Log in

Omtrent de misnoegde stad

Het was niet de meest geslaagde beleidsdaad van de Antwerpse monstercoalitie om de Japanse kerselaars in de voortuin van het Museum van Schone Kunsten bij nacht en ontij neer te halen en daarmee een confrontatie met ,,de actievoerders’’ te vermijden, aldus de schepen van Openbare Werken.1 De oude bomen en het parkje moesten plaats maken voor een plein van weer een gerenommeerd ontwerper. De bewoners, die reeds bij de kennisname van de intenties door het stadsbestuur de gordijnen waren ingejaagd, gespten na de nachtelijke wandaad ook hun harnas aan om een protesttandje bij te steken, want ook de intussen geadopteerde majestueuze platanen op de leien zijn bedreigd.

Het protest van de bewoners van de Antwerpse Zuidwijk kan symbool staan voor de vele acties die met de regelmaat van een klok opduiken in de strijd voor een leefbare woonomgeving. Want niet alleen in het door de media belaagde Antwerpen werd en wordt geprotesteerd. In Brugge hadden bewoners enige tijd geleden genoeg van de opdringerige invasie van toeristen en in Gent verhinderde een referendum de aanleg van een ondergrondse parking in het Gentse historische centrum. Verder lopen er bij de Raad van State vele honderden vragen tot vernietiging van bouwvergunningen, bijzondere plannen van aanleg en gewestplannen omdat ze de verlangens van de lokale bewoner zouden negeren.

Ongenoegen

Voor Manuel Castells2, een van de toonaangevende auteurs ter zake, zijn stedelijke protestbewegingen - die sinds de jaren zestig nu en dan de kop opsteken - belangrijke kritische bronnen van weerstand tegen de eenzijdige logica van de kapitalistische economie, het etatisme en de informatie-economie. Volgens hem hebben vele pro-actieve bewegingen, waaronder de arbeidersbeweging en de politieke partijen, blijkbaar gefaald in het bestrijden van economische exploitatie, culturele dominantie en politieke onderdrukking. Er blijft finaal niets anders over dan ofwel een overgave ofwel een reactie op basis van de meest nabije bron van zelfherkenning en autonome organisatie: het lokale. Castells plaatst het ontstaan en voortbestaan - vanzelfsprekend in steeds nieuwe vormen en steeds hersamengesteld - van stedelijke protestbewegingen in de ontstane paradox van een toenemend belang van de lokale politiek in een wereld die door globale processen wordt gestructureerd.
Veel van de bewonersacties zijn behoorlijk hardnekkig, maar ze blijven doorgaans vreedzaam en niet zelden zijn ze doorspekt met de nodige humor en creativiteit. Ze zijn echter ook essentieel defensief, gericht tegen het onvoorspelbare, het onbekende en het oncontroleerbare. Ze zijn vaak ook essentieel ,,middle class’’, want bemand en bevrouwd door beter opgeleide, vaak werkzekere militanten - wat uiteraard hun vaak (semi)intellectuele vertoog verklaart. Er bestaan echter ook andere vormen van protest, vreedzame evenals destructieve. Met de minder vreedzame varianten worden we sinds het begin van de jaren tachtig met de regelmaat van een klok geconfronteerd via televisiebeelden van relschoppende jongeren die in Britse en Franse steden woningen, winkels en gemeenschapsvoorzieningen aanvallen en vernielen. Wijken als Brixton, Toxteth en Les Minguettes zijn door brandende auto’s, kapot gegooide ruiten en gevechten-in-regel tussen jongeren en de politie wereldberoemd geworden.
Een meer vreedzame, maar niet minder kwalijke - want wat sluipende - variant van ongenoegen betreft bij ons de zogenaamde proteststem voor het Vlaams Blok. Het Blok was bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 de grootste partij in alle stedelijke gebieden van de provincie Antwerpen samen, een tendens die zich in meerdere stedelijke gebieden lijkt door te zetten. De opmars van het Blok - die zich ook in de verkiezingen voor de diverse parlementen manifesteerde - maakte een politieke prioriteit van het historisch politieke non-issue dat de stadsvernieuwing in België en Vlaanderen was, toen de uittredende premier Jean-Luc Dehaene het in de verkiezingsnacht van Zwarte Zondag II op de agenda plaatste. In Vlaanderen werd prompt een heuse Minister voor Stedelijk Beleid aangesteld.3

Overgave

Er rest nog een vorm van protest, namelijk de overgave. Sinds de jaren zestig verlaten vele tienduizenden de kernsteden om zich in de groene gordel errond te vestigen, een trend waaraan geen eind lijkt te komen en die zich steeds verder weg van de centra manifesteert. Deze gezinnen suburbaniseren omdat de kwaliteit van het stedelijke woningaanbod ondermaats is: oud, vaak te klein, niet aangepast aan de woonwensen van welstellende mensen. Ze zijn ook verhuisd omdat ze ,,op de buiten’’ een betaalbare stek kunnen vastkrijgen: groot, alleenstaand en statig. Ze lopen weg van het stedelijk lawaai, het niets ontziende verkeer, de vuile lucht en de onzekerheid - want elke dag opnieuw wordt de kwaliteit van de woonomgeving bedreigd. Leden van ,,de tevreden meerderheid’’ zijn immers in staat naar eigen behoefte de private surrogaten te organiseren. Ze zijn verhuisd, gevlucht om met rust gelaten te worden. Dat blijkt vaak een illusie te zijn, want de buurman rijdt met brommend tuig zijn gras af, de auto’s op de nabije autoweg scheren lawaaierig en steeds intenser voorbij en om de haverklap wordt de resterende rust bedreigd met plannen voor weer een nieuwe weg, weer een nieuw bedrijventerrein of een stinkende agro-industriële stal. En ook voor zeer mobiele inbrekers en car-jackers zijn ze niet langer veilig.
Kortom, reacties op of het ongenoegen over ,,leven in en om de stad’’ kennen veel gezichten. Ze maken allen deel uit van eenzelfde logica: die van de opmars en de weerstand van het lokale. De clash van dat ongenoegen wordt uiterst pijnlijk wanneer er geen traditie van stedelijk noch huisvestingsbeleid is, wanneer de overheid met andere woorden onvoldoende daadkrachtige handelingen heeft gesteld die als gevolg hebben gehad dat de leefomgeving er de afgelopen twee decennia daadwerkelijk beter op geworden is. Laat staan dat deze verbetering voor, met of door de bewoners - de klanten, de consumenten - tot stand zou zijn gekomen. Ons land en onze steden kunnen inzake stedelijk beleid nauwelijks een palmares voorleggen. Er zijn momenten van hoop geweest (het herwaarderingsbesluit van de beginjaren tachtig en het huidige sociaal impulsfonds), maar even vaak is het bij hoop en niet ingeloste verwachtingen gebleven.
Historisch hebben onze bestuurders de mensen steeds hun eigen woonproblemen en eigen omgevingsproblemen laten oplossen. Dat breekt nu - wanneer de legitimiteit van de staat op alle niveaus en in vele dossiers, ook al als gevolg van die mondialisering, ter discussie staat - dubbel zuur op omdat een mogelijke buffer, dat is het zichtbare resultaat van succesvolle vernieuwingspogingen annex kwaliteitsbewaking, ontbreekt. Anders gesteld: het breekt zuur op omdat het zichtbare resultaat van het nut van een (stads)politiek ontbreekt, enkele uitzonderingen niet te na gesproken.

Mozaïek

Wie een tocht kriskras door een grote stad en haar ommeland maakt, zal vrij vlug merken dat de oude negentiende-eeuwse buurten of de sociale hoogbouwwijken of de exclusieve woonparken door andere sociale categorieën, andere ‘soorten’ mensen worden bewoond. Doorgaans wonen de hogere inkomensgroepen weg van de kernstad in de groene woonwijken errond. Etnische minderheden wonen in een beperkt aantal oude centraal-stedelijke buurten, waar ook de bejaarden die de welvaartstrein hebben gemist, zijn achtergebleven. Recent is de ruimtelijke scheiding naar gezinstype trouwens verder uitgediept (de autochto­ne gezinnen met kinderen in de suburbane rand rond de stadskernen en alleenstaanden, éénoudergezinnen en samenwonende koppels in de centrumbuurten) en hebben hier en daar enkele stadsbuurten een opwaardering ondergaan. In Gent lijken het Patershol en het Prinsenhof aan een zoveelste leven te beginnen, terwijl ook de omgeving van de Brusselse Dansaertstraat opbloeit en het Antwerpse Zuid bruist, net als de vele megamanisfestaties die er plaats vinden.
Essentieel voor het betoog over woonsegregatie en de concentratie van bijvoorbeeld achterge­stelde bevolkingsgroepen is, via een proces van selectieve migratie, het sturend vermogen van de fysieke aspecten van de woningmarkt. Houden we deze fysieke component constant, dan kunnen gezinnen met kinderen én voldoende financiële middelen nauwelijks elders dan in suburbane gemeenten terecht. Het aanbod aan degelijke gezinswoningen in een aantrekkelijke omgeving is in het centrum van de steden immers uiterst beperkt en dus duur. Omgekeerd vinden alleenstaanden en andere kleine gezinnen (die stilaan de markt domineren) hun gading in de stadscentra met een overaanbod aan kleinere woningen, appartementen en studio’s. Gezinnen en personen met lage inkomens kunnen ofwel terecht (in beperkte mate) in de sociale huurwoningen ofwel in de oude en goedkope voorraad. Aangezien de onderscheiden woningdeelmarkten zich ruimtelijk concentreren, gaan bijgevolg ook degezin­nen en personen met gelijkaardige sociale kenmerken zich in mekaars nabijheid vestigen.

Inkomen

Een evidente factor in het ruimtelijke uitsorteringsproces is de hoogte en de stabiliteit van het inkomen waarover gezinnen kunnen beschikken. De ruimtelijke sociale segregatie is immers overduidelijk ook een scheiding tussen inkomensgroepen, met de hogere inkomens dominant wonend in groene suburbane wijken of, in mindere mate, in enkele exclusieve stedelijke buurten en de lage inkomens in de oudere, kleine en weinig comfortabele woningen. Er kan worden vastgesteld dat vandaag vooral het aantal inkomens voor een breuk zorgt: gezinnen met twee inkomens kunnen zich nog steeds goed en comfortabel in de betere milieus vestigen, terwijl ééninkomensgezinnen of gezinnen met onzekere inkomens naar de inferieure deelmark­ten worden gedraineerd.

Etniciteit

Een laatste sociaal kenmerk betreft de afkomst, de etniciteit. Een combinatie van factoren heeft er toe geleid dat allochtonen geconcentreerd leven. In een eerste fase belet een combinatie van de terugkeergedachte en het sturen van geld naar het land van herkomst een oriëntatie op een betere huisvesting, waardoor ze terechtkomen in de minst aantrekkelijke woningen in de minder aantrekkelijke wijken en buurten van de steden. Wanneer later de gezinnen zich herenigen en het toekomstperspectief wijzigt, verandert de oorzakelijkheid van de concentratie. Het inkomen blijft laag waardoor ze aangewezen blijven op goedkopere woningen in dezelfde buurten. De kettingmigratie zorgt er bovendien voor dat nieuwkomers in dezelfde buurten terechtkomen. Nog later en onder druk van discriminatie die ze op de wo­ningmarkt ondervinden, gaan de migranten over tot de aankoop van hun slechte woning. Dat gebeurt in de buurt waar ze wonen.
De materiële woonomstandigheden mogen dan slecht zijn, het bij elkaar wonen heeft ook een aantal voordelen. Het bestaan, ontstaan en onderhouden van contacten, mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van gelijkgezinden, kan worden gezien als een zeer belangrijk voordeel. Het maakt het leven in de eigen culturele omgeving gemakkelijker en biedt een verdedigend pantser tegen een vijandige samenleving. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat de concentratie van etnische minderheden nog lijkt toe te nemen, enerzijds door inwijken en anderzijds door het verdwijnen van autochtonen. In de grote steden lijkt er zich dan ook een etnisering van bepaalde buurten voor te doen. Er wordt een hele socio-economische en socio-culturele infrastructuur uitgebouwd, die dan weer nieuwelingen aantrekt, zo het bestaande proces versterkend.

Beleid

In het proces van de ruimtelijke uitsortering van bevolkingsgroepen speelt ook de overheid met haar beleid een vooraanstaande rol. Tot 1995 heeft de Belgische noch Vlaamse overheid een expli­ciet stedelijk vernieuwingsbeleid gevoerd. Integendeel, haar activiteiten werkten, ook al was dat dikwijls onbedoeld, de anti-stedelijkheid in de hand. Algemeen gesproken heeft de overheid een eerder passieve houding aangenomen en de maatschappelijke processen ruimtelijk hun gang laten gaan. Op vele ruimteclaims werd vrij instrumenteel gereageerd: bedrijven kregen bedrij­venterreinen, projectontwikkelaars hun verkavelingen en de gezinnen hun alleenstaande nieuwbouwwoning. Als de gevolgen van het gebrekkig ruimtelijke beleid zichtbaar worden, wordt niet gepoogd om dat beleid om te buigen. Dat houdt in dat de overheid het ruimtelijk uitsorteringsproces mee heeft ondersteund. Inzake ruimtelijke ordening voorza­gen de plannen, die er overigens pas kwamen toen de schade was aangericht, voldoende woonzones om breeduit te laten suburbaniseren.
Inzake huisvesting domineerde de ondersteuning van de bouw van nieuwe gezinswoningen, een activiteit die per definitie de suburbanisering en de sociaal-ruimtelijke uitsortering in de hand werkt. Een counterend stadsvernieuwingsbeleid is nooit in voldoende mate van de grond gekomen, terwijl de geringe omvang van de sociale huursector heeft verhinderd dat de over­heid via een toewijzingsbeleid enige greep zou krijgen op de sociale samenstelling van buurten. Door een geprivatiseerde en geïndividualiseerde benadering heeft de overheid haar feitelijke macht over de ruimtelijke ordening en samenstelling van woonbuurten afgegeven.

‘Gevaarlijke’ stad

De stedelijke ontwikkeling, inclusief de ruimtelijke uiteenlegging van de verschillende bevol­kingsgroepen, is ontstaan door het voortdurend dagdagelijks in elkaar haken van de verschil­lende hierboven beschreven factoren. Een laatste element - vandaag misschien wel het sluitstuk van het geheel - betreft het beeld dat gezinnen en personen van de stad en haar buurten hebben en hun eigen positionering daartegenover. Dat beeld is vrij eenvoudig en opgebouwd op basis van stereotypen, die per definitie reducties van de realiteit zijn. Bij een woonplaats­keuze betekent het dat, in functie van de mogelijkheden van het betrokken gezin, de vestiging in bepaalde buurten al dan niet in overweging wordt genomen.
In de regel leidt deze definitie van de situatie tot de conservatie of versterking van een bestaand residentieel patroon. Deze beelden en definities ontstaan via ervaring of via socialisering. Men leert de stedelijke opbouw thuis, via contacten en vroegere woonplaatsen, op school en jeugdbeweging en ook meer en meer via de media. De grote lijnen zijn vrij goed gekend en structureren de eigen keuzes. Daar buurten een grote stabiliteit kennen, komt er vanuit de werking van beelden en definities geen tegenbewe­ging op gang. Wat als goed woonmilieu gedefinieerd wordt, blijft dat doorgaans; wat als te mijden wordt beschouwd, wordt door gezinnen en personen met voldoende middelen gemeden. Te meer daar de gezinnen duidelijke functies aan de buurt toekennen. Een buurt betekent ook sociale status - ,,zeg me waar je woont en ik zeg wie je bent’’. Een buurt moet, vooral in het geval van eige­naars, ook de gedane investering beschermen: elke mogelijke inbreuk, inclusief de inwijking van minder gegoeden door bijvoorbeeld een integrerend sociaal huisvestingsproject, is uit den boze en wordt tegengewerkt.
De algemene beeldvorming ten aanzien van de stad blijft, niettegenstaande een ontluikend stedelijk beleid en een bescheiden opwaardering van bepaalde buurten, nog steeds sterk negatief. Bestaande (oude) anti-stedelijke en dus segregatie-ondersteu­nende definities worden momenteel versterkt. Deze beeldvorming ondersteunt vooral de suburbane woonlocatiekeuzes van tweeverdienende gezinnen, dus van die gezinnen die het financiële draagvlak van de centrale stad uitmaken. In dit discours staat langs de ene kant meer dan ooit de stad met zijn vervallen woningen, zijn vele verloederde en desolate omgevingen en zijn sociale problemen, armoede, criminaliteit en dus onveiligheid. En net als in vele landen was de druk op onze steden om meer aan veiligheid te doen blijkbaar buitengewoon groot. Bovendien moest de neerwaartse spiraal doorbroken worden: meer criminaliteit betekent immers grotere ontvolking, grotere speculatie, meer aantrekking tot marginaliteit, meer criminaliteit.
Tegenover dat negatief beeld staat de als veilige haven gedefinieerde suburbane ruimte, waarmee een reeds diep gekoesterd beeld extra in de verf wordt gezet. Het gevolg is dat zeer velen een veilige, overzichtelijke, bewaakte en homogene buitenwijk met comfortabele huizen willen. Voor de kinderen, vanwege het comfort, omdat het zo handig is in verband met de auto, omdat je er geen rare typetjes tegenkomt. De kloof, die wordt bezegeld met de tegenstelling tussen de homogene cultuur van de buiten­wijken en de gevarenzone van het aloude stadscentrum, neigt uit te lopen op een soort symbolische tweedeling van de sociaal-culturele werkelijkheid. Tegenover de veiligheid en homogeniteit van de privé-wereld in suburbia staat de absolute buitenwereld, het absolute andere. Tegenover de cleane en gezuiverde wereld van het woonerf staat de no-go-area - tegenover goed staat kwaad. Dat lijdt tot vermijdingsgedrag of distantiëring tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

Buurt

De aanpak van problemen in steden wordt sinds jaar en dag gericht op de buurt. Vrij algemeen wordt aangenomen dat deze omgeving een belangrijke rol speelt in de sociale vorming van individuen. De huidige stadsbuurt wordt vaak beschouwd als broedplaats van (potentiële) problemen. Het beleid wil dat tegengaan en grijpt graag terug naar het concept van een buurt als hechte gemeenschap. De onderlinge verbondenheid van buurtbewoners neemt echter af. De oorzaak van deze afname is echter niet, zoals vaak wordt verondersteld, dat mensen niets meer voor elkaar over hebben of minder sociaal en behulpzaam zouden zijn. De oorzaak ligt veeleer in de maatschappelijke structuur, die in toenemende mate keuzemogelijkheden opent voor het naar eigen goeddunken inrichten van relaties met mensen in de fysieke nabijheid in een context van de door de staat georganiseerde solidariteit.
De naoorlogse welvaartsstijging met de technologische vernieuwingen ligt nu aan de basis van een vermindering van het buurtgebruik. Bovendien liet ze toe om een verzorgingsstaat uit te bouwen, waardoor de verzorgingsarrangementen verstaatst werden: de mensen werden minder afhankelijk van anderen. Er werd meer en meer beroep gedaan op formele organisaties, deskundigen en hulpverleners. Meer recent hebben flexibele werktijden, continudiensten en dag- en nachtploegen bij uiteenlopende bedrijven de leefritmes van de buren nog meer gedifferentieerd. Niet iedereen stapt om hetzelfde uur met de broodtrommel de deur uit. Bijna niemand gaat nog te voet naar het werk. Buurt en werk zijn uit mekaar gegroeid. Alleen werkloosheid draagt bij tot een toename van de tijd die weer in de buurt wordt doorgebracht.
Met de stijging van de welvaart zijn we - zeker in België - vrij massaal eigenaar geworden van een eengezinswoning met tuin op een perifeer gelegen kavel. Vanuit het niets werden hele wijken uit de grond gestampt waar huishoudens kwamen wonen die mekaar niet kenden. Elk bouwde zijn eigen woning op een eigen perceel. Ook waar de schaarse sociale woningbouw werd gepleegd, kwamen onbekenden zonder begeleiding naast mekaar wonen. In dergelijke contexten is afstandelijkheid de regel. Globaal gesproken is er dus een verminderde noodzaak om met mekaar om te gaan, waardoor de gangbare nomen en waarden minder vast komen te liggen. Dat betekent niet dat ze er niet zijn, maar ze zijn in elk geval minder duidelijk. Er is minder basis voor sociale onderscheidingen.
Door de toegenomen keuze is de manier waarop mensen hun burenrelaties vormgeven, meer diversiteit gaan vertonen. Zo zijn er buren die weliswaar interdependent zijn (omdat het gedrag van een bewoner nu eenmaal overlast kan geven), maar geen omgang met mekaar hebben. Uit instrumentele overwegingen gaan andere buurbewoners oppervlakkige relaties met elkaar aan. Weer anderen onderhouden verbindingen die een waarde-oriëntiatie aangeven: ze vinden het juist om goed met de buren om te gaan. Weer anderen zijn juist intieme banden aangegaan omdat omgaan met de buren nu niet meer een noodzaak is. En vooral voor mensen die uiteenlopende rollen op verschillende locaties vervullen, heeft de buurt niet meer dan een symbolische betekenis: ze wonen in de buurt omdat ze nu eenmaal ergens moeten wonen.
In de praktische en symbolische zin is het buurtgebruik onder de jonge leeftijdsgenoten, de peers, en de oudere buurtbewoners het grootst. Peers maken door hun leefstijl vaak uitvoerig gebruik van de publieke ruimte en buurtfaciliteiten. In hun sterke lokale oriëntatie privatiseren zij als het ware delen van de publieke ruimte, die zij als van zichzelf beschouwen en die zij betekenis geven. Het zijn vooral de peer groups die zich soms in het uitoefenen van hun dagelijks leven bedreigd voelen door nieuwkomers die eveneens in groep leven. Zo krijgt de buurt betekenis als toneel voor conflicten over de definitie van de symbolische betekenis en over het praktisch gebruik van een bank, een buurthuis, een plein.
Samenvattend is de leefgemeenschap voor steeds meer mensen steeds minder ruimtegebonden, maar steeds meer gerelateerd aan andere rollen: werk, levensstijl, recreatie, netwerken via kinderen. Enkel voor hen die in hun mobiliteit beperkt zijn, kan de buurt in principe nog een soort van community zijn. Dat betreft in hoofdzaak maatschappelijk achtergestelden zoals jongeren, bejaarden, éénoudergezinnen. Of, anders gesteld, de buurt heeft voor de enen meer betekenis dan voor de anderen, wat dan ook de ontvankelijkheid voor beleidsmaatregelen - of het ontbreken ervan - zal doen verschillen.

Belang van wonen

Tot dusver hebben we ons ingelaten met de factoren die het belang van buurten als leefgemeenschap hebben doen afnemen. Toch spelen buurten nog steeds een rol. Reputatie en imago hebben een sterk positief of negatief effect op de waarde van de woningen en de koop- en huurprijzen. Die reputaties hebben hun effect op de tewerkstellingskansen, de kredietwaardigheid en de algemene perceptie van de sociale waarde. We hebben immers allen, zoals reeds gesteld, onze persoonlijke sociale kaart van de stad met daarin geprent de goede en slechte buurten, de buurten die aan opwaardering toe zijn en diegenen die aan vervalprocessen onderhevig zijn. Buurten zijn van belang via het ergens wonen. Wonen verbindt de mensen met hun omgeving en is daardoor de uitvalsbasis naar de samenleving als geheel.
De woning, het wooncomplex en de woonomgeving zijn sferen van sociaal leven waar de in andere fundamentele levensdomeinen verdrongen creativiteit ten minste gedeeltelijk gerealiseerd of hersteld kan worden. Als eigen woningbezit een goede/betere manier, een meer superieure manier van huisvesten dan de sociale huisvesting zou zijn, is dat onder meer omdat materieel bezit een enorme symbolische betekenis heeft verworven voor de ontwikkeling van de sociale en persoonlijke identiteit. Design en eigendomstitel zijn, in deze context, een manier waardoor mensen zichzelf (voortdurend) kunnen uitdrukken. Het is niet moeilijk om te begrijpen dat huishoudens met weinig middelen zich slechts gedeeltelijk in deze zelfverwezenlijking zullen vinden. Evenmin is het verwonderlijk dat personen de woning als object, als finaliteit van hun arbeid zien. Via eigen woningbezit kan dat.
Daaraan tegengesteld kan sociale huisvesting tot het omgekeerde van zelfverwezenlijking leiden. Dat betekent niet dat eigen woning bezit gefetisjeerd moet worden, als zou het op zichzelf tot persoonlijke zekerheid leiden. Dat geldt zeker niet voor eigenaars met een laag inkomen. De stelling is dat de woning, haar fysieke vorm en haar inhoud middelen zijn waardoor individuele en maatschappelijke identiteit kunnen worden verworven door de actieve keuze van het betrokken huishouden. Nu is keuze niet gegarandeerd en niet gelijk voor iedereen. Hier komt de sociale huisvesting in beeld. Vroeger had sociale huisvesting vaak een betrekkelijk hoge sociale status omdat de beter verdienende arbeiders er woonden. Vaak zijn grootschalige woonwijken, zoals bijvoor­beeld Bijlmermeer in Amsterdam, als betere of op zijn minst als doorsneewijken geconcipieerd.

Sociale huisvesting

Wie woont er vandaag in de grootschalige sociale wooncomplexen? Zonder te veralgemenen, kan gesteld worden dat ze vaak verzonken zijn tot een secundaire status, ze herbergen naast een belangrijk aandeel ouderen, de arbeidsreserve. Als het kapitaal herstructureert en elders gaat investeren, zullen mensen gemarginaliseerd worden. Sommigen hebben een minderwaardige job, velen zullen permanent werkloos blijven. Deze mensen hebben geen macht op de woningmarkt waardoor de staat verantwoordelijk voor hun huisvesting wordt. Met andere woorden, personen en gezinnen die marginaal zijn in het productieproces, zien hun marginaliteit gereproduceerd en uitvergroot in de sociale huisvesting. De fysieke vorm symboliseert en versterkt deze vormen van marginalisering. De fysieke vorm - de design om een duur woord te gebruiken - wordt een negatief statement.
Zoveel is duidelijk: grootschalige sociale wooncomplexen, waar ook, worden momenteel gestigmatiseerd. Er ontstaan daardoor territoriale stigma’s. Die werken door op de bewoners en hebben bijgevolg een effect op de beheersbaarheid van de problemen. Stigmatisering is een vorm van communicatie en blijft derhalve niet zonder gevolgen voor hen die de communicatie ondergaan, in casu zij die gestigmatiseerd worden. Dat is niet anders voor gebieden, voor territoria, hetzij steden, hetzij buurten, hetzij sociale woningbouwcomplexen. Dat de stigmatisering aan de gang is, wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door het veelvuldig gebruik van het woord getto in het debat rond sociale marginalisering van de blokken.

Stigmatisering

We volgen voor de inschatting van de effecten van stigmatisering de redenering van de Franse socioloog Loïc Wacquant4, die ingaat op het krachtige effect van territoriale stigma’s op de bewoners van een openlijk gestigmatiseerd gebied als ,,sociale stortplaats’’ voor armen, werklozen en andere sociale buitenstaanders. Wacquants analyse volgt op onderzoek in de Franse probleemcomplexen, de cités, en de Amerikaanse negergetto’s, die veel groter zijn dan onze achtergestelde buurten en daardoor de problematiek wat uitvergroten en duidelijker stellen. Een vergelijking gaat derhalve niet voor honderd procent op, maar het verhaal geeft een beeld van wat zich mogelijk aandient.
De Franse sociale huisvestingscomplexen aan de rand van de steden lijden onder een negatief imago dat hen associeert met criminaliteit, immigratie en onveiligheid. Ze worden gevat als little Chicagos, Harlem of the Bronx. De bewoners hebben het gevoel uitgesloten te zijn en opgesloten in een gedegradeerde ruimte die de collectiviteit afwijst. Het vandalisme van de jongeren en hun verbaal geweld moet worden gezien als een antwoord op het socio-economische en symbolische geweld dat ze ondergaan door in die buurt te wonen. Gestigmatiseerde ruimtelijke segregatie heeft onder meer een negatief gevolg op het vinden van werk, waardoor het bijdraagt tot een aanhoudend hoge werkloosheid in de complexen. De vermelding van de woonplaats werkt bij potentiële werkgevers negatief.
Territoriale stigmatisering beïnvloedt trouwens niet alleen de omgang met werkgevers, maar ook met de politie, de rechtbanken en welzijnswerk. Het ‘verdacht-zijn’ wordt geassocieerd met de woonplaats. Er ontstaan symbolen van stedelijke pathologie, de complexen worden gebrandmerkt en gedemoniseerd. Vandaag wordt het leven in gestigmatiseerde com­plexen in de Verenigde Staten van Amerika gelijkgesteld met sociale ‘onwaardigheid’ en morele inferioriteit. Heel vaak gaat de fysieke component samen met een mindere kwaliteit van de instellingen in de buurt zoals scholen, diensten en andere. Dat wordt voortdurend door de buitenstaanders, de ‘serieuzen’, de ‘goeden’ herbevestigd.

Segregatie

Banken en verzekeringsmaatschappijen vermijden de probleemcomplexen. Er is een concentratie aan welzijns­werkers. Politie staat voor repressie, blanken sturen hun kinderen naar blanke scholen. Wie er niet moet zijn, komt er niet. Het formele en informele sociale kapitaal verdwijnt. Bewoners van probleemcomplexen worden/zijn zich bewust van hun gestigmatiseerde positie en de effecten ervan op hun maatschappelijk functioneren. De enige oplossing is verhuizen. Nu wordt het verwerven van voldoende middelen om dat te doen steeds weer belet door het inherente karakter van de buurt: er is een tendens tot sociale uniformiteit op een laag niveau, er ontstaat een ‘cultuur van segregatie’. Wanneer een cultuur van segregatie is ontstaan, houdt dat in dat de segregatie de structurele voorwaarden heeft gecreëerd voor een cultuur die afkerig staat tegenover werk, school, huwelijk en wordt gekenmerkt door attitudes en gedrag die antithetisch zijn aan succes in de normale economie.
Het is volgens Wacquant essentieel dat het territoriale stigma in de cités zwaarder weegt dan in de getto’s. Vooral dat onderscheid is belangrijk voor het begrijpen van het ongenoegen in Belgische en Vlaamse steden. Dat heeft drie redenen. In de eerste plaats stemt het idee, het feit dat bepaalde bevolkingscategorieën in gescheiden ruimten van (geïnstitutionaliseerde) sociale inferioriteit en sociale immobiliteit (moeten) wonen, niet overeen met de dominante Franse (West-Europese) ideologie van unitair burger­schap en participatie in de nationale gemeenschap. Daartegenover staat dat de raciale component van het zwarte getto zo met het Amerikaanse stedelijke landschap is vergroeid, dat het tot ‘de orde van de ding­en’ is gaan behoren: de raciale scheiding is in de V.S. een vanzelfsprekend geworden component van de organi­satie van de stedelijke economie, maatschappij en politiek.
In de tweede plaats speelt in de Verenigde Staten, ook onder de inwoners van arme buurten, de sterke individualistische ideologie veel meer dan in de cités. Velen beamen het sociaal Darwinistisch gezichtspunt dat de sociale positie uiteindelijk een weerspiegeling is van iemands morele waarde en persoonlijke inzet, zodat niemand ‘gebonden’ is aan de woonplaats (en haar probleemversterkende gevolgen). In de derde plaats speelt de raciale component, terwijl in de Verenigde Staten een combinatie van de raciale en territoriale component geldt. De Franse cité daarentegen is slechts een territoriale eenheid, die een zeer gemengde, multi-etnische bevolking bevat. Het volstaat voor deze inwoners om hun adres verborgen te houden. Er is geen duidelijk cultureel merkteken met de cités te associëren. Jongeren uit deze buurten kunnen probleemloos de stad doorkruisen, wat het effect, de betekenis van het leven in een gestigmatiseer­de buurt versterkt. Het niet vinden van een job, het in aanraking komen met de politie heeft niet zozeer iets te maken met de persoon, maar eerder met de plaats waar ze leven.

Onmogelijke gemeenschap

De aard van de stigmatisering mag dan in beide landen verschillen, het effect is gelijkaardig: het stimu­leert praktijken van interne sociale differentiatie en interne distantiëring die het interpersoonlijk vertrouwen vermindert en de lokale solidariteit ondergraaft. Om een zekere waardigheid en legitimiteit te verwerven, gaan bewoners van de banlieues en getto’s hun eigen morele waarde als individuen overbenadrukken en het dominante discours beamen van afkeuring van hen die profiteren van de sociale programma’s. Het is alsof ze waarde krijgen/winnen door de eigen buurt en buren af te vallen. Ze engageren zichzelf ook in een variëteit van strategieën van sociale distinctie en terugtreden die de cohesie van de buurt ondermijnen. Deze strategieën hebben drie vormen: vermijden, herconstitutie en het maken van interne verschillen, en scapegoating, het zwartmaken van probleemgevallen (migranten, éénoudergezinnen, drugdealers). De bewoners stellen dat ze er door tegenslag aangeland zijn en ze tegen de verspilling zijn van publieke gelden in de buurt, die vanzelfsprekend enkel door anderen worden opgenomen.
Het voorlopig eindstadium is dat de bewoners van de banlieues en de getto’s een volgens Wacquant onmogelijke gemeenschap vormen, waarvan de bewoners niet anders kunnen dan het collectieve ‘van hun zijn, van hun wezen’ negeren/afwijzen en daardoor verplicht zijn strategieën te ontwikkelen die de negatieve beeldvorming door de buitenstaanders bevestigen. Daarmee voeden ze een fatale self-fulfilling prophecy met publieke smet en collectieve schade die eventueel sociaal atomisme, desorganisatie van de gemeenschap en culturele anomie produceert.
Al bij al speelt in gestigmatiseerde buurten een dubbel proces. In eerste instantie speelt een concentratie-effect, wat betekent dat door het samenwonen van achtergestelde gezinnen en personen de kans toeneemt dat de achterstelling van generatie op generatie wordt doorgegeven. In tweede instantie ontstaat door de stigmatisering (omdat eigenlijk niemand in een verdoemd gebied wil wonen) een sociale desintegratie die de interne solidariteit ondergraaft (en daarmee ook de hefbomen voor een gebiedsgericht beleid).

Jongeren

Het voorlopige eindpunt van een marginaliseringsproces brengt een brede waaier aan bevolkingsgroepen samen: ouderen, éénoudergezinnen, veel werklozen, diverse etnische minderen en vooral veel jongeren-zonder-perspectief. Die laatsten vragen extra aandacht, want heel wat buurten - sociale woonwijken, maar ook meer en meer andere - worden met hen geconfronteerd. De perspectiefloosheid en de verveling leiden tot kleine criminaliteit, sommigen eindigen in grote criminaliteit en geweld. Ze stelen uit winkels, breken in auto’s, woningen en werkplaatsen in. Als ze aan de drugs geraken, gaat de criminaliteitsspiraal van kwaad naar erger. Ze geraken betrokken bij de criminele industrieën. Ze veroorzaken hinder in de buurt. Jongeren uit verarmde buurten hebben virtueel geen positieve ervaringen van waaruit ze enig zelfrespect, sociale status of geloof in de rechtvaardigheid van het systeem kunnen accepteren. De enige plaats waar ze zich gerespecteerd voelen, is in de straat- of gemeenschapsgroep. Ze ervaren ook dat zich confor­meren nergens toe leidt.
De sociale orde van een dergelijke buurt kenmerkt zich bijgevolg eigenlijk door aanhoudende spanningen en een bijna permanent conflict tussen jongeren en volwassenen, en vaak ook tussen verschillende etnische groepen. Bovendien wordt de buurt ook steeds weer met externe conflicten geconfronteerd en dan vooral met de politie. Waar, hoe diffuus ook, een sociale organisatie is, zijn er machtsverhoudingen en machtsuitoefening. Er ontstaat ter bescherming van de eigen activiteiten van de peers - de enige echte community in de buurt - een cultuur van de intimidatie, waar niemand aan ontsnapt. Vooral de mobiel zwakkeren zoals ouderen en alleenstaande moeders zijn daar het slachtoffer van.

Stemmen voor het Blok

Tot zover de speurtocht naar de achtergronden van sociale onrust in sterk gestigmatiseerde stedelijke buurten. Ook de bewoners van buurten als de Brugse Poort of Ham in Gent en Stuyvenberg, Dam of delen van Borgerhout in Antwerpen (buurten die massaal voor het Vlaams Blok zijn gaan stemmen) wonen in gestigmatiseerde buurten. Het zijn geen grootschalige complexen van sociale woningbouw, maar oude negentiende-eeuwse, begin twintigste-eeuwse buurten met verhoudingsgewijs veel slechte, kleine en oncomfortabele woningen. In de buurt zien de bewoners vervallen woningen en lege fabriekspanden. Het aantal braakterreinen is er groot, de voetpaden slecht en de pleinen meer niet dan wel onderhouden. De bewoners hebben een laag inkomen en - in deze tijden van immense competitie voor laaggeschoolde jobs - weinig perspectieven.Het beleid laat hen al decennia lang in de kou staan.
Geen enkel stadsvernieuwingsbeleid heeft de kwaliteit van hun woning of het aanzicht van de buurt grondig veranderd. Geen tewerkstellingsprogramma heeft hun op een structurele manier werk en een decent inkomen bezorgd. De overheid lijkt momenteel niet verder te geraken dan ze te bewaken. De bewoners uit de achtergestelde wijken worden dan nog door ,,klasse-genoten’’ bewaakt, want meestal gerecruteerd onder langdurige of jonge werklozen en slachtoffers van faillissementen - uitgestotenen van de plaatsloze economie. In Gent wordt deze ,,bewakingsrite’’ straks gesymboliseerd met een spiksplinternieuw en duur justitiepaleis in/naast een van de armste wijken van Vlaanderen. Een provocatie die kan tellen.
Dat de bewoners van achtergestelde, troosteloze buurten gegriefd zijn door te geringe of verkeerde beleidsaandacht lijkt bijgevolg begrijpelijk. Ze voelen zich verlaten, enkel nog gedoogd. Voor hen is in cyberspace (de ,,plaatsloze’’ samenleving van de elite) en na Maastricht (de ,,politiekloze’’ samenleving) geen plaats noch geld. Dat ze op een of andere manier gaan reageren, spreekt eigenlijk voor zich. Ze reageren met afkeer van de traditionele politiek (die hen liet stikken, zo vinden ze). Ze reageren met xenofobie of racisme (omdat de migranten in hun integratieproces de buurt lijken over te nemen). Ze reageren, gelukkig nog occasioneel, met geweld (de jongeren omdat ze gediscrimineerd, gestigmatiseerd en perspectiefloos leven). Eerder stelden we dat de sociale huisvesting de mensen zonder macht op de woningmarkt ,,opvangt’’. De staat neemt de rol - direct of indirect - over. Ook in de negentiende-eeuwse gordels wonen huishoudens en alleenstaanden die weinig of geen macht op de woningmarkt hebben. Sommigen kopen er een slechte woning om van de willekeur van de particuliere markt verlost te zijn. Anderen (nog vaak een meerderheid) ondergaan die willekeur.
Net als in de gedemodeerde, grootschalige sociale woningbouwcomplexen, symboliseert het wonen in de negentiende-eeuwse gordels de marginalisering. Het ondergaan van het stigma is bovendien nog erger: terwijl in de sociale huisvesting de huur op zijn minst nog inkomens- en prijsgerelateerd is, is dat in de Belgische gordels niet zo omdat de overheid systematisch heeft geweigerd om de particuliere huurmarkt te reglementeren. De bewoners van sociale woningbouwcomplexen hebben dus nog enigszins het gevoel dat de overheid zich om hen bekommert via het aanbieden van betaalbare huisvesting. Niet zo in de oudere negentiende-eeuwse gordels. De overheid faalt er in haar taak om de zwakkeren op zijn minst tegen de willekeur van de markt te beschermen.Vooral voor de oudere buurtbewoners, die er geboren en vooral getogen zijn, is hun langdurig verblijf in de buurt in feite op een symbool van sociale mislukking uitgedraaid, terwijl ze meestal hun hele leven hard hebben gewerkt en bijgedragen tot de welvaart van de staat en de anderen.
De conclusie luidt dat de diepere oorzaken van gewelddadige reacties (in het buitenland) en kiezen voor protestpartijen (in Vlaanderen) identiek zijn. Wat ons land onderscheidt van het buitenland is de opkomstplicht: in de ons omringende landen blijven de potentiële proteststemmers gewoon thuis, bij ons kunnen ze hun ongenoegen democratisch uiten. In die zin kan de proteststem geïnterpreteerd worden als een (laatste) dam tegen de algehele marginaliteit.5

Misnoegde middenklassers

Sinds de economische crisis van de jaren zeventig is onze samenleving naar een nieuw economisch regime toe gegroeid: een regime gestoeld op flexibiliteit, informatica en telematica, een regime met naast een legioen van laagbetaalde flexibele jobs, nieuwe succesberoepen in informatica, reclame en cultuur, een regime ook gesteund op tweeverdienersschap. Het zijn deze processen en sociale groepen die de opwaardering van enkele stedelijke buurten dragen. Wie de atlas van achtergestelde buurten bekijkt, zal zien dat elke grote Vlaamse stad ook behoorlijk grote gebieden heeft met een hoger gemiddeld inkomen en een hoog aandeel tewerkgestelden in bediendenberoepen. Er is bij ons nog nooit uitgevlooid met hoeveel ze zijn, wie het zijn, waarom ze zich in de stad zijn komen vestigen (of waarom ze er gebleven zijn) en wat ze er na al die jaren van vinden.
De nieuwe middenklassers behoren tot de categorie van de drukke huishoudens. Ze hebben niet zozeer een gebrek aan geld (veelal hebben ze een dubbel inkomen, dikwijls gecombineerd met een langere tijd zonder kinderen), maar wel een gebrek aan tijd door de carrière-oriëntatie en de hoge arbeidsmarkt-participatie. Ze pogen tijd te besparen op huishoudelijk werk en verplaatsingen. Dat gebeurt door te monetariseren, geld ,,winnen’’ om tijd te sparen via restaurantbezoek of hulp in het huishouden en door het kiezen van een strategische woonlocatie in de nabijheid van werk en voorzieningen, in een stedelijke omgeving en het liefste in een omgeving met grotere, betere woningen en wat groen.
In ieder geval zijn de nieuwe stedelijke middenklassers doorgaans hoog opgeleid en daardoor mondig, en ze eisen verantwoording van de overheid, die ze - in ruil voor hun via de belastingen en sociale bijdragen georganiseerde mechanische solidariteit - ook als de ,,bewaker’’ van hun woonkwaliteit zien. En in de bedreiging van hun woonkwaliteit ligt hun ongenoegen. In de stad zoeken zij naast zelfontplooiing ook een praktische oplossing voor hun drukke leven. Alles is er bij de hand: werk, cultuur, winkels en (indien nodig) scholen. Maar de nieuwe stadsbewoners nemen een wat dubbelzinnige positie in. Naast een drukke, stedelijke, moderne kant hebben ze ook een suburbane kant in zich. Hun stedelijke woning moet ook identiteit en status bieden (die mogen het liefste niet worden aangetast). Ze is ook behoorlijk duur en dus mag de waarde ervan niet worden aangetast.
Hun woning moet ook rust bieden, misschien zelfs in een meer extreme mate dan de minder drukke suburbane huishoudens. De woning is immers de plaats waar men zich even uit de drukte kan terugtrekken. Elke verstoring van hun beperkte rust wekt ergernis en ongenoegen. In een vogelvrij verklaarde stad loert verstoring overigens permanent om de hoek. Daarmee komen we bij de rol van het beleid, een rol die soms eerder conflictstimulerend dan conflictmilderend lijkt te werken, onder meer omdat de overheid in de ogen van de bewoners steeds lijkt te kiezen voor gesettelde institutionele partners (genre NMBS-Eurostation) of door promotoren beloofde investeringen, jobs en aanzien.

Spartelende overheid

Bekijken we het Belgische of Vlaamse beleid ten aanzien van de stad iets grondiger, dan kunnen we niet ontkennen dat er op geregelde tijdstippen initiatieven zijn genomen. Het totaaleffect is evenwel heel beperkt gebleven. Geïnspireerd door de krottenwet van 1953 kwam stadsvernieuwing in de jaren vijftig en zestig neer op kaalslag: een (beperkt) aantal krottenwijken werd afgebroken en nieuwbouw (vaak hoogbouwflats) kwam in de plaats. Aan herhuisvesting van de bewoners werd niet gedacht. Van die tijd dateert dan ook het begrip ,,saneringsnomadisme’’: geslachtofferde bewoners worden door projectontwikkelaars, plannenmakers en bulldozers achtervolgt telkens ze zich in weer een nieuwe krottenbuurt vestigen. In de jaren zeventig kwam er na protest van de bewoners (de voorlopers van de huidige ,,querulanten’’) een kentering in het beleid. In plaats van kaalslag en nieuwbouw werd renovatie en ,,bouwen voor de buurt’’ de optie. Althans in woorden. Van daden kwam immers weinig terecht. Er kwamen vijf pilootprojecten, mooi verdeeld over Vlaanderen (2), Wallonië (2) en Brussel (1). Op de Brugse buurt na zouden die projecten vrij vlug in een coma geraken. Zo behoort het Mechelse Heembeemd meer dan twintig jaar na zijn benoeming tot pilootproject nog steeds tot de meest achterge­stelde buurten van Vlaanderen.
Geïnspireerd door de Europese stadsvernieuwingscampagne springt ook Vlaanderen in de beginjaren tachtig op de stadsvernieuwingskar. In 1982 komt er dan ook een besluit op de stads- en dorpsvernieuwing. Vele steden en gemeenten schieten in gang en samen bakenen ze, in samenspraak met de bewoners, vele tientallen herwaarderingsgebieden af met het oog op het verbeteren van de woningen en de woonomgeving. In zeer vele, vooral avondlijke stuurgroepvergade­ringen zitten deskundigen samen met bewoners en bestuurders om de plannen uit te werken. Als alles klaar is, is er echter geen geld. Door een langzame wurging verwordt het stadsver­nieuwingsbesluit tot één grote volksverlakkerij. Intussen blijft ,,dat’’: ,,één grote verkrotting, onverstelbaar smerig. Een uitzichtloze chaos, geen planmatigheid of visie. In grote zones staat niet één waardevol gebouw, op een paar oude gemeentehuizen na (...). Kulturele aktiviteiten: minimaal of helemaal niets. Heel wat wijken liggen te wachten op massale sloop, maar er zijn geen uitvoerbare projecten voor’’, aldus Paul Muys in Knack na een lange wandeling in Antwerpse buurten.6
Als in het begin van de jaren tachtig de stadsvernieuwing vanuit ruimtelijke ordening wordt ingevuld, verandert dat naar het einde van het decennium. Als de stadsvernieuwing helemaal verwatert, groeit simultaan doch in andere maatschappelijke circuits de belangstelling voor de stedelijke armoedeproblematiek. Allerlei fondsen ter bestrijding van de armoede zien het licht: de fondsen Lenssens en Vandenbossche en finaal het Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen. Een selectief aantal steden krijgt extra middelen voor een brede waaier aan projecten in de sfeer van vooral tewerkstelling en opleiding. Projectmatigheid domineert en een loodzware bureaucratie beperkt de slagkracht. Naarmate de tijd vordert, dringt ook het veiligheidsdiscours door. Vooral de steden worden bedolven onder veiligheids- en andere contracten. Ze lopen stilaan vol van watchers.

Sociaal Impulsfonds

Met een belasting op de leegstand en verkrotting en het sociaal impulsfonds (SIF) probeert de Vlaamse regering vanaf 1995 opnieuw/nogmaals de leef- en omgevingskwaliteit van de steden te verbeteren. Als Leo Peeters, de Minister voor Stedelijk Beleid, zijn functie opneemt, stelt hij vast dat er van wat voorafging niets structureels is overgebleven: geen wetgeving, geen budget, geen plan, geen administratie. Onder druk van de tijd, maar toch passend in het subsidiariteitsbeginsel, werkt de Vlaamse regering met het SIF een kader uit (een driejarig contract, een convenant ten einde een vergaande bureaucratisering te vermijden) en een budget (veel te klein voor een volledige oplossing, maar veel meer dan voorheen). De inhoudelijke invulling vertrouwt ze in de lijn der nieuwe logica toe aan de lokale besturen. Zij behoren te weten wat er aan de hand is. En daar herhaalt zich het verhaal: geen visie, geen personeel (in Antwerpen worden de kansarmoedefondsen door een v.z.w beheerd), geen keuzes. Diverse zwarte zondagen hebben de steden er blijkbaar niet toe kunnen bewegen echt na te denken over hun toekomst en hun beleid. Dat blijkt bijvoorbeeld overduidelijk in Antwerpen: 800 pagina’s zou het monstercollege op het bureau van de minister doen belanden, 800 pagina’s met projecten, de optelsom van de individuele verlanglijstjes van de individuele departementen. Het is zoals raadslid De Ranter stelt: ,,Dit is de deur openzetten voor Sinterklaaspolitiek’’.7
Het gebrek aan visie, bovendien niet gespeend van de nodige deskundigheid, leidt niet alleen tot een onsamenhangende boodschappenlijst. Niet zelden staan er gewoon potsierlijke voorstellen op de lijst, wat de ernst van de situatie negeert. Je zou zowaar vergeten dat het Vlaams Blok de grootste fractie in het Antwerpse stadshuis is. Het stedelijk beleid wordt in heel Vlaanderen ook te veel welzijnsbeleid en te weinig een bakstenenbeleid. Er wordt geïnvesteerd in de software, maar de hardware (woningen, ruimten voor bedrijvigheid, het openbaar domein) wordt doorgaans vergeten. De krotten dreigen daardoor nog lang krotten te blijven, braakterreinen zullen nog lang braakterreinen blijven, de kankerplekken blijven kankerplekken en wat woonstraten zouden moeten zijn, blijven de verkeersstraten. Net dat wat de bewoners het meeste ergert.
Intussen ondergaat de stad de dynamiek van de economische herstructurering. Potentiële investeerders, bonafide en andere, zwaaien met de geldbeugel en vele plannen die verwezenlijkt zouden moeten worden opdat de stad de hogesnelheidstrein naar de toekomst en de complete stad niet zou missen. Maar doordat steden zelf de keuzen niet maken, doordat ze zelf niet zeggen wat ze waar willen, is elke plek een potentiële investeringsplek. Elke buurt is dus vogelvrij, ook de buurten die eigenlijk woonbuurten zouden moeten zijn. Dat betekent dat interessante buurten om de haverklap geconfronteerd worden met een project van een nieuwe cultuurpaus-in-spe of maatpakkenmanager. Dat het doorgaans luchtkastelen zijn, maakt niet uit. Elke lege plek van enige omvang is een potentiële plek voor spektakel, met alle overlast van dien. Het niet maken van keuzes maakt van de hele stad een oord voor speculatie die de rust van de bewoners verstoort. Het is nooit anders geweest.

Conclusie

Bovenstaand verhaal poogt het stedelijk ongenoegen te plaatsen. Na allereerst te hebben aangegeven dat er vele soorten ongenoegen zijn, hebben we gesteld hun oorsprong te situeren in de economische herstructureringen en het ontstaan van een two track society.8 Afhankelijk van de middelen, de sociale vaardigheden, de graad van ergernis en het perspectief wordt anders gereageerd naarmate men op een verschillende track zit. Zijn het perspectief en de middelen beperkt, dan stijgt de kans op gewelddadige uitbarstingen en proteststemmen. Heeft men perspectief en middelen, dan vertrekt of organiseert men het protest via een veelheid van acties, gaande van petities over sit-ins tot de verzameling van handtekeningen voor referenda of de organisatie van straten-generaals.
De overheid zit tussen twee vuren. Enerzijds moet ze rekening houden met de verzuchtingen van haar welstellende inwoners, want die zorgen voor haar financieel en sociaal draagvlak. Anderzijds moet de overheid de stad inschakelen in de nieuwe plaatsloze economie en kan ze potentiële investeerders in principe niet afschepen, want zij brengen mogelijks jobs, aanzien en inkomsten. Op zich hoeft een keuze voor economische ontwikkeling geen keuze tegen de stadsbewoners te zijn, op voorwaarde dat de overheid keuzes maakt. Een keuze over de plaatsen waar ze investeringen voorziet en een keuze voor wijken, voor buurten waar wonen domineert en moet blijven domineren - want niet alle functies zijn met alle andere mengbaar.
Wie de reacties van vele stedelijke overheden op protestacties bekijkt, moet besluiten dat vele bestuurders hun inwoners soms als een vijand zien, terwijl de inwoners toch vaak gelijk hebben. Een hoogbouw in de tuin heeft bijvoorbeeld effect op de bezonning, een concertzaal of ondergrondse parkeerplaats trekt verkeer aan en bomen hebben vele jaren nodig om volwassen te worden. Is het verdict van dit verhaal dan onverbloemd negatief voor de bestuurders? Neen. Om te beginnen kunnen we de huidige bestuurders niet verwijten wat hun voorgangers niet hebben gedaan. We kunnen hun evenmin verwijten dat de ruimtelijke planners op dit ogenblik ook weinig bruikbare oplossingen bieden voor de stedelijke problematiek in het algemeen (in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zijn de steden niet meer dan zwarte gaten) of de verkeersproblematiek in het bijzonder (stedelingen lijken geen auto te mogen hebben en moeten daardoor ellenlang rondrijden voor een parkeerplaats).
Uiteindelijk zijn ook de bewoners niet zonder fout. Zij beoordelen de immense complexiteit van een besluitvormingsproces met vele onvermijdelijke partners en belangen vaak/meestal verkeerd, evenals het tempo van verwezenlijkingen (in tijden van financiële schaarste). De herstructurering van de vervallen buurten en het leefbaar houden van de betere buurten is een werk van lange adem. Daarenboven zijn er ook functies (een tramlijn, de inplanting van een bedrijvencentrum of een gerechtsgebouw) die van een bovenbuurtbelang zijn. Die moeten er komen. Essentieel is niet de discussie over de verwezenlijking van dergelijke projecten, maar wel dat over de uitvoeringsmodaliteiten met de buurt wordt gediscussieerd en dat terechte verzuchtingen worden gehonoreerd. Heel wat conflicten ontstaan nu eenmaal omdat het debat wordt gesmoord. Al te vaak stellen hooghartige stedelijke ambtenaren dat je het ongemak - dat zogezegd eigen is aan de stad - maar moet kunnen verdragen.

Noten
1. De Nieuwe Gazet, 28 oktober 1998.
2. Castells, M., _The information age: economy, society and culture. Volume 2: The power of identity
. Oxford: B. Blackwell 1997. Zie eerder: Castells, M., The city and the grassroots. A cross-cultural theory of urban social movements. London: Edward Arnold 1983.
3. Zie o.a. De Decker, P., Hubeau, B. en S. Nieuwinckel, In de ban van stad en wijk. Berchem: Epo 1996.
4. Wacquant, L. (1992): “Banlieus françaises et ghetto noir américain: de l’amalgame à la comparison”, in: French Politics and Society, vol. 10, nr. 4; Wacquant, L. (1994): “The new urban color line: the state and fate of the ghetto in post-Fordist American”, in: Calhoun, C. (ed.): Social theory and the politics of identity, Oxford, B. Blackwell, p. 231-276; Wacquant, L. (1996): “Red belt, black belt: racial division, class inequality and the state in French urban periphery and the American ghetto”, in: Mingioni, E. (ed.): Urban poverty and the underclass. A reader, Oxford, B. Blackwell, p. 234-275; Wacquant, L. (1997): “Three pernicious premises in the study of the American ghetto”, in: International Journal of Urban and Regional Research, vol. 21, nr. 2.
5. Het is terzake illustratief dat voor het referendum tegen de aanleg van de Belfortparking in Gent, de opkomst in de zogenaamde kansarme buurten (via de kenmerken opleiding, beroepsstatus en inkomen) lager was dan daarbuiten. Zie: Buelens, J., Hooghe, M. e.a.: Leren van Gent. Deel 2: een sociografie van de deelnemers aan de volksraadpleging over de Belfortparking in Gent. Vakgroep Politieke Wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel 1998.
6. Knack, 17 januari 1996.
7. Belga, 13 maart 1999.
8. Oude Engberink, G., “Armoede, de stad en Europa”, in: _Sociaal Bestek
, nr. 5, 1994.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 7 (september), pagina 9 tot 24