Log in

Gebelgd

redactioneel

Amerikanen zijn niet erg goed in rekenen. Het gehannes en geharrewar rond de stembusslag bij de recente presidentsverkiezingen nopen immers tot de conclusie dat in de grootste democratie ter wereld één plus één niet altijd twee is. Afhankelijk van plaats en tijdstip kan deze eenvoudige optelsom tot de volgende eindresultaten leiden: drie, een, vier of, heel soms ook twee. Niet alleen kunnen Amerikanen niet tellen, zij behelpen zich klaarblijkelijk ook met verouderd alaam om hun verkiezingen te organiseren: de ponskaart, een informatiedrager die menig, iets oudere lezer zich nog zal herinneren uit de tijd dat hij zijn theoretisch rijexamen heeft afgelegd. Ondingen inderdaad, wegens een gepruts van jewelste.
Alle gekheid op een stokje, het geknoei met de stembrieven in ten minste één deelstaat (Florida) is een kwalijke zaak. Zij ontneemt de grootste democratie ter wereld immers het moreel gezag om het gebrek aan plebisciterend karakter van buitenlandse verkiezingen aan de kaak te stellen. Stembusfraude in Verweggistan? De repliek ligt dan voor de hand: eerst toch maar even voor eigen deur vegen, mijnheer de president … .
Het hoge operettegehalte van deze presidentsverkiezingen verhindert wel een klare kijk op het reële belang ervan. De laatste weken staan de kranten vol van, haast bijbelse, onheilsberichten; meer klimaatschommelingen, meer stormen en windhozen, smeltende poolkappen en overstromingen, de tijd lijkt wel rijp om voldoende proviand in te slaan en hoger gelegen gebieden op te zoeken. Liever dan het gedrein van twee kandidaten om, liefst zo snel mogelijk, tot president te worden gekroond, had ik van beide heren wat meer ideologie verwacht rond de meest recente milieu-ontwikkelingen. Al Gore lijkt op dit vlak op zijn minst een fietslengte voorsprong te hebben. Hij onderkent in ieder geval het belang van een coherent en doorgedreven milieubeleid terwijl het credo van Bush veeleer luidt: “lozen die afval”. Texas, de thuisbasis van Bush, is dan ook de meest vervuilde der éénenvijftig deelstaten.

Van de Amerikaanse presidentsverkiezingen naar de Belgische gemeenteraadsverkiezingen, het is maar een kleine stap. Heden zijn in de meeste gemeenten de coalities gevormd, de bestuursakkoorden geschreven. In een aantal gemeenten waren de coalities reeds gevormd en de bestuursakkoorden reeds geschreven vóór de verkiezingen, maar dit geheel terzijde. Niet zo in Antwerpen waar men niet uit de impasse geraakt, ontstaan na nogmaals een verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok. Men zou nochtans mogen verwachten dat de Antwerpse bestuurslui ook dit scenario hadden voorzien zodat niets een daadkrachtig en trefzeker optreden in de weg zou staan. Het gekibbel en het eigen grote gelijk van de protagonisten verhinderen evenwel een snelle repliek. De Antwerpenaar staat erbij, kijkt ernaar en denkt volgende keer wellicht nog meer “ander en beter”. Het is trouwens opmerkelijk hoe lethargisch de gemiddelde Antwerpenaar de recente verkiezingsuitslag benadert: wanneer in 1991 bij de parlementsverkiezingen één op vier Antwerpenaren op het Vlaams Blok stemde, reageerde de goegemeente geschokt. Vandaag stemt één op drie Sinjoren Blok. In 1991 werden badges opgespeld die de politieke correctheid van de dragers moesten aantonen. Charta 91, een intello-artistiek collectief van goede bedoelingen, werd opgericht, net zoals Objectief zoveel-honderdduizend, een petitieactie waarmee men evenveel handtekeningen wenste te verzamelen als er Vlamingen op het Blok hadden gestemd. Er werd Hand in Hand betoogd en postercampagnes ter ere van de democratie sierden alle publieke plaatsen. Mark Elchardus omschreef deze gedragingen in zijn essay “Zwarte zondag verwerken: een sociaal-religieuze analyse van 24 november” als publieke zuiveringsrituelen: men toonde zich geschokt en wenste hiervoor, al dan niet plaatsvervangend, boete te doen. Vandaag echter valt vooral de algehele stilte op. Er is blijkbaar geen nood meer aan publieke zuiveringsrituelen. Ook bij deze overweging kunnen de Antwerpse coalitie-onderhandelaars beter even stilstaan. De gemiddelde man/vrouw van ’t stad vindt het Blok al lang niet meer de partij van hel en verdoemenis. Langer talmen is dan ook funest.

Inmiddels heeft in Nederland een Turk in zijn gevangeniscel de dagen gevuld met het turven van discriminerende verwijzingen naar zijn nationaliteit, wat onmiddellijk de relativiteit van alle voorgaande problemen duidelijk stelt. Het betreft hier ontegenzeggelijk een majeur probleem van discriminatie. Als het aan betrokkene ligt is het voortaan verboden na een aanrijding nog op te merken dat de tegenpartij “toch wel reed als een echte Turk”, wat volgens het groot woordenboek der Nederlandse taal Van Dale evenveel als “slecht rijden” betekent. Bij dergelijke opmerking bestaat altijd het gevaar dat de tegenpartij ook “aangaat als een Turk”, wat volgens diezelfde bron “heftig uitvaren, razen, tieren” betekent. Dat mag dus niet meer.
Ik voel me gebelgd.

Samenleving en politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 9 (november), pagina 1 tot 2