Log in

Oude wijn in nieuwe vaten?

Vrouwen in het Vlaams Parlement

Hoe nieuw is het nieuwe Vlaams Parlement? Ontsnapt dit kakelvers parlement met haar nieuwe politieke cultuur, waar het zo graag prat op gaat, aan de klassiekers inzake de man-vrouwverhoudingen? Doet het Vlaams Parlement het beter dan wat uit buitenlandse onderzoeken blijkt? Of is het gewoon oude wijn in een nieuw vat?

In die verschillende onderzoeken werden problemen in kaart gebracht die vrouwelijke parlementsleden ondervinden tijdens het uitoefenen van hun parlementair mandaat. Zo zijn vrouwelijke parlementsleden steevast in de minderheid in het parlement waarin ze zetelen; ze bekleden in een parlement zelden leidinggevende posities zoals parlements-, commissie- of fractievoorzitter; ze zetelen voornamelijk in de ‘zachte’ en ‘onbelangrijke’ commissies en ook de politieke cultuur zou niet openstaan voor hun inbreng en in een aantal gevallen zelfs blijk geven van vrouwonvriendelijk gedrag.

Deze en andere vragen lagen aan de basis van het onderzoek Het Vlaams Parlement, Nieuwe Politieke Cultuur en het potentieel voor een valorisering van het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in de politieke besluitvorming.1Aan de hand van kwalitatieve diepte-interviews met 44 parlementsleden (evenveel mannelijke als vrouwelijke) en een enquête gericht aan alle leden van het Vlaams Parlement (respons 75 %) werd de driehoeksverhouding Vlaams Parlement, nieuwe politieke cultuur en de positie van vrouwelijke parlementsleden onderzocht. Even onderstrepen dat het onderzoek betrekking heeft op de allereerste legislatuur van het rechtstreeks verkozen Vlaams Parlement (1995-1999) en dus zeer actuele en nieuwe inzichten bijbrengt over dit regionale parlement.

De opvattingen van de leden van het Vlaams Parlement over de cultuur en de structuur van hun parlement en zijn belangrijkste vergaderingen, de activiteiten van de parlementsleden, hun opvattingen over de sekseverschillen in het Vlaams Parlement en over de Nieuwe Politieke cultuur werden zorgvuldig in kaart gebracht. In deze bijdrage worden een aantal van de onderzoeksresultaten bij elkaar gebracht in een antwoord op de vraag of het voor vrouwelijke politici goed vertoeven is in het Vlaams Parlement.

Hoge verwachtingen

Er is een aantal factoren op basis waarvan een gunstige situatie voor vrouwen in het Vlaams Parlement kan worden voorspeld. Ten eerste werden in 1995 de leden van het Vlaams Parlement voor het eerst rechtstreeks verkozen en in 1996 betrokken zij een eigen gebouw. Het Vlaams Parlement is dus op verschillende vlakken een nieuw parlement en men zou er vanuit kunnen gaan dat op dat moment ook gebroken wordt met oude zeden en gewoonten, misschien ook op het vlak van geslachtsverhoudingen in de politiek. Ten tweede behoren de zogenaamde persoonsgebonden materies zoals cultuur, onderwijs en welzijn tot de bevoegdheden van het Vlaams Parlement. Die sluiten nauw aan bij wat men traditioneel als de ‘vrouwelijke thema’s’ beschouwt.

In het Vlaams Parlement doet zich echter het heel specifieke fenomeen voor dat deze zachte thema’s allesbehalve de onbelangrijke thema’s zijn. Wat betreft status en budget zijn onderwijs, cultuur en welzijn de belangrijke bevoegdheden van het Vlaams Parlement. Ten derde zou het Vlaams Parlement voor vrouwen een gunstige politieke plaats kunnen zijn, omdat het een regionaal karakter heeft. Het staat iets dichter bij de burger en heeft een ander imago dan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar de harde politieke debatten rond justitie, financiën en defensie plaatsvinden. Vaak gaat men ervan uit dat het politieke niveau dat dichter bij het leven staat, vrouwen sterker zou aanspreken.

Ten slotte wekten ook de vernieuwingen die in het kader van Nieuwe Politieke Cultuur (NPC) in het Vlaams Parlement werden doorgevoerd, hoge verwachtingen.2 Er bestaat een nauwe verwevenheid tussen het NPC-debat en de politieke eisen van de vrouwenbeweging, zowel historisch als inhoudelijk. Een van de vele actieterreinen van de vrouwenbeweging (Tweede Golf) was het aandeel van de vrouw in de politiek. De vrouwenbeweging ijverde (en ijvert nog steeds) voor meer vrouwen in de politiek omdat dit een kwestie van rechtvaardigheid is, maar ook omdat sommigen ervan overtuigd waren dat vrouwen een verschil kunnen bewerkstelligen in de politieke cultuur, de organisatiecontext, de leiderschapsstijl en in de politieke agenda. Zodoende is van de maatregelen die in het kader van de NPC in het Vlaams Parlement werden geïntroduceerd, te verwachten dat ze een gunstig klimaat voor vrouwen creëren.

Waar zitten ze?

Gezien dit veelbelovende uitgangspunt zijn de cijfers met betrekking tot het aantal vrouwen in het Vlaams Parlement eerder teleurstellend. Het aantal vrouwen in het Vlaams Parlement tijdens de legislatuur 1995-1999 bedroeg 17,7 %. Op de Senaat en het Europees Parlement (beide parlementen met ‘beperkte macht’) na, heeft het Vlaams Parlement met 17,7 % vrouwen daarentegen wel het hoogste percentage vrouwelijke parlementsleden tijdens de legislatuur 1995-1999 en zit het boven het Europese gemiddelde van 14,3 % (1998). Anderzijds ligt het percentage vrouwelijke parlementsleden in het Vlaams Parlement onder het Europees gemiddelde voor de regionale parlementen dat in 1999 22,3 % bedroeg.3
Kortom, het aantal vrouwen in het Vlaams Parlement is niet uitzonderlijk hoog. Bovendien deden zich met betrekking tot de positie van de vrouwelijke parlementsleden in het Vlaams Parlement twee klassieke fenomenen voor: die van de verticale en de horizontale gettovorming. De vrouwelijke parlementsleden waren geconcentreerd in de commissie voor Welzijn, Gezondheid en Gezin (40 % vrouwen), de commissie voor Cultuur en Sport (40 % vrouwen), de commissie voor Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid (27 % vrouwen) en de werkgroep voor Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen (67 % vrouwen).

Deze keuze van vrouwelijke parlementsleden voor dergelijke ‘zachte’ commissies was, zo werd in verschillende buitenlandse studies aangetoond, problematisch omdat het ook de minst belangrijke commissies waren. Door hun keuze werden vrouwen met andere woorden gemarginaliseerd binnen het parlement. Dit is in het Vlaams Parlement hoegenaamd niet het geval. Zo werd de commissie voor Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid (met 27% vrouwen) beschouwd als de commissie met de meeste impact.

Slechts twee van de bovenvernoemde commissies (én de werkgroep gelijke kansen) hadden tijdens de voorbije legislatuur een vrouwelijke voorzitter. Met andere woorden slechts 13,3 % van de commissievoorzitters was van het vrouwelijke geslacht, terwijl 17,7 % van de leden van het Vlaams Parlement van het vrouwelijk geslacht was tijdens de voorbije legislatuur. Op dit niveau is er dus een kleine discrepantie tussen het aantal vrouwelijke parlementsleden en het aantal vrouwelijke commissievoorzitters. Dat valt grotendeels te verklaren door het hoge aantal nieuwkomers onder de vrouwelijke leden (met name 68,1 % van de vrouwelijke leden bekleedde voor het eerst een parlementair mandaat tegenover 31,3 % van de mannelijke parlementsleden). Bovendien zetelde er in het Vlaams Parlement slechts één vrouwelijk parlementslid in het Vast Bureau en waren alle fractievoorzitters mannelijk.

Probleem

Ondervinden vrouwelijke parlementsleden specifieke problemen tijdens het uitoefenen van hun mandaat? Om een antwoord op deze vraag te formuleren zijn we op zoek gegaan naar eventuele problematische momenten in de dagelijkse uitoefening van het mandaat die hinderend voor vrouwelijke parlementsleden zouden zijn. We overlopen enkele van de onderzoeksresultaten en blijven wat langer stilstaan bij specifieke knelpunten voor vrouwelijke parlementsleden.
De overgrote meerderheid van de leden van het Vlaams Parlement was tevreden met het feit dat men in het Vlaams Parlement zetelde. Vooral de vrouwelijke parlementsleden benadrukten dat de materies die ze in het Vlaams Parlement konden behandelen hun de mogelijkheid boden om de band te onderhouden met wat concreet leeft bij de bevolking. Vrouwelijke parlementsleden kozen dan ook voor die commissies met een concrete thematiek die een aansluiting met de bekommernissen van de burger mogelijk maakte.

Vrouwelijke parlementsleden stonden ook positiever ten aanzien van het systeem van de hoorzittingen dan hun mannelijke collega’s. Het voordeel van hoorzittingen was volgens hen dubbel: men verkrijgt een goed beeld van de behandelde problematiek en men slaagt erin de doelgroep bij het beleid te betrekken. Er werden geen aanwijzingen gevonden dat vrouwelijke parlementsleden benadeeld zouden worden in hun contacten met de ambtenaren verbonden aan het Vlaams Parlement of door het Vast of Uitgebreid Bureau van het parlement.

Kritiek

In vergelijking tot hun mannelijke collega’s hadden de vrouwelijke parlementsleden daarentegen meer kritiek op de vergadertijdstippen en -frequentie. Vrouwelijke parlementsleden ervaarden de tijdstippen van vergadering, het hoge aantal vergaderingen en het niet respecteren van de vastgestelde begin- en einduren van de vergaderingen als hinderlijk. De verklaring hiervoor ligt naar alle waarschijnlijkheid in de commissies waarvan de vrouwelijke parlementsleden lid waren, die onder andere gekenmerkt werden door een hoog aantal vergaderingen en vergaderuren. Die hoge werkdruk botste bovendien met de vaststelling dat het organiseren van kinderopvang veel vaker dan bij de mannelijke parlementairen de taak van de vrouwelijke parlementsleden was. De combinatie politiek mandaat en kinderlast is en blijft een moeilijke zaak voor vrouwen.
Ook de werkcultuur in het Vlaams Parlement lag de vrouwen wel.

Mannelijke én vrouwelijke parlementsleden ervaarden de werksfeer in het Vlaams Parlement als zeer positief, constructief, open en consensusgericht. Volgens de ondervraagde parlementsleden leefde er in het Vlaams Parlement een grote collegialiteit. Onder de vrouwelijke parlementsleden onderling werd een meer persoonlijke relatie en (partijgrensoverschrijdende) solidariteit vastgesteld. De opvatting over de rol van de oppositie van de vrouwelijke parlementsleden ligt in het verlengde hiervan. Leden van de oppositie dienden zich volgens hen niet op de eerste plaats toe te leggen op het leveren van kritiek op de meerderheid maar moesten zich maximaal inschakelen in het besluitvormingproces om zaken te verwezenlijken. Vrouwelijke parlementsleden waren tevreden met de debatcultuur in het Vlaams Parlement die als concreet, zakelijk-technisch en weinig partijpolitiek geladen werd getypeerd. Een aantal mannelijke parlementsleden betreurde daarentegen de afwezigheid van ‘politiek vuurwerk’ in het Vlaams Parlement.

Partijcultuur

Een van de belangrijkste obstakels voor vrouwen om het te maken in de politiek is de partijcultuur. Was dat ook het geval in de politieke fracties in het parlement? Neen, vrouwelijke parlementsleden voelden er zich niet door benadeeld. Zij vonden de sfeer er goed, vonden hun fractie toegankelijk en voelden er zich niet door gecorrigeerd. Mannelijke parlementsleden lieten zich met betrekking tot deze punten overigens veel vaker negatief uit. Vrouwelijke parlementsleden kenden aan hun fractie wel een andere functie toe binnen hun parlementaire werkzaamheden.
Naast de standpuntbepaling (en de taakverdeling) lag de functie ervan voor de vrouwelijke parlementsleden voornamelijk op het vlak van het verkrijgen van steun en van informatie. De mannelijke parlementsleden benadrukten sterker dat het de band met de partij vormde. Vrouwelijke leden stonden ook meer open voor afwijkend stemgedrag; mannelijke parlementsleden voelden zich sterker gebonden door wat in de fractie werd beslist.

De hypothese dat vrouwelijke parlementsleden negatiever staan ten aanzien van de plenaire vergadering omdat vrouwelijke parlementsleden over het algemeen minder participeren aan activiteiten die publiciteit en zichtbaarheid opleveren, lijkt bevestigd te worden door de onderzoeksgegevens voor de leden van het Vlaams Parlement. Vrouwelijke parlementsleden waren negatiever over de werking en de vergaderstijl in de plenaire vergadering.
De conclusie van deze probleemgerichte analyse is dat vrouwen het in het Vlaams Parlement meestal goed stellen. Het aantal en de slaagkansen van de parlementaire initiatieven bevestigt deze vaststelling.4 Vrouwelijke parlementsleden namen zelfs opvallend meer parlementaire initiatieven dan hun mannelijke collega’s. Tijdens de voorbije legislatuur werden er door vrouwelijke parlementsleden gemiddeld 235 initiatieven genomen; voor mannen bedroeg dat gemiddelde 172. Er deden zich ook geen opvallende verschillen voor in slaagkansen van ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ initiatieven. Schriftelijke en actuele vragen, voorstellen van resolutie en van decreet hadden een even grote slaagkans in het geval van een vrouwelijke ondertekenaar als van een mannelijk signatuur.

Plaats voor verschil?

De vraag of het Vlaams Parlement voor vrouwelijke parlementsleden potentieel biedt, kan op twee manieren geïnterpreteerd worden. Men kan die vraag minimalistisch benaderen en afvragen of de vrouwelijke leden van het Vlaams Parlement specifieke problemen ondervinden tijdens het uitoefenen van hun mandaat. In bovenstaande paragrafen hebben we aangetoond dat dit niet het geval is.
Men kan echter nog een stapje verder gaan en zich afvragen of het Vlaams Parlement ruimte laat aan haar vrouwelijke leden om eigen accenten te leggen. Laten we hierop wat verder ingaan. Eerst zullen we het hebben over de inhoud van hun parlementaire werk en vervolgens over de visie of ‘roloriëntering’ van de vrouwelijke parlementsleden in vergelijking met hun mannelijke collega’s.

Andere inhoud

Tabel 1: Thematische domeinen waarin de mannelijke parlementsleden actiever zijn dan de vrouwelijke parlementsleden (verschil groter dan 20%). Vlaams Parlement (1995-1999)

Tabel 2: Thematische domeinen waarin de vrouwelijke parlementsleden actiever zijn dan de mannelijke parlementsleden (verschil groter dan 20%). Vlaams Parlement (1995-1999)

Mannelijke parlementsleden bleken op dertien thema’s actiever te zijn dan hun vrouwelijke collega’s. De vrouwelijke parlementsleden waren actiever in 8 thematische domeinen.5 Deze verschillen op het vlak van de inhoud van de parlementaire initiatieven zijn erg traditioneel te noemen. Mannelijke parlementsleden waren opvallend actiever in ‘harde’ thema’s zoals energie, rechtspraak, sport en financiën. Vrouwelijke parlementsleden spitsten zich toe op de ‘zachte’ onderwerpen zoals vorming, taal, welzijn, Vlaamse geschiedenis en gezondheid.
Dat houdt ook in dat er in een aantal commissies een nogal stereotiepe taakverdeling tot stand kwam. Een zeer duidelijk voorbeeld daarvan is de Commissie Cultuur en Sport. Het onderwerp Cultuur werd voor 61,7 % door vrouwelijke parlementsleden opgenomen tegen 38,3 % door hun mannelijke collega’s. Voor het thema Sport was deze verhouding omgekeerd: 72,9 % van de initiatieven rond Sport werd door mannen genomen tegen slechts 27,1 % door vrouwelijke parlementsleden. Bovendien bleek uit de interviews dat zelfs binnen een bepaald thema mannen de meer technische zaken voor hun rekening namen terwijl vrouwen zich eerder bogen over de maatschappelijke en sociale aspecten.

Vrouwenbelangen

En wat met de vrouwenbelangen? Is dat ook exclusief vrouwelijk territorium? Het hoge aantal vrouwelijke leden van de Werkgroep Gelijke Kansen (10 van de 15 effectieve leden zijn vrouwen, dat is 67 %) lijkt alvast een positief antwoord te suggereren. Volgens de meeste parlementsleden was het inderdaad zo dat wanneer er zich discriminaties voordoen ten aanzien van vrouwen, het de vrouwelijke parlementsleden waren die daar aandacht voor vroegen. De vrouwelijke parlementsleden hadden met andere woorden een voorbeeld- en een voortrekkersfunctie.
De aanwezigheid van vrouwen voor de verdediging van vrouwenbelangen was volgens sommigen cruciaal. Het was een aanvaarde praktijk, behalve wanneer het om zogenaamde radicale vrouweneisen ging, zoals een vrouwelijk parlementslid het uitdrukte. Daarmee bedoelde ze eisen zoals de gegarandeerde vertegenwoordiging van vrouwen op kandidatenlijsten en in adviesraden en de vraag naar financiering van de vrouwenwerkingen van de verschillende partijen. Opvallend is wel dat veel parlementsleden (ook de mannelijke) hier verandering in wilden zien en dat ook mannelijke mandatarissen in de toekomst oog zouden moeten hebben voor specifieke vrouwenbelangen.

Andere visie

Hebben vrouwelijke parlementsleden een andere visie op het parlement, het parlementair mandaat en (de taak en rol van) het parlementslid? Op een aantal punten stelden we inderdaad verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke parlementsleden vast. Zo merkten we een verschil in de ‘vertegenwoordigende stijl’, dat is de manier waarop de parlementsleden de belangen van hun achterban meenden te moeten vertegenwoordigen. De helft van de leden van het Vlaams Parlement trachtte op verschillende manieren steeds de wil en belangen te kennen van de groepen die ze meenden te vertegenwoordigen.
Met andere woorden, de helft van de Vlaamse parlementsleden kon worden beschouwd als een delegate (afgevaardigde) die een relatief ‘lage’ autonomie ten aanzien van de burger (kiezer of groep die ze menen te vertegenwoordigen) heeft (of op zijn minst wenselijk acht). Opvallend meer vrouwelijke parlementsleden waren gericht op het achterhalen van de wil en de belangen van de groep die ze meenden te vertegenwoordigen: 66,7 % van de vrouwen tegen 47,3 % van de mannen. Ook in het Vlaams Parlement namen de vrouwen vaker de vertegenwoordigende rol van afgevaardigde op.

Vrouwelijke parlementsleden gaven ook blijk van andere opvattingen over de taak en de rol van de oppositie. Vrouwen uit de oppositie hadden eerder de neiging om de kloof tussen meerderheid en oppositie te overbruggen, waar mannelijke oppositieleden de meer strikte rol van een oppositie (die zich afzet tegen de meerderheid) onderstreepten. Om dat duidelijk te stellen, laten we eerst een vrouwelijk oppositielid aan het woord, gevolgd door een mannelijke partijgenoot.

,,Wat mij betreft: ik heb geen plezier in maar oppositie voeren om oppositie te voeren, en daar mijn voldoening uit te putten. Ik heb die wel als je effectief naar een resultaat kunt gaan. Ik zou geen voorstellen indienen, alleen maar om oppositie te spelen, neen, ik vind als je iets indient dat dat dient om tot resultaat te komen. (…) Omdat ik altijd bondgenoten zoek, over de partijgrenzen heen. Dat is mijn manier van werken. Iedereen vindt dat niet goed. Ik ben niet de grootste oppositiefan. (…) Maar ik vind je moet proberen inhoudelijk ... dat heeft te maken met uw instelling. Ofwel dien je iets in om gewoon bij wijze van spreken tegendraads te zijn en te proberen te bewijzen dat de andere verkeerd is. Ofwel dien je iets in om te proberen iets vooruit te helpen. Dat is mijn manier van werken waar ik mij goed bij voel. En ik heb er ook geen probleem mee om zaken van een ander goed te keuren. Daar heb ik zelf ook geen probleem mee, om zaken die echt goed zijn mee te helpen vooruitgaan.’’
Haar mannelijke partijgenoot denkt er als volgt over. ,,Ik ben gewoon om in een kamer te zitten met meerderheid en oppositie, waar iedereen duidelijk zijn rol had, dat is trouwens de essentie van de democratie. Wel, in het Vlaams parlement is het zo dat als je tegen iets durft tegen zijn, dat men u al vies bekijkt, zo van ‘wat een moeilijke is dat nu’. Terwijl het essentieel is dat iedereen respect heeft voor de rol die de parlementariër moet spelen. (…) Door de houding die in het Vlaams parlement wordt opgelegd, krijgt ge een quasi immuniteit van de executieve. Omdat als de regering met iets voor de pinnen komt, en je durft daar tegen zijn, dan ben je precies ik weet niet wat, iemand met een slecht karakter. Terwijl het juist de taak is van de oppositie om de negatieve zaken aan te halen.

Tijd

Inzake het tijdsbudget van de leden van het Vlaams Parlement stelden we eveneens sekseverschillen vast. Een gemiddelde werkweek van een vrouwelijk parlementslid besloeg in de periode 1995-1999 57,6 uur, waarvan 32,6 uur werd besteed aan intra-parlementaire activiteiten en 25 uur aan extra-parlementaire activiteiten. Vrouwen besteedden in vergelijking tot hun mannelijke collega’s wekelijks gemiddeld 1 uur meer aan het bijwonen van commissievergaderingen, anderhalf uur aan het bijwonen van partijvergaderingen, bijna twee uur meer aan het voorbereiden van dossiers en twee uur meer aan contact met belangen- en drukkingsgroepen.
Een doorsnee mannelijk parlementslid had een kortere werkweek van gemiddeld 55,3 uur waarvan 28 uur ging naar intra-parlementaire activiteiten en 27,3 uur naar extra-parlementaire activiteiten. Mannelijke parlementsleden besteedden in vergelijking tot vrouwen drie uur meer aan het uitoefenen van een lokaal mandaat en bijna twee uur meer aan het uitoefenen van een beroep naast hun mandaat. De vrouwelijke parlementsleden waren dus veel vaker in het parlement aanwezig waar ze zich ‘meer’ met de ‘inhoud’ van hun mandaat bezighielden.

De dienstverlening aan de burgers onder de vorm van ‘zitdagen’, spreekuren en afspraken nam voor een lid van het Vlaams Parlement gemiddeld 3 uur per week in beslag. Ondanks het feit dat vrouwelijke en mannelijke parlementsleden gemiddeld ongeveer evenveel tijd besteedden aan dienstverlening aan de burger, behandelden de vrouwen opvallend minder dossiers: mannen behandelen gemiddeld 437,2 dossiers per jaar; vrouwen gemiddeld 271,6 per jaar.
De invulling van de taak van Vlaams Parlementslid kreeg een andere invulling bij vrouwelijke parlementsleden in vergelijking tot de mannelijke en ook met betrekking tot de invulling van de taak van het Vlaams Parlement zelf merkten we relevante sekseverschillen. De vrouwelijke parlementsleden hechtten relatief gezien meer belang aan de doorstroming van maatschappelijke problemen naar het politieke forum. De mannelijke parlementsleden achtten decreetgeving relatief belangrijker dan hun vrouwelijke collega’s. Zonder een uitspraak te doen of de vrouwelijke parlementsleden al dan niet de betere parlementsleden waren, kunnen we concluderen dat vrouwen er andere visies en andere praktijken op nahielden in het Vlaams Parlement tijdens de voorbije legislatuur.

Conclusie

Is het verhaal van de vrouwelijke parlementsleden in het Vlaams Parlement er een van oude wijn en nieuwe vaten? Enerzijds merken we inderdaad dat een aantal klassieke fenomenen zich voordoet. Zo waren de vrouwelijke leden van het Vlaams Parlement geconcentreerd in de ‘zachte’ commissies en was de inhoud van hun parlementaire initiatieven dan ook soft. Anderzijds werden vrouwen op die manier allerminst gemarginaliseerd in het Vlaams Parlement. De ‘vrouwelijke’ commissies en thema’s behoren tot de kerncommissies en -bevoegdheden van het Vlaams Parlement. Deze redenering gaat uiteraard niet op voor het gebrek aan vrouwen in voorzittersfuncties in het Vlaams Parlement.

We konden ook vaststellen dat een aantal remmingen die in vroegere onderzoeken werden vastgesteld niet meer aanwezig waren in het Vlaams Parlement. Zo bleek de politieke fractie in het verlengde van de politieke partij geen hindernis voor vrouwen te vormen. Andere obstakels bleken iets hardnekkiger te zijn. De combinatie van de vele uren die vrouwelijke parlementsleden in het parlement doorbrachten met de zorg voor kinderen bleef een harde dobber.
Vrouwelijke parlementsleden hielden er op een aantal punten andere visies op na onder andere op hun job, de taak van het parlement, hun relatie tot hun achterban en op de rol van de oppositie. In het Vlaams Parlement was er ruimte voor deze verschillen, zo bleek onder andere uit het tijdsbudget van de leden van het Vlaams Parlement.

Noten
1. Dit onderzoek werd in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Cel Gelijke Kansen in Vlaanderen uitgevoerd aan het VUB-Centrum voor Vrouwenstudies door Karen Celis en Anouck Debroye onder het promotorschap van prof. dr. Alison Woodward.
2. Bij de start van de eerste legislatuur van het Vlaams Parlement als volwaardig, rechtstreeks verkozen parlement in 1995 formuleerde parlementsvoorzitter De Batselier een hele reeks voorstellen in het kader van NPC, onder andere met betrekking tot 1) de verhouding tussen het parlement en de burgers (via o.a. de deontologische code inzake dienstbetoon en de openbaarheid van de commissievergadering); 2) de relatie tussen het Vlaams Parlement en de regering (o.a. via de verkiezing van de parlementsvoorzitter en de versterking van het controle-instrumentarium van de parlementsleden en van hun decreetgevende rol) en 3) de opwaardering van het Vlaams Parlement als maatschappelijk forum (o.a. via de invoering van de themadebatten) (Vlaams Parlement 2000).
3. http://www.db-decision.be.
4. De analyse met betrekking tot het aantal parlementaire initiatieven omvat alle parlementaire initiatieven van alle leden van het Vlaams Parlement van de legislatuur 1995-1999. Voor de analyses met betrekking tot het resultaat (de status) die de initiatieven bereikten, werd gebruik gemaakt van een steekproef. De steekproef bevat 44 personen, waaronder een gelijk aantal vrouwen en mannen met een (in de mate van het mogelijke) vergelijkbaar profiel. Een aantal van de leden van de steekproef zetelde geen volledige legislatuur. Om dit geen vertekenende invloed te laten hebben, werd het aantal zetelende maanden voor elk parlementslid uit de steekproef gelijkgetrokken (door het vermenigvuldigen met een coëfficiënt).
5. Ook de analyse met betrekking tot de inhoud van de parlementaire initiatieven werd gevoerd op basis van de in vorige voetnoot beschreven steekproef.

Bibliografie
- Celis, K. met Woodward, A. 2000. Het Vlaams Parlement Nieuwe Politieke Cultuur en het potentieel voor een valorisering van het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in de politieke besluitvorming. Onuitgegeven eindrapport aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Cel Gelijke Kansen in Vlaanderen.
- De Winter, L. 1992. The Belgian Legislator. Onuitgegeven Doctoraatsverhandeling, European University Institute Firenze. http://www.db-decision.be
- Leijenaar, M. 1989. De geschade heerlijkheid. Politiek gedrag van vrouwen en mannen in Nederland, 1918-1988. ’s-Gravenhage.
- Leijenaar, M. 1997. How to create a gender balance in political decision-making. A guide to implementing policies for increasing the participation of women in political decision-making.Europese Commissie.
- Meier, P. 2000.“Van een relatie vol contradicties gesproken!”. Vrouwenraad, 2000/3, pp. 5-11.
- Periens, K. en Dewachter, W. 2000. Vrouwen in het functioneren van politieke partijen. Het knooppunt van het partijcongres onderzocht in Vlaanderen, Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland. Onuitgegeven eindrapport aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Cel Gelijke Kansen in Vlaanderen.
- Shvedova, N. 1999. “Obstacles to Women’s Participation in Parliament”, in: IDEA, Institute for Democracy and Electoral Assistance, Women in Politics Beyond Numbers, http://www.int-idea.se.
- Vlaams Parlement, 2000. Legislatuurverslag 1995-1999. Brussel.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 9 (november), pagina 15 tot 22