar blijft het bij.
Ondertussen probeert minister Vandenbroucke wel degelijk paal en perk te stellen aan de ereloonsupplementen, maar dat is bijzonder moeilijk in een rechtse regering. Hij moest zijn eerste voorstellen over het beperken van deze ereloonsupplementen al sterk afzwakken onder druk van de artsen-specialisten die hun verdienmodel op het droge willen houden. Dat verdienmodel valt nochtans te vervangen door de forfaitaire geneeskunde van de wijkgezondheidscentra, wat uitstekend uit de doeken wordt gedaan door Ri De Ridder in Goed ziek. In haar bespreking ervan wierp Evelyne Hens provocatief de vraag op waarom Ri De Ridder als één van de toppers bij het RIZIV er niet in was geslaagd om meer veranderingen in te zetten. Het is afwachten wat zij samen met minister Vandenbroucke vanuit hun topposities in gang kunnen zetten. Aan diepe kennis en visie zal het in ieder geval niet ontbreken.
Niels Morsink