Abonneer Log in

De donkere kant van het sprookje

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 37 tot 46

Inleiding : een korte terugblik

Sinds de uitvinding van de gloeilamp heeft de tijd niet stilgestaan. Elektrische verlichting en allerlei elektrische toestellen hebben zich in het dagelijks leven genesteld. In de tussentijd werd ook een nieuwe energiebron ontdekt waarmee elektrische energie kon worden gegenereerd, namelijk kernenergie. Het zag er naar uit dat kernenergie de oplossing was in het energievraagstuk. Het leek wel een toverformule.
In het begin van de jaren 1950 was men verrukt door de snelheid waarmee de wetenschap en de technologie zich ontwikkelden. De overtuiging groeide dat de mens alles naar zijn hand kon zetten. Ook voor alle milieuproblemen, die men schoorvoetend als ernstig of ten minste storend begon te ervaren, zou de technologie een geschikte oplossing vinden. Het was in die sfeer van groot techno-optimisme dat kernenergie als de energiebron van de toekomst werd beschouwd. Deze overtuiging werd nog aangescherpt door de energiecrisis, in de jaren 1970. De problemen inzake kernafval wogen toen niet of nauwelijks door in het maatschappelijk debat over kernenergie. In 1974 werd Doel 1 in werking genomen, kort daarna volgden Doel 2 en Tihange 1. Omwille van veiligheidsaspecten is van in het begin wel veel aandacht besteed aan de veiligheid in de centrales. De atoombom indachtig wist men hoe destructief ongecontroleerde kernreacties kunnen zijn.
Momenteel haalt België een groot deel van zijn elektriciteit uit kernenergie, namelijk ongeveer 57 % van zijn (binnenlandse) elektriciteitsopwekking.1 In vergelijking met het Europees gemiddelde van ongeveer 35% is dat veel. Enkel Frankrijk haalt nog meer (70%) elektriciteit uit kernenergie dan België. Andere landen doen het met veel minder. Nederland bijvoorbeeld haalt amper 20% van zijn elektriciteitsproductie uit kernenergie (import meegerekend). Wellicht heeft het grote aandeel aan kernenergie bijgedragen tot de typisch Belgische verspilzucht inzake elektriciteit. Nergens ter wereld brandt de straatverlichting zo fel, lang en algemeen als bij ons. Het heeft ook geleid tot het verwaarlozen van de mogelijkheden inzake hernieuwbare energie. Terwijl in de hele EU in 1997 reeds 14% van de elektriciteit op een duurzame manier werd gewonnen, werd groene energie bij ons toen nog niet eens ernstig genomen.2

De kernuitstap

Het maatschappelijk debat inzake kernenergie is ondertussen ook danig geëvolueerd. Steeds meer mensen beseffen dat kernenergie geen goede optie is, zeker niet voor de toekomst. Achterliggende redenen zijn heel divers, gaande van ethische overtuigingen tot veiligheidsoverwegingen. Zowat een jaar geleden, in januari 2003, werd de ‘wet houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie’ goedgekeurd.3 Deze wet zet het moratorium, het tijdelijk verbod op de bouw van nieuwe kerncentrales, om in een algemeen verbod op de bouw van nieuwe kerncentrales voor de opwekking van elektriciteit. Op dat vlak bestendigt de wet dus de reeds bestaande situatie. Het is immers al van 1985 geleden dat de laatste nieuwe kerncentrales (Doel 4 en Tihange 3) in ons land in productie werden gebracht. De wet bepaalt bovendien dat de bestaande centrales niet onmiddellijk moeten worden gesloten, maar dat ze in bedrijf kunnen blijven zoals oorspronkelijk was voorzien, namelijk gedurende 40 jaar.

Aard van de discussie

Hoe duidelijker het wordt dat het menens is met de sluiting van de kerncentrales, hoe luider opnieuw de roep van de pro-kernenergie-lobby. Hun argumenten berusten voornamelijk op zekerheden voor het nu en hier, bijvoorbeeld inzake elektriciteitslevering. Alle alternatieven voor kernenergie zouden minder goedkoop, minder veilig en zeker zijn. Dat alles in het nu. In de toekomst worden ook geen grote problemen verwacht, wat wordt aangetoond met allerlei berekeningen. Echter, inschatting van toekomstige problemen zijn grotendeels afhankelijk van de berekeningswijze en de ‘waarde’ die aan toekomstige problemen wordt gegeven.
Als tiener bezocht ik een paar keer de kerncentrales van Doel en was ik telkens zwaar onder de indruk van het technologisch kunnen van de mens. Kernsplijting leek wel een wild monster dat handtam was gemaakt en alles deed naar wens van de mens. Maar met de jaren werd me ook de donkere kant van het sprookje duidelijk. De discussie inzake kernenergie is hevig en verwarrend. Dikwijls wordt gebruik gemaakt van statistische cijfers, kansberekeningen, percentages, kostenberekeningen, economische analyses, enzovoort. Soms kan dat verhelderend zijn, maar meestal niet. Dat komt door de aard van het probleem. Ernstige ongevallen met kerncentrales bijvoorbeeld zijn heel onwaarschijnlijk, maar als een ongeval zich zou voordoen, zijn de gevolgen niet te overzien. Klassieke kosten-batenanalyses verliezen hierdoor hun samenvattende waarde.
De keuze voor of tegen de kernuitstap is in hoofdzaak een ethische keuze omdat de vragen die leiden tot stellingname veeleer ethische afwegingen zijn zoals: zijn we bereid dergelijke risico’s te nemen en vinden we het ethisch om (hoog)radioactief afval achter te laten voor de toekomst? Het debat hierover wordt bemoeilijkt omdat sommigen deze ethische overwegingen minachtend afdoen als ‘foute perceptie’.

Veiligheid van de centrales

We kunnen er niet om heen: Tsjernobyl, de Russische kerncentrale die in 1986 op drift sloeg. De onmiddellijke gevolgen waren snel duidelijk: 31 doden kort na de ramp en ongeveer 140 mensen met stralingsziekten. De gevolgen van nadien zijn meer dan een grootorde erger. Ongeveer 120.000 mensen zijn geëvacueerd, met alle sociaaleconomische en psychologische gevolgen van dien. Erger is nog dat sinds de ramp abnormaal veel misvormde baby’s geboren worden en er een frappante stijging van het aantal kankers is, vooral van de schildklier. Er wordt gevreesd dat de piek van de schildklierkankers momenteel nog niet eens is bereikt. Gelukkig is een ramp zoals deze in Tsjernobyl heel uitzonderlijk en te wijten aan een samenloop van omstandigheden en zware menselijke fouten. Waarschijnlijk zal iets gelijkaardigs zich in ons land nooit voordoen omdat de Europese kerncentrales zo veilig als mogelijk zijn en onder goede controle staan. Tegenstanders van de kernuitstap zullen dit steeds benadrukken. En daarin hebben ze - hopelijk! - gelijk.
Als er toch een grote ramp zou plaatsvinden met een kerncentrale, bijvoorbeeld in Doel, dan zouden de gevolgen veel erger zijn dan in Tsjernobyl omdat Doel in de zone ligt met de hoogste bevolkingsdichtheid van de EU (Vlaanderen gemiddeld meer dan 300 inwoners/km² tegenover gemiddeld 9 inwoners/km² in Rusland). Antwerpen ligt op een steenworp van Doel. Gent en Brussel op nog geen 70 km. Ook Rotterdam is niet ver weg. Door een ernstig ongeluk in Doel zou een groot deel van Vlaanderen en Nederland voor lange tijd van de kaart geveegd worden. Door de kleine kans en de onschatbaar grote gevolgen als de eventualiteit zich toch voordoet is een inschatting van de kostprijs die de schade bij ongeval zou dekken, uitgedrukt per euro/kWh, eerder een theoretische oefening.

Nucleair afval, nu

Nucleair afval is en blijft hét hete hangijzer. Zoals in de inleiding aangehaald, werd bij het opstarten van de eerste kerncentrales gedacht dat er snel een oplossing zou uitgewerkt worden voor het nucleair afval. Even was die oplossing er deels, door de opwerking in La Hague en door ‘berging’ van laagradioactief afval in de Atlantische oceaan. Gelukkig is ons land in 1983, na zowat 55.000 vaten, gestopt met het dumpen in zee. Ook de ‘oplossing’ La Hague bleek niet zo positief als eerst gedacht. Nu, bijna 30 jaar na de start van de eerste nucleaire centrale, is er dus nog steeds geen kant-en- klare oplossing voor de definitieve berging.

Hoeveelheden

Maar ook vóórdat het afval is geborgen zijn de problemen niet min. België heeft momenteel reeds 2.400 ton gebruikte uranium en plutonium liggen.4 Door allerlei verbeteringen in de techniek wordt er per geproduceerde TWh nu minder laag- en middelactief afval geproduceerd dan in de beginjaren, maar de hoeveelheid hoogactief afval blijft op hetzelfde niveau. Naar schatting zal de hoeveelheid afval tegen 2050 zijn opgelopen tot: 60.000 à 66.000 m³ laagradioactief afval, 7.900 m³ middelactief afval en 5.100 m³ hoogactief afval. Merk op dat deze hoeveelheden radioactief afval enkel rekening houden met de afvalfractie die in België ontstaat, wat maar een deel van de gebruiksketen is. Ook tijdens de winning van de grondstof en behandeling ervan komt eveneens radioactief afval vrij.

Onzekerheid over de normen

In ons land gelden strenge regels en normen inzake behandeling en opslag van radioactief afval. Probleem is dat we nooit zeker kunnen zijn dat deze normen goed genoeg zijn. Dit is geen nieuw gegeven. Denk bijvoorbeeld aan de CFK’s of oliën op basis van PCB’s wat voortreffelijke uitvindingen leken, totdat de nadelen jaren later duidelijk werden. Dit onzekerheidsaspect is nog veel groter bij het nucleair afval door de specificiteit ervan: hierna een paar voorbeelden.
De wetenschappers die ooit de dumping in zee van radioactief afval als oplossing hebben aangereikt, zullen er van overtuigd geweest zijn dat dit een goede en veilige oplossing was. Helaas is deze visie ondertussen genuanceerder. Dit is vorig jaar nogmaals pijnlijk duidelijk geworden toen bleek dat een aantal vaten, die gestockeerd zijn op een site van Belgoproces, gebreken vertonen. Volgens experts: ‘De beschadigde vaten zijn deel van een erfenis uit het verleden. De vaten met gebreken maken deel uit van historische producties van voor 1989. Ze werden toen geconditioneerd volgens de toen geldende condities en stand van de technologie (…) Het afval werd, volgens de toen geldende praktijken, geconditioneerd in vaten van niet-gegalvaniseerd koolstofstaal. Gelet op de oorspronkelijke eindbestemming (zeeberging kort na productiedatum) werden destijds minder strenge vereisten gesteld met het oog op de integriteit van de vaten op lange termijn. Na het moratorium op zeeberging (Belgische toetreding in 1984) legde NIRAS aan de producenten het gebruik van een gestandaardiseerd gegalvaniseerd vat op.’5 Het is een duidelijk voorbeeld van de evolutie van de inzichten en het ontdekken van fouten of zwakheden uit het verleden. Maar kernafval, vooral dan het hoogradioactief afval is zo langlevend en gevaarlijk dat we ons geen vergissing kunnen veroorloven. Alleen, wanneer zijn we zeker dat een oplossing de juiste is? In verband met de in zee gedumpte vaten is het momenteel vooral hopen dat de tijd en de stromingen de eventueel lekkende radioactiviteit dusdanig verdelen dat de schade beperkt blijft.

Veiligheid tijdens transporten

Ondanks het beperken en beveiligen van het transport is en blijft het transport een zwakke schakel in het veiligheidsaspect. Het is nog maar een paar jaar geleden dat een koffer met plutonium afkomstig uit België onverwacht en ongewild opdook in Groot-Britannië. De vergissing was te wijten aan een menselijke fout. Het hoeft ons natuurlijk niet te verbazen dat mensen fouten maken, dat is quasi onmogelijk uit te sluiten.

Veiligheid van de opslagplaatsen

Gelukkig zijn er tot nu toe geen incidenten met crimineel opzet bekend. Niet om mee te doen aan de algemene schrik voor het internationaal terrorisme, maar omdat het inzake kernafval aangewezen is om met alle gevaren rekening te houden, moeten we ons vragen durven stellen over de veiligheid van de opslagplaatsen voor nucleair afval.

Nucleair afval, later

Tegenstanders van de kernuitstap verwijzen graag naar een opiniepeiling die in 2001 is gehouden in de landen van de EU. Die laat zien dat een meerderheid van de mensen kernenergie aanvaarden op voorwaarde dat er een goede oplossing komt voor het nucleair afval. Zoals hoger aangehaald is en blijft de vraag wat wordt verstaan onder een goede en veilige oplossing. Hierover blijft, 30 jaar na de start van de eerste kerncentrale in België, na al het onderzoek, na alle geïnvesteerde middelen, het schoentje wringen. Kernbekommernis is of het afvalprobleem ooit opgelost kan worden zonder dat de (financiële en veiligheids-) problemen overgedragen worden naar een volgende generatie. Voorlopig ziet het er niet naar uit. Toch moeten we blijven zoeken naar een zo goed mogelijke oplossing, want ongeacht de kernuitstap moet het afval dat nu reeds aanwezig is en het afval dat nog zal worden gevormd, sowieso geborgen worden.

Geen vervuiling als andere

Nucleair afval wordt wel eens vergeleken met andere soorten van milieuvervuiling, zoals bijvoorbeeld zware metalen. Zware metalen zouden volgens sommigen een nog ernstiger bedreiging zijn dan nucleair afval. Want, zo luidt de redenering, nucleair afval wordt na een paar tienduizenden jaren onschadelijk en zware metalen blijven schadelijk. Toch is deze vergelijking mank. Zonder de ernst van vervuiling door zware metalen in sommige Vlaamse bodems te willen minimaliseren, is duidelijk dat deze vorm van vrijgekomen verontreiniging minder ernstig is. Toch kunnen we veel leren uit de vergelijking van nucleair afval met andere afvalsoorten of milieuverontreinigingen. Bodemverontreiniging uit het verleden of - om een totaal ander voorbeeld te geven - de slechte ruimtelijke ordening tijdens de laatste decennia, drukken nu onwaarschijnlijk zwaar op de leefmilieubegroting. In het geval van de bodemverontreiniging is dit de saneringskost. De slechte ruimtelijke ordening veroorzaakt allerlei hoge afgeleide kosten zoals bijvoorbeeld voor riolering en afvalwaterzuivering en voor bekabeling (elektriciteit en communicatie). We worstelen nu met de factuur van onverstandige beslissingen uit het verleden. Toch is er één verschil: vroeger besefte men niet zo goed wat de negatieve gevolgen waren, wij zijn ons wel degelijk bewust van het feit dat we door het gebruik van kernenergie de komende generaties met problemen opzadelen.

Berging: technische onzekerheid

Het hoogactief en langlevend nucleair afval ligt ‘voorlopig’ opgeslagen, wachtend op een definitieve berging. Deze wachttijd heeft te maken met twee verschillende aspecten van de problematiek. Ten eerste moet het afval ten minste 50 jaar ‘afkoelen’ voor het definitief geborgen kan worden. Ten tweede is er nog altijd geen zekerheid over de definitieve manier van bergen. De meest realistische optie op dit ogenblik is de berging in de diepe ondergrond. Tot nu toe is nog geen enkel land overgegaan tot definitieve berging van het nucleair afval. Sinds het begin van de jaren 1980 beschikt België over een ondergronds onderzoekslaboratorium in Mol. Het bevindt zich onder de terreinen van het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK.CEN), op een diepte van meer dan 200 meter, meer bepaald in de Boomse kleilaag, een stabiele geologische kleilaag. Wetenschappers leveren hier reeds meer dan 25 jaar baanbrekend werk. Het onderzoek heeft als doel na te gaan wat de mogelijkheden zijn van de geologische berging van het langlevend en/of hoogradioactief afval in de ondergrondse kleilagen. Het ziet er voorlopig naar uit dat de Boomse klei een mogelijke bergingplaats zou kunnen zijn, maar er blijven nog te veel vragen onbeantwoord. Een technisch uitvoerbare berging is dus nog niet voor morgen. We mogen zeker geen versnelling van een beslissing wensen, dat zou de grondigheid van het onderzoek en de degelijkheid van de oplossing ondermijnen. Een beslissing die binnen duizenden jaren nog consequenties kan hebben, mag niet overhaast worden genomen. Want wat vandaag een goede oplossing lijkt, kan morgen een foute keuze blijken.

Berging: tijdsaspect

En zoals NIRAS zelf schrijft: ‘niets wijst er op dat er niet één of meerdere oplossingen ontwikkeld kunnen worden tegen de tijd dat het afval de tijdelijke opbergplaats kan beginnen verlaten, dit is rond 2050.’6 Die ene zin bevat de twee problemen op een treffende wijze. Ten eerste de onzekerheid over de berging zoals hierboven behandeld. Het tweede aspect is de tijdsduur waarin alles zich afspeelt. De berging van het oudste nucleair afval kan pas beginnen rond 2050! Tussen het ontstaan van het afval en de berging zit een onwaarschijnlijk lange tijd. Dit is ethisch niet verantwoord. Om het even in een menselijk perspectief te plaatsen: ikzelf kan alleen maar hopen dat ik lang genoeg leef om de eerste bergingen nog op het journaal te vernemen en in de generatie van mijn ouders, die de daarmee geproduceerde elektriciteit verbruikten, zullen enkel krasse 110-jarigen het nog meemaken.
Nog een merkwaardig feit: er is naar schatting nog voldoende nucleair basismateriaal in de ondergrond voor 50 jaar. Dus, met andere woorden, de berging van het eerst gebruikte nucleair materiaal kan beginnen tegen de tijd dat we de laatste grondstof delven! We geven dus de zware verantwoordelijkheid van de definitieve berging van het nucleair afval sowieso door aan de volgende generaties die zelf nauwelijks van de voordelen zullen kunnen genieten. Dit geldt niet alleen voor het hoogradioactief afval, maar ook voor het ‘minder gevaarlijk’ of ‘kortlevend’ laag- en middelactief nucleair afval is er een zwaar probleem. Dit type nucleair afval wordt in Europa door de meeste landen opgeborgen in opbergplaatsen die zich bovengronds of vlak onder de oppervlakte bevinden. Deze opbergplaatsen moeten vervolgens gedurende ongeveer 300 jaar onder controle blijven! (Ons land heeft dit type van afval nog in voorlopige berging.)

Socio-economische en politieke zekerheid op lange termijn

Kernafval brengt ons dus in een positie waarbij we moeten beslissingen nemen die lang na ons ook nog hun gevolgen hebben. Het enige wat we zeker weten is dat, hoe we het ook aanpakken, in het jaar 2200 mensen nog moeten zorgen voor het radioactief afval waarvan wij de elektriciteit hebben verbruikt. Tegenstanders van de kernuitstap wijzen er graag op dat enkele honderden jaren, of zelfs honderdduizenden jaren in de geologische tijdschaal niet veel voorstellen. De Boomse kleilaag bijvoorbeeld werd 30 tot 35 miljoen jaar geleden gevormd, wat heel lang geleden is als je bedenkt dat de mensen pas 3,5 miljoen jaar geleden op aarde verschenen.
Maar helaas is geologische stabiliteit niet de enige factor van belang. Even belangrijk is de socio-economische en politieke stabiliteit van een regio. Voor een zorgvuldige bewaring van nucleair afval is het belangrijk dat er blijvend voldoende maatschappelijke aandacht én het nodige budget aan wordt geschonken. Een veilige bewaring vereist een goede opvolging en beveiliging van de opslagplaats, waarvoor financiële middelen en kennis nodig is. Als al deze factoren niet tegelijk aanwezig zijn, kan er geen sprake zijn van veilige berging. Daarenboven moeten de machthebbers ethisch omgaan met het afval. Het nucleair afval kan immers worden gebruikt voor de productie van zogenoemde ‘vuile bommen’, die plutonium verspreiden. Zelfs kleine hoeveelheden hoog radioactief afval kunnen schadelijk zijn. Hierdoor is nucleair afval potentieel aantrekkelijk voor misdadige doeleinden. En hoewel er geen aanwijzingen zijn dat er op korte termijn verandering zou komen in de politieke rust en socio-economische stabiliteit van West-Europa, kan uiteraard niemand garanderen dat dit binnen 100 of 200 jaar nog het geval zal zijn.

Provisies

Om de latere ontmanteling van de centrales, behandeling, bewaring en berging van het radioactief afval te kunnen bekostigen moeten er nu financiële middelen, provisies, voorzien worden. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Een eerste probleem is de bepaling van hoeveel middelen voorzien moeten worden, terwijl nog niet vaststaat hoe de ontmanteling van de centrales en de berging van het langlevend en/of hoogradioactief afval precies zal uitgevoerd worden.7 Ter vergelijking : bij de renovatie van het Berlaymont-gebouw, een groot maar toch conventionele werk, blijkt de werkelijke kost zowat het dubbele van de initiële raming te zijn. We moeten er dus niet van schrikken als ooit zou blijken dat onze huidige inschattingen voor de provisies niet voldoende zijn, zelfs al houden ze rekening met een foutmarge. Ook voor nucleaire activiteiten uit het verleden blijkt er (nu reeds) een wanverhouding te zijn tussen de oorspronkelijke raming van de noodzakelijke middelen en de huidige inschatting.8 Daarenboven wordt soms het merkwaardige systeem van verdiscontering gebruikt, waarbij kosten in de toekomst minder zwaar worden aangerekend. Een kritische analyse van dit systeem kan u nalezen in een eerder nummer van dit tijdschrift.9 Merkwaardig is dat in dit artikel niet de conclusie wordt getrokken dat de financiering van de ontmanteling en de berging van het afval dus niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Naast de onzekerheid over de hoogte van het nodige bedrag bestaat er momenteel ook geen waterdichte garantie dat de boekhoudkundig voorziene middelen ten gepaste tijde ook werkelijk beschikbaar zullen zijn. Dit is een moeilijk dossier, maar het komt erop neer dat de provisies, die boekhoudkundig wel degelijk bestaan, opnieuw geïnvesteerd worden in de onderneming. Dus: een bedrijf legt provisies aan, maar kan die aanwenden voor nieuwe investeringen, al dan niet in de nucleaire sector. Dit houdt uiteraard grote risico’s in, bij slecht ingeschatte investeringen, faillissementen en/of grote algemene economische instabiliteit. Indien de provisies onvoldoende blijken moet de overheid instaan voor de resterende middelen, omschreven als ‘nucleair passief’, wat wil zeggen dat de overheid actief bijdraagt in de financiering van het nucleair afval.

Bewaren van kennis

Tegenstanders van de kernuitstap wijzen erop dat de kernuitstap een gevaarlijke piste is omdat zij vrezen dat de kennis nodig voor een veilige ontmanteling van de centrales en een veilige berging en/of bewaring van het afval verloren zal gaan. Dit is een terechte bezorgdheid. Maar daarom verder doen met het gebruik van kernenergie is de foute remedie. Het zou andermaal een probleem doorschuiven naar later. Immers, ooit zal de voorraad aan nucleaire brandstof uitgeput zijn - of dat nu binnen 50, dan wel binnen 80 of 100 jaar zal zijn, dat is bijkomstig - en doet het probleem van het behoud van kennis zich nog meer acuut voor. We moeten de moed hebben om dit probleem zelf aan te pakken, o.a. door informatie aan jongeren.

Kernenergie versus andere energievormen

Er is tussen nu en de sluiting van de kerncentrales nog tijd genoeg om op zoek te gaan naar andere manieren om aan onze elektriciteitsbehoefte te voldoen. Dit hoeft niet noodzakelijk te leiden tot allerlei rampscenario’s zoals een instabiele elektriciteitsaanlevering, het verlies van jobs of het niet behalen van de Kyotonorm.

Elektriciteitslevering

Bij de sluiting van de kerncentrales zou de zekerheid van de elektriciteitslevering niet meer kunnen gegarandeerd worden. Is dit niet een argument dat, als de elektriciteitsproducenten het maar dikwijls genoeg herhalen, zichzelf in vervulling laat gaan? Nochtans is daar weinig reden toe. De wet inzake de kernuitstap is gestemd in januari 2003, de eerste centrales moeten pas sluiten in 2014, dat is ruim 10 jaar later en de laatste centrales sluiten pas in 2025, wat 20 jaar na de aangekondigde kernuitstap is. Tijd kan dus geen argument zijn voor een vooruitziende sector. Trouwens, waarom zou in België niet gaan wat in zovele andere landen wel, of quasi wel kan? De elektriciteitssector moet tegen die tijd een volgroeide en capabele sector zijn die deze verandering goed aan kan. Zo niet, zal de overheid haar verantwoordelijkheid moeten nemen en ingrijpen.

Jobs

Uiteraard zullen er na de ontmanteling van de kerncentrales geen mensen meer werken op die sites. Maar de ontmanteling, bewaring en opberging, alsook andere nucleaire toepassingen dan de elektriciteitsproductie zullen voor jobs blijven zorgen. En men mag niet vergeten dat er in andere sectoren van de elektriciteitsproductie meer mensen aan het werk zullen zijn. Ook rationeel energiegebruik zal jobs creëren, denk maar aan de bouwsector, energieconsulenten enzovoort. Een verschuiving van jobs binnen een sector gebeurt dikwijls. De reconversie moet goed worden voorbereid en begeleid.

Energievraag

Tegenstanders van de sluiting van de kerncentrales stellen dat er omvangrijke klassieke centrales moeten bijkomen. Niet alleen om de huidige kerncentrales te vervangen, maar ook om tegemoet te komen aan de stijgende energievraag. Dit is volgens mij een verkeerd uitgangspunt dat is ingegeven door een zuiver economische logica van steeds meer groei en elektriciteitsverbruik. Het gestagneerde tot gedaalde drinkwaterverbruik bewijst dat het ook anders kan. Wanneer de nodige innovatie en creativiteit gestimuleerd wordt, blijkt dat er meer water kan worden bespaard dan voor mogelijk werd gehouden door critici. Eenzelfde evolutie is technisch mogelijk inzake het energieverbruik.10 Toegegeven, dat is enkel mogelijk als de wil daartoe bestaat.

Kyoto

De tegenstanders van de kernuitstap vinden kernenergie hét duurzame alternatief voor fossiele brandstof en dus het duurzame alternatief voor de toekomst. Dit is zacht uitgedrukt een merkwaardige redenering. De ene plaag (broeikasgassen) zou worden vervangen door de andere (kernafval). Op die manier zullen we niet snel echt duurzaam met energie omgaan. Daarenboven vinden de eerste sluitingen van kerncentrales plaats nadat de Kyoto normen reeds moeten bereikt zijn. De sluiting van de centrales kan wel als factor meegenomen worden in de onderhandelingen voor de doelstellingen van de periode daarna.
Het uitgangspunt van de hele discussie kernenergie of fossiele brandstof is niet juist. Indien men uitsluitend in het huidige denkpatroon blijft, klopt het dat kerncentrales niet volledig kunnen vervangen worden door windenergie óf door energiebesparing, zeker als deze opties los van elkaar worden bekeken. Ik ben er echter van overtuigd dat we naar een ‘én-én’-oplossing moeten. En doorgedreven rationeel energiegebruik en optimaal benutten van groene stroom én creatieve oplossingen, zelfs op basis van de huidige technologie. Om daar een voorbeeld van te geven: windenergie moet op alle mogelijke manieren gebruikt worden. Windenergie op land (ook in steden) en op zee. Daarbij mogen we ons niet beperken tot de smalle strook territoriale wateren. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld wordt het idee onderzocht van een groot internationaal windmolenpark in de Noordzee. Er wordt zelfs gewerkt aan de mogelijkheid om energie te putten uit de sterke getijdenstromingen. De eerste proefopstelling draait reeds.11 Er moet ook gedacht worden aan combinaties van reeds bestaande technieken, zoals de opslag van energie in combinatie met een groot offshore windmolenpark. Op die manier zouden we de discontinue en niet stockeerbare groene stroom kunnen omzetten in een stockeerbare energiedrager. Momenteel wordt veel gesproken over waterstof, maar er zijn meer energie-efficiënte systemen in volle ontwikkeling.
Dit zijn geen onrealistische wensdromen, maar de gewenste ontwikkelingen voor de toekomst. Ze hangen niet zomaar los in de lucht, maar worden ondersteund door verschillende studies en rapporten. Al zijn er uiteraard ook studies die het tegenovergestelde beweren. Dit is immers geen thema dat neutraal kan worden bekeken, maar afhankelijk is van de basishouding van de onderzoekers. Geen enkel onderzoek, zelfs niet van de ‘exacte’ wetenschap is vrij van waarden, wat geen verwijt is, maar een vaststelling. Dat is zo voor alle maatschappelijk gevoelige thema’s zoals kernenergie, genetische gemanipuleerde voeding, mogelijkheden van biologische landbouw, migrantenstemrecht of euthanasie. Cijfermateriaal over deze en andere thema’s is zinvol als verrijking van het maatschappelijk debat, maar moet toch steeds met de nodige omzichtigheid worden gehanteerd en kan niet de enige basis zijn voor een beleidsbeslissing.

Kostprijs van verschillende energievormen

De kans op het (onbewust) naar de hand zetten van cijfers is reëel wanneer het gaat over aspecten die traditioneel worden uitgedrukt in getallen. De kostprijs is daar een voorbeeld van. Het heeft volgens mij weinig zin om deze cijfers in de discussie te betrekken om verschillende reden:
. Hoe kan men zo zeker zijn van de hoogte van de kostprijs? (zie hoger)
. De berekeningswijze (o.a. verdiscontering) is voor interpretatie vatbaar (zie hoger).
. Hoewel de herkomst en logica van bepaalde systemen duidelijk zijn, blijf ik versteld staan van de manier waarop mensen krampachtig trachten om aan alles een financiële waarde te hechten. Dit kan verklaard worden vanuit de menselijke drang om de problemen te vatten en te benoemen om zo met onzekerheden om te gaan. Problematischer wordt het als dit denken wordt gekoppeld aan de economische logica. Want zo komen voorstanders van kernenergie tot de besluiten dat kernenergie rendabel is voor de economie, en dus ook voor de maatschappij. Maar klopt deze redenering? Laten we eens een fictief voorbeeld nemen. Hoe sneller vrachtwagens kunnen rijden, hoe lager de kostprijs, dus hoe beter voor de economie. Gelukkig heeft onze maatschappij zoveel gevoel voor menswaardigheid dat dit niet wordt aanvaard, zelfs niet als dit economisch voordeel zou opwegen tegen de ‘negatieve waarde’ van een verongelukt kind. Deze redenering alleen al schokt ons.
. Om een vergelijking te maken van de kostprijs van kernenergie met andere energievormen, zoals fossiele brandstof, worden de nadelen van kernenergie cijfermatig afgewogen tegen de nadelen van andere energievormen (CO2-uitstoot bij klassieke centrales bijvoorbeeld). Aan elk soort nadeel wordt dus een waarde gegeven, wat op zich geen abstract gebeuren is, los van morele overwegingen.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat er rapporten zijn die aantonen dat kernenergie duurder is12, maar er zijn ook studies die het tegenovergestelde concluderen.13

Ondersteuning door de overheid

Er zou meer transparantie en evenwicht moeten komen in de inspanningen die de verschillende overheden doen om de verschillende energievormen te ondersteunen. De Europese Unie bijvoorbeeld stopte al miljarden euro’s in het nucleair onderzoek.14 Mocht eenzelfde inspanning geleverd zijn voor alternatieve energiebronnen, dan zou deze sector zich reeds veel verder ontwikkeld hebben, zowel op conceptueel, technisch als economisch vlak. De federale overheid maakt het zo mogelijk nog bonter. Op een parlementaire vraag van Daan Schalck15 antwoordde de toenmalige minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek, Charles Picqué, dat hij geen cijfers kon geven van de budgetten die jaarlijks werden besteed aan onderzoek inzake kernenergie.

Conclusie

Kernenergie is slechts een onderdeel van het volledig energiebeleid. De keuze voor de kernuitstap is ingegeven door verschillende overwegingen. Deze overwegingen zijn niet allemaal te vatten in absolute cijfers. Het is dan ook zinloos om enkel op basis van schijnbaar objectieve wetenschappelijke gegevens te willen aantonen dat kernenergie noodzakelijk blijft voor de toekomst van ons land. De uitstap van de kernenergie is beslist, mede op basis van ethische keuzes. De keuze voor zekerheid en veiligheid, nu en in de toekomst. De keuze om de mensen binnen 50 jaar en later niet op te zadelen met problemen die wij voor hen creëren.
Het parlement, de uiteindelijke verantwoordelijke voor de politieke langetermijnkeuzes, heeft er goed aan gedaan te beslissen dat ons land uit de kernenergie stapt. Kernenergie is geen duurzame optie, maar is een sprookje met een donkere kant, dat eindigt in een droeve vergissing. Enkel rationeel energiegebruik samen met hernieuwbare energie is denken met langetermijnwinst voor de hele samenleving.

Christa Schaut
Stafmedewerker studiedienst sp.a

Noten
1/ http://www.emis.vito.be/statistieken
2/ Energy Agency, Nov. 2002 ‘Renewabbles in Global Energy Supply’, an IEA fact sheet
3/ Belgisch Staatsblad, 28 februari 2003
4/ Inventaris van installatie en sites op Belgisch grondgebied die radioactieve stoffen bevatten, Informatiedossier. NIRAS, januari 2003.
5/ Actua-Flash, Niras, 7 februari 2003
6/ ‘Naar een duurzaam beheer van radioactief afval’, NIRAS, 2002 (www.nirond.be)
7/ ‘Voorstel voor een richtlijn (Euratom) van de Raad inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval’. (COM/2003/0032 def. - CNS 2003/0022)
8/ ‘De provisies en fondsen in de nucleaire sector’. Studie F010315-CDC-024 van de CREG, maart 2001.
9/ ‘Is er een toekomst voor kernenergie in België?’, Johan Eyckman en Guido Pepermans, Samenleving en politiek, november 2003.
10/ “Beheer van de energievraag’ in het raam van de door België te leveren inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen’. Fraunhofer Institute for Systems and Innovation Research, i.o.v. Ministerie van Economische Zaken, mei 2003.
11/ www.marineturbines.com
12/ Energy White Paper, Our energy future - creating a low carbon economy. I.o.v. Department for Transport and Department for Environment, Food and Rural Affairs. U.K.
13/ ‘Rapport van de Commissie voor de Analyse van de Productiemiddelen van Elektriciteit en de Reoriëntatie van de Energievectoren (AMPERE), aan de Staatssecretaris voor Energie en duurzame Ontwikkeling’, oktober 2000 (http://www.mineco.fgov.be/energy )
14/ 'The future of nuclear energy in the European Union’. (speech, Brussel, May 2003). Fernando De Esteban (Deputy Director-General , DG Energy and Transport, EC)
15/ Parlementaire vraag nr. 0066 van 20.11.2000, van D. Schalck

kernenergie - energiebeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 37 tot 46