Misschien is het probleem niet dat toekomstscenario's zoals die van het Global Justice Report onhaalbaar zijn, maar dat ze net iets te veel vragen stellen over onze huidige realiteit.
Het Global Justice Project lanceerde vorige week zijn eindconclusies. Het World Inequality Lab - met onder andere Thomas Piketty en Lucas Chancel - coördineerde de afgelopen jaren dit ongewoon ambitieus (lees gerust: lichtjes megalomaan) project waar met 200 medewerkers van over de hele wereld modelmatig wordt doorgerekend hoe we tegen het einde van de 21ste eeuw een wereld kunnen creëren met een hoge levensstandaard voor iedereen, terwijl we tegelijk binnen de ecologische grenzen blijven die onze planeet leefbaar houdt.
Het project vertrekt waar andere rapporten (vaak op machteloos aanvoelende toon) eindigen: dat de sociale, ecologische en democratische ontwrichtingen van onze tijd geen afzonderlijke problemen zijn, maar inherent verweven. Dat de auteurs van het Global Justice Report dit vertrekpunt doortrekken in methodologie, analyse, conclusies én beleidsvoorstellen is fundamenteel baanbrekend. Hiermee wagen ze zich op het ijs van de enorme lacune aan in de wetenschappelijk consensus beschouwde berekeningen achter zowel klimaatwetenschap als economie. Hun modellen integreren klimaat en energie, macro-economie, institutioneel ontwerp en politieke machtsverhoudingen.
Het doet de discussie fundamenteel verschuiven: van afzonderlijke oplossingen naar de samenhang zelf. De analyse leidt helder naar twee centrale bevindingen: (1) de noodzaak om ongelijkheid tussen en binnen landen drastisch terug te schroeven - min of meer naar de verhoudingen uit 1970. Het leidt naar voorstellen rond mondiale herverdeling via vermogensbelasting, gerichte investeringen en hertekening van de internationale financiële architectuur; (2) ons welvaartsbegrip te bevrijden van overconsumptie en te aligneren met sufficiëntie - wat we werkelijk nodig hebben voor een goed leven. Prioriteiten worden dan kortere arbeidstijd, toegankelijke gezondheidszorg, universeel onderwijs.
Het eindrapport kreeg hier en daar een klein artikeltje in de Vlaamse pers
Het eindrapport kreeg hier en daar een klein artikeltje in de Vlaamse pers. De journalisten vatten de inhoudelijke reikwijdte en technische dieptes zo goed en zo kwaad als het gaat in enkele paragrafen samen, en lieten Vlaamse experten aan het woord voor een reactie. Hier in SamPol was Luc Vanneste blij met de extra economen die het groeidogma loslieten. Elders vielen de voorspelbare kwalificaties: buitengewoon utopisch, ver verwijderd van de politieke realiteit van vandaag, goede ideeën maar volkomen onrealistisch.
Bij het doorlezen van de persaandacht, leek de interessante vraag me echter niet of de voorstellen realistisch zijn, maar eerder waarom we het rapport zo snel mogelijk als onrealistisch willen afdoen. Hoezo kiezen we iets fluïde en subjectief als de 'realiteit' als evaluatienorm voor een onderbouwde visie op wat mogelijk is aan het einde van de eeuw?
Want wat beschouwen we dan precies als realistisch? Dat we als mensen en samenleving economisch zullen blijven functioneren als de dominostenen van onze planetaire ecosystemen omvallen? Dat democratieën stabiel blijven, terwijl ongelijkheid verder toeneemt en steeds meer economische macht zich onttrekt aan democratische controle?
Een leefbare, welvarendere, gelijkere 21ste eeuw is technisch, financieel en materieel mogelijk
De conclusies van het rapport zijn ondubbelzinnig: een leefbare, welvarendere, gelijkere 21ste eeuw is technisch, financieel en materieel mogelijk. Het vergt systemen voor mondiale herverdeling, hervorming van de internationale economische en financiële architectuur, snelle transities naar koolstofvrije energiesystemen, en substantiële verschuivingen in consumptiepatronen en landgebruik.
Dat ís lastig (als in: existentieel-frustrerend en slapeloze-nachten-vermoeiend). Het impliceert dat er geen quick fixes bestaan die ons zonder die vervelende, fundamentele, normatieve maatschappelijke keuzes naar een leefbare toekomst brengen. Het betekent dat we er niet onderuit kunnen: te kijken naar de verdeling van eigendom en macht, naar de ontwerpfouten in onze internationale instellingen, naar de systemen waarmee we politieke representatie organiseren, en naar de onhoudbaarheid van bepaalde consumptiepatronen. Allemaal pokdaliger, conflictueuzer en inherent complexer dan zonnepanelen installeren, elektrische auto's subsidiëren of hameren op koopkracht.
Maar precies daarin schuilt ook iets diep hoopvols. Natuurlijk niet voor wie dacht dat we goed bezig waren. Wel voor wie ergens de afgelopen jaren gestopt is met geloven dat een goede toekomst voor iedereen op deze planeet binnen bereik ligt.
Misschien is dit voor de gemiddelde krantenlezer/journalist/expert de meest uitdagende boodschap van het Global Justice Project: de mogelijkheid te weigeren dat de machtsverhoudingen van vandaag de grenzen bepalen van wat mogelijk is op het einde van de 21ste eeuw. Dat we het denkbaar kunnen achten: de enorme verscheidenheid aan manieren om ons als samenleving te organiseren (sociaal, economisch, institutioneel). De geschiedenis beschrijft tal van voorbeelden van maatschappelijke transformatie met lange periodes van opbouw, intense politieke strijd, en met kantelpunten.
Wat houdt ons tegen? Niet de technologie en niet de betaalbaarheid
Wat houdt ons tegen? Niet de technologie en niet de betaalbaarheid, laat die discussies eindelijk van de baan zijn. De auteurs van het rapport zijn allesbehalve naïef over waar de werkelijke barrières zich situeren. Ze concluderen hun artikel in The Guardian met de bedenking: "What it will take […] is political choice, and the hard work of coalition-building behind it."
Misschien is het tijd om minder energie te steken in het reflexmatig bestempelen van lange termijnvisie als onrealistisch, misschien is het wel de meest realistische keuze die we vandaag kunnen maken: om die laatste zin goed te laten doordringen als de call to action die hij is.
