Wij vormen de zwijgende massa die lijdzaam toekijkt hoe onze universiteit verstrikt raakt in een bipolair web. Waarom laten wij toe dat de rest is opgehouden met luisteren?
"Alles begint eenvoudigweg met je 'ongemakkelijk' voelen." (Albert Camus) Terwijl de regen onophoudelijk tegen de hoge ramen van de Gentse Boekentoren tikt, staar ik naar de studenten een paar meter verderop. Ik zit in de cafetaria, waar de geur van verse broodjes vecht met de kille zweem van prille examenkoorts en jongemensenzweet. Aan de rechtermuur schreeuwt een poster om aandacht voor een lezing van een zekere Nathan Cofnas; aan de linkerkant loopt een student voorbij die, met een geoefende glimlach, stemmen ronselt voor de nakende stuververkiezingen. Zijn gezicht herken ik van de zoveelste politieke propaganda op mijn Instagramfeed.
De flanken zijn luid, de uitersten eisen de ruimte op. En dan heb je ons, de grote middenmoot. Wij vormen de zwijgende massa die lijdzaam toekijkt hoe onze universiteit verstrikt raakt in een bipolair web. Waarom laten wij toe dat de rest is opgehouden met luisteren? Ja, ik voel me dus meer dan ongemakkelijk, meneer Camus. Ik voel me, net als zovelen, wegzinken in een web van extreme meningen, waarin debat nog slechts een begrip lijkt dat uit de mond van een naïeve eenentwintigjarige student kan komen, iemand die er koppig over wil schrijven.
De zwijgende middenmoot
En dus staar ik om me heen naar het grijze middenveld, een groep waar ik mezelf met een mengsel van lichte schaamte en berusting moet toe rekenen. Ze staren naar hun schermen, de oortjes diep in de gehoorgang geduwd als digitale oordoppen tegen de verbale decibels op straat en tussen de universitaire muren. Dit is nochtans de meerderheid van de UGent: een massa die niet zwijgt uit onverschilligheid, maar uit een soort sociale claustrofobie. In een klimaat waar elke nuance wordt gefilterd als een gebrek aan ruggengraat, is stilte de enige resterende veilige haven geworden. Wij vormen het fundament van de UGent, maar onze stem is verdampt in de hitte van een voortdurend flankenoffensief. Terwijl ik wat wriemel met mijn inmiddels sompig geworden cafetariabroodje, besef ik dat onze terugtrekking meer is dan een overlevingsstrategie; het is het klinische symptoom van een publieke ruimte die haar zuurstof verliest. Wij zijn de doffe achtergrond geworden waartegen de felle kleuren van de extremen des te harder vloeken. Zoals Hannah Arendt waarschuwde: "De trieste waarheid is dat het meeste kwaad wordt aangericht door mensen die nooit besloten hebben om ofwel slecht ofwel goed te zijn." Door onze hardnekkige weigering om in de bres te springen voor de nuance, hebben we het debat niet gepacificeerd, maar simpelweg geëvacueerd en de sleutels overhandigd aan de luidste schreeuwers.
Wat ik hier dag in dag uit zie, is de blauwdruk van een wereld die haar vermogen tot dialoog verliest
De UGent is - hoewel het heel vaak anders wordt voorgesteld - geen ivoren toren in mijn ogen; het is een glazen laboratorium waar een groot deel van de toekomst van onze samenleving wordt gekweekt. Wat ik hier dag in dag uit zie, is de blauwdruk van een wereld die haar vermogen tot dialoog verliest. Als dé plek van het vrije onderzoek al bezwijkt onder de verbrokkeling, wat is dan de prognose voor de straat, de fabriek of het parlement? De universiteit is de kanarie in de kolenmijn van onze democratie. Maar waar die vogel ooit symbool stond voor de ongebondenheid, lijken we hem nu te dwingen tot een vals lied van schone schijn. Ignaas Devisch herinnerde ons er vlak voor de rectorverkiezingen vorig jaar al aan dat universiteiten zijn opgericht als "vrijplaatsen in een maatschappelijke context die dat niet garandeerde." Als de vogel in die vrijplaats al stopt met zingen en in slogans begint te krijsen, weten we dat de lucht daarbuiten al lang vergiftigd is.
Terwijl ik nog een laatste taaie hap van mijn broodje neem, valt mijn blik opnieuw op de blauwe gloed die op alle gezichten van de studenten rond me heen schijnt. Ik mag me echter niet de rol van Moeder Theresa aanmeten; mijn eigen scherm ligt ook vlak voor me te pingen. We worden, de ene al gewilliger dan de ander, opgeslorpt door een algoritme dat geen nuance duldt. De uitersten investeren massaal om ons in deze echokamers te houden, waar wat begint als een onschuldige swipe, eindigt in een verhitte loopgravenoorlog. Sociale media fungeren hier als een genadeloze centrifugale kracht: ze slingeren ons weg van het centrum, weg van het moeizame compromis, recht in de verstikkende armen van het eigen gelijk. Zoals de Nederlandse auteur Eva Rovers het beschreef: "de volgende Martin Luther King zal ongetwijfeld een appontwikkelaar zijn: degene die de toepassing bedenkt waarmee het klaarlichte denken wordt wakker gekust".
De universiteit als slagveld
Terwijl het blauwe licht van mijn smartphone reflecteert in mijn ooghoeken, denk ik even terug aan de bewuste lezing van de Amerikaanse zelfverklaarde 'rassenrealist' Nathan Cofnas. De poster aan de muur is nog geen decoratiestuk geworden; het is een herinnering aan één van de vele dagen waarop de theorie van de 'vrijplaats' botste met de praktijk van uitsluiting. Ik was er zelf niet bij, maar Schamper beschreef de lezing de dag nadien in een artikel online: "De lezing begon vroeger dan op sociale media gecommuniceerd was, om 19u24. Een halfuur voor aanvang was het tegenprotest van de werkgroep 'Students Against Cofnas' gestart aan de Blandijn. De demonstranten die rond 19u25 arriveerden, werd de toegang tot de zaal geweigerd." Op dat moment veranderde het auditorium, dat een arena van het vrije woord hoort te zijn, in een hermetisch gesloten club voor voornamelijk gelijkgestemden. Wanneer de confrontatie met een ander geluid fysiek wordt verhinderd, sterft het academische ethos een eenzame dood. Zodra we de toegang tot het debat weigeren omdat de vragen ons niet aanstaan, geven we toe dat we niet langer kunnen argumenteren.
De Ugent vaart de mist in door te doen alsof ze slechts de vuurtoren is, terwijl ze aan het roer hoort te staan
Ik kijk naar de piepkleine kruimels op mijn dienblad en vraag me af waar het universiteitsbestuur blijft in dit verhaal. Het is een delicate evenwichtsoefening, dat begrijp ik ook wel. De UGent laveert tussen de rotsen van academische vrijheid en de noodzaak tot een inclusieve omgeving, maar ze vaart de mist in door te doen alsof ze slechts de vuurtoren is, terwijl ze aan het roer hoort te staan. Het rectoraat verschuilt zich achter vage statements over neutraliteit, maar die neutraliteit is verworden tot passiviteit. Door bij een conflict simpelweg te verwijzen naar het "onderlinge gesprek", zoals rector De Sutter deed in Schamper, privatiseert het bestuur de polarisatie. Ze maakt van een structureel, toxisch klimaat een individueel probleem van de student. Dat is geen beleid; dat is een weigering om de architect te zijn van de publieke ruimte. Het volstaat niet om te roepen dat we moeten praten terwijl de infrastructuur voor een echt gesprek volledig is weggevreten.
We hebben geen vrijblijvend advies nodig, maar een radicale herovering van de fysieke ruimte. Waarom maken we van 'disputatiedagen' geen dwingend onderdeel van het curriculum, waarbij de slechte argumenten van extreme standpunten worden opengebroken? Geen wollige vrijblijvende bijeenkomsten, maar intellectuele confrontatietherapie: dwing studenten om de sterkste argumenten van hun ideologische tegenstander te verdedigen op straffe van een onvoldoende voor burgerschap. Trek die oortjes fysiek uit de gehoorgang en verbreek de blauwe ban van het scherm. De universiteit moet een proeftuin zijn waar de confrontatie met het 'andere' niet optioneel is, maar een voorwaarde voor aanwezigheid. Het klinkt misschien hypocriet autoritair en als een oxymoron, maar in een wereld waar algoritmes ons opsluiten in ons eigen gelijk, is gedwongen dialoog de enige resterende vorm van echte vrijheid.
De moed tot nuance
Ja, ik hoor het de cynici in de wandelgangen al zeggen: "Daar heb je die naïeve eenentwintigjarige weer met haar utopische praatjes." Maar zoals de dichter Remco Campert ooit schreef: "Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden". Want ja, de geschiedenis leert ons dat radicale verandering vaak voortkomt uit de scherpe kantjes, uit de groepen die bereid zijn de boel te forceren. Zonder wrijving immers geen glans, weet u wel. Maar er zit een wezenlijk verschil tussen noodzakelijk protest en destructief sektarisme. Wanneer de flanken nog extremer worden, graven ze zichzelf in in hun eigen gelijk. Wat rest, zijn symbolische overwinningen in de marge, een paar geslaagde pesterijen en een hoop verzuurde gezichten, terwijl de werkelijke, structurele verandering uitblijft. De verbinding met de brede basis, met de studenten die hier hun broodje eten en blokken, is namelijk volledig doorgesneden. In hun drang naar ideologische zuiverheid zijn de uitersten precies datgene kwijtgeraakt wat ze nodig hebben om de wereld te bewegen: ons. Het is tijd dat wij stoppen met enkel broodjes eten en zwijgen. Wij moeten de moed opbrengen om die ideologische zuiverheid te doorbreken.
Wat rest, zijn symbolische overwinningen in de marge, een paar geslaagde pesterijen en een hoop verzuurde gezichten
Geen woorden maar daden. Allez, dat zou in een ideale situatie toch moeten werken, maar het probleem met de huidige escalatie is dat ze geen resultaten boekt, enkel littekens achterlaat. We verliezen ons in de esthetiek van de rebellie, waarbij het scanderen van een scherpe oneliner (en daarmee dan hopelijk viraal gaan) belangrijker is geworden dan het formuleren van een doordacht tegenargument, terwijl de effectiviteit van de actie verdampt. Als debat slechts een scheldpartij wordt en daden enkel nog neerkomen op het blokkeren van de ander, dan bouwen we geen nieuwe wereld, maar breken we de oude enkel sneller af zonder plan voor de heropbouw. De geschiedenis wordt niet geschreven door wie het hardst roept, maar door wie erin slaagt om een visie te formuleren die breed genoeg is om anderen mee te krijgen. En dat vereist, hoe cringe het ook klinkt, de bereidheid om te luisteren.
Mijn broodje is op. De sompige nasmaak blijft hangen als een metafoor voor ons publieke debat. We kauwen op de taaie restjes van oude ideologieën terwijl de versheid er allang af is. We wanen ons rebels op onze digitale eilanden, maar zoals Stefan Hertmans opmerkt in zijn essay Verschuivingen bindt de mondiale subjectiviteit van de neoliberale wereld de lichamen aan zich "in de waan dat allen samen horen, terwijl ze elk in hun eigen bubbel kunnen blijven en daarbinnen worden gestroomlijnd en beïnvloed." Die stroomlijning is de doodsteek voor de universiteit: ze degradeert ons tot een verzameling passieve consumenten van meningen. Wij zijn die grijze massa geworden die toelaat dat de zuurstof uit onze publieke ruimte wordt gezogen. Maar wij zijn ook degenen die die ruimte weer kunnen opeisen.
De echte rebellie ligt niet in de uitersten, maar in de moed om de nuance te heroveren
Ik loop de cafetaria uit, weg van de schreeuwende posters en de kille, blauwe gloed van de algoritmes, de Gentse buitenlucht in. Mijn essay is af, maar meneer Camus, ik voel me nog steeds ongemakkelijk. U heeft gelijk: dit ongemak is geen eindpunt, maar het begin. Verzet begint immers niet alleen met grote woorden, maar zoals Campert schreef, met "jezelf een vraag stellen / en daarmee begint verzet / en dan die vraag aan een ander stellen". Ik stap de Blandijnberg af en besef: de steen van Sisyphus rolt altijd weer naar beneden, maar het is aan ons, degenen die nu nog zwijgen, om hem samen omhoog te duwen, dwars tegen de luidste schreeuwers in. De echte rebellie ligt niet in de uitersten, maar in de moed om de nuance te heroveren. Men moet zich de student uit de middenmoot die zijn stem terugvindt immers als een gelukkig mens voorstellen.
