Abonneer Log in

Televisie zonder grenzen?

De beeldbuis in tijden van regionalisme en globalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 35 tot 42

De Waal leeft minder lang dan de Vlaming. Dat stond recentelijk te lezen in De Morgen. Deze vaststelling ligt in de lijn van een lange onderzoekstraditie naar de verschillen tussen Vlamingen en Walen op diverse maatschappelijke terreinen. Dat kan gaan van de mate van sportbeoefening tot het gebruik van tandenstokers of de keuze van slaapkamerbehang. Het onderzoek dat als aanleiding dient voor dit artikel is er ook een dat zich toespitst op verschillen tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap in België. Belangrijk is wel dat hier geen personen met elkaar worden vergeleken, maar wel instituten die verondersteld worden de realiteit voor die personen bevattelijk te maken.

Vanaf het moment dat wetenschappers of opiniepeilers over gegevens beschikken betreffende een representatief staal van de bevolking lijken ze een onweerstaanbare drang te vertonen om deze per gewest op te splitsen. Nochtans zou een verdeling per provincie misschien uitwijzen dat de inwoners van Antwerpen er hetzelfde gedrag op nahouden als die van Luik, maar daarentegen op het onderzochte punt niets gemeen hebben met West-Vlamingen. De impliciete boodschap die hier dikwijls bewust of onbewust achter schuilt, is dat de mentaliteiten en gewoonten of wat dan ook, zo ver uit mekaar aan het groeien zijn, dat een splitsing onafwendbaar wordt. De professor demografie (toevalligerwijs ook VU-parlementslid) die de verschillen in levensverwachting berekende, koppelde er zelfs expliciet een pleidooi aan vast voor de splitsing van de gezondheidszorg. Zal hij ook pleiten voor dergelijke splitsingen binnen Vlaanderen wanneer blijkt dat het leven van de Limburger korter is dan dat van de Sinjoor?
In het onderzoek dat als aanleiding dient voor dit artikel worden geen Vlamingen en Franstaligen met elkaar vergeleken, maar wel Vlaamse en Franstalige media. Het gaat hier om een studie naar de berichtgeving over de andere gemeenschap in de televisiejournaals van vier Belgische zenders: twee openbare (VRT en RTBF) en twee commerciële (VTM en RTL-TVI). In totaal werden 124 nieuwsuitzendingen geanalyseerd uit de periode oktober-november 1999.1
Onderstaande tabel, die weergeeft op welke plaats de nieuwsitems betrekking hebben, vat het best de onderzoeksresultaten samen. Daaruit blijkt dat maar zo’n 3 % van de items op de Vlaamse zenders betrekking hebben op het andere landsdeel. Bij de VRT ligt dit (zeker in absolute cijfers) nog lager dan bij VTM. De Franstalige zenders, en vooral de RTBF, besteden daarentegen meer aandacht aan Vlaamse onderwerpen. Tegelijkertijd zijn zij ook sterker op het federale niveau gericht. Op de Vlaamse zenders, en vooral op VTM, is daarentegen vooral het regionale nieuws sterk vertegenwoordigd. Het valt op dat de commerciële zenders steeds iets meer op de eigen streek gericht zijn dan hun openbare tegenhanger.

Tabel: Verdeling van de binnenlandse items per plaats

Andere debatcultuur?

Een vergelijking van de personen die aan het woord gelaten worden, levert soortgelijke resultaten op. Hier valt het bovendien op dat de weinige Franstalige politici die op de Vlaamse zenders aan bod komen voor bijna 90% deel uitmaken van de federale regering. Omgekeerd is het aanbod Vlaamse politici op de Franstalige zenders veel gevarieerder. Op de RTBF zijn het zelfs de Nederlandstalige parlementsleden die het best vertegenwoordigd zijn. Men is misschien geneigd hier een verschil in debatcultuur te ontwaren tussen het noorden en het zuiden van het land, maar verder onderzoek ontkent dit. Daaruit blijkt immers dat de situatie net omgekeerd is voor de eigentalige politici: Nederlandstalige parlementsleden en lokale politici komen op VRT en VTM juist meer aan bod dan Vlaamse leden van de federale regering. Deze categorieën zijn dus enkel ondervertegenwoordigd voor de Franstaligen.
Dezelfde trend zet zich eveneens door bij de rubrieken die men binnen de journaals van de openbare omroepen aan de andere gemeenschap wijdt. ‘De Taalgrens’ is op de VRT namelijk te zien in het middagnieuws, het slechtst bekeken journaal van de dag. ‘Vu de Flandre’ bij de RTBF, staat daarentegen in het druk bekeken hoofdjournaal geprogrammeerd. Wel geeft ‘De taalgrens’ een iets objectiever beeld van de Franstaligen en wordt er meer ‘hard nieuws’ gebracht dan bij ‘Vu de Flandre’, dat nogal sterk op ‘human intrest’ gericht is.
Samenvattend kan er dus gesteld worden dat de Vlaamse zenders minder informatie brengen over de Franse gemeenschap dan omgekeerd het geval is en dat ze eveneens sterker op de eigen gemeenschap gericht zijn. Tussen openbare en commerciële zenders zijn er minder eenduidige verschillen te noteren. In Franstalig België brengt RTBF wel meer informatie over Vlaanderen dan RTL-TVI, maar in Vlaanderen is het daarentegen eerder VTM dat nog net iets meer nieuws van over de taalgrens brengt dan de VRT, zij het dat dit verschil miniem is.

Identiteit

Het komt er nu op aan voor deze vaststellingen ook verklaringen te vinden.2 Daarvoor kijken we in eerste instantie naar de politieke constellatie van de voorbije jaren en meer bepaald naar de retoriek rond identiteit en natievorming, die vooral in Vlaanderen sterk in zwang was. Gespierde politieke verklaringen gelardeerd met talrijke overheidsinitiatieven maakten Vlaanderen tot zowat de enige streek in Europa waar niet afgeteld werd naar 2000, maar wel naar 2002. Die overheidscampagnes waren wat Boorstin ‘pseudo-events’ noemt: gebeurtenissen die gepland zijn en als hoofdbedoeling hebben media-aandacht te trekken.3 Toch zal het zeker niet de rechtstreekse invloed van deze initiatieven zijn die de verschillen in bovenstaande cijfers kan verklaren. Deze hebben immers betrekking op de periode na de installatie van de ploeg van Patrick Dewael. En deze legt veel minder de nadruk op natievorming dan zijn voorgangers. Bovendien kan men ook niet stellen dat de vlaggen, wimpels en fietsploegen van Van den Brande altijd evenveel respect afdwongen. Het moet dus om een trager maar tegelijkertijd ook algemener proces gaan.

We hebben waarschijnlijk eerder te maken met een consensus over een aantal waarden binnen de Vlaamse media. Hall heeft het in dit verband over impliciete betekenissen die in de berichtgeving vervat zitten en belangrijke politieke consequenties kunnen hebben.4 Elke redactie werkt binnen zo’n consensus, die naargelang maatschappelijke en politieke evoluties aan veranderingen onderhevig is. Voor deze thematiek zou het gaan om een Vlaamse consensus die volgens Geert van Istendael is ingegeven door ‘de nieuwe Vlaamse zelfgenoegzaamheid’ en het beleid van de vorige Vlaamse regering. Dit uit zich dan concreet, zoals Slembrouck en Blommaert al opmerkten5 en zoals door bovenstaande cijfers bevestigd wordt, in een zeer beperkte verslaggeving over Wallonië. Of zoals Detant stelde6: ‘wat er wordt aangeboden, maar ook de manier waarop de feiten in de berichtgeving worden weergegeven, is door de politieke ontwikkelingen gekleurd’.
Belangrijk is wel dat het hier niet gaat om het gedwee volgen van een bepaald overheidsbeleid en dat deze kleuring dus grotendeels een onwillekeurige en onbewuste reactie vanwege individuele journalisten is, zij het dat een paar onder hen dit proces wellicht mee sturen. Niettemin zijn er wel aanwijzingen om te stellen dat de VRT, op organisatieniveau, tot op zekere hoogte meeging in de identiteitsretoriek van de vorige Vlaamse regering. Zo was er de personeelspetitie tegen de naamsverandering van BRTN naar VRT die tot gevolg had dat een interne nota petities verbood. Of nog: de keuze van de VRT om Luc Van den Brande te laten optreden in het inleidingsfilmpje van de Belgische eurovisiesongfestivalkandidate terwijl men de vraag had gekregen de eerste minister of het staatshoofd iets te laten zeggen. En tenslotte: de richtlijn van de toenmalige BRTN-leiding om voortaan niet meer over de Belgische maar wel over de Vlaamse kust te spreken. Die paste perfect in het beleid van Van den Brande. Dit zijn drie voorbeelden die vragen doen oprijzen over de onafhankelijkheid van de openbare omroep.
Het zou evenwel fout zijn te veronderstellen dat er in Wallonië geen identiteitsdiscours werd afgestoken. Wel gebeurde dit op kleinere schaal en vooral op initiatief van een stroming binnen de PS. Nochtans valt voor de Franstalige zenders niet direct een verband te vinden tussen regionale identiteitsbenadrukking en media-aandacht voor die regio. Maar dat gegeven was blijkbaar ook bepaalde Waalse politici niet ontgaan, die met de regelmaat van een klok de RTBF verwijten teveel op het federale niveau gericht te zijn en te weinig interesse te tonen voor Wallonië. Voor hen is de Franstalige openbare omroep dan ook een belangrijke factor in het proces van Waalse identiteitscreatie. Dat dit niet veel invloed gehad heeft op de televisieberichtgeving kan te maken hebben met het feit dat het de Waalse regering, in tegenstelling tot de Vlaamse, een beetje ontbrak aan communicatietechnieken: er was geen ‘Wallonie 2002’. Daarbij komt dat Waals-nationalistische thema’s nooit echt populair zijn geweest bij de Brusselse nieuwsredactie. Bovendien hebben de nieuwe regeringen verwijzingen naar identiteit en natie grotendeels van zich afgeschud en lijkt de klemtoon voortaan op samenwerking en respect tussen de gemeenschappen te liggen. Hoewel dit niet betekent dat de separatistische logica verdwijnt (getuige daarvan zijn de recente reeks splitsingen), zou dit volgens de hierboven gehuldigde consensustheorie zijn impact moeten hebben op de televisieberichtgeving, vooral in Vlaanderen.

Commercialisering en ‘faits divers’

Maar behalve vanuit de politieke constellatie zou het verschil in aandacht voor de andere gemeenschap tussen VRT en RTBF ook wel eens verklaard kunnen worden vanuit de verschillende graad van commercialisering van de twee zenders. Of zoals Siegfried Bracke het zelf stelt: bij de VRT moet men er sterk rekening mee houden dat men genoeg kijkers heeft voor een programma, terwijl bij de RTBF vooral de politici tevreden moeten zijn. Volgens Bracke is de VRT dus meer op kijkcijfers gericht, wat hij allesbehalve een schande vindt. Hoewel het hier vooral om organisatorische verschillen lijkt te gaan, spelen politieke keuzes uiteindelijk toch weer een belangrijke rol, gezien de kwantitatieve maatstaven waaraan de VRT moet voldoen door de Vlaamse regering zijn opgelegd.7
Om de daaruit volgende commercialisering of devaluatie van de nieuwsinhoud aan te klagen staan wetenschappers en ethici de laatste jaren in de rij. Volgens Bourdieu8 bracht de heerschappij van de kijkcijfers ook die van de ‘faits divers’ mee in het nieuws. Deze nemen kostbare tijd in beslag die niet meer kan gebruikt worden om het over belangrijke en waardevolle zaken te hebben: ‘les faits divers font diversion’. Ook bij de VRT zegt men dat nieuws niet alleen is wat belangrijk kan zijn, maar ook wat belangwekkend is, namelijk luchtige en populaire onderwerpen. Dit is ongeveer dezelfde omschrijving als degene die Bourdieu aan zijn ‘faits divers’ geeft. Toegepast op de berichtgeving over de andere gemeenschap, kan dit betekenen dat de Vlaamse faits divers in de plaats komen van nieuws over Wallonië, een realiteit die zo voor de kijker verborgen blijft. De analogie gaat evenwel niet helemaal op vermits faits divers ook perfect over de andere gemeenschap kunnen gaan (dit merken we vooral bij RTL-TVI). Niettemin lijkt deze wel te gelden voor de VRT, vermits volgens Bracke nieuws over Wallonië nu juist ‘niet belangwekkend’ is, omdat het de mensen niet interesseert. Volgens hem zijn Franstaligen daarentegen wel geïnteresseerd in wat er in Vlaanderen gebeurt.
Er zijn inderdaad argumenten die deze laatste stelling ondersteunen. Sinds enkele jaren is er namelijk sprake van een groeiende belangstelling voor Vlaanderen in de Franstalige pers. Kranten als La Libre Belgique en Le Matin hebben, als gevolg van positieve lezersreacties, zelfs elk een journalist in dienst die exclusief over de Vlaamse actualiteit schrijft. Ook de rubriek ‘Vu de Flandre’ op RTBF werd van het middagnieuws naar het avondnieuws verschoven, onder meer omdat ze aansloeg bij de kijkers. Maar dit betekent nog niet dat eenzelfde interesse voor Wallonië er niet bij de Vlamingen zou zijn. Ook hier is er misschien sprake van een sluimerende interesse, alleen is deze nog niet aangeboord. De belangstelling van de kijker lijkt dus eerder een gevolg van de media-aandacht te zijn dan een oorzaak.

Wat meer is, uit verschillende onderzoeken en enquêtes blijkt al jaren lang dat Vlamingen, globaal gezien, zeer positief staan tegenover Wallonië, niet bezig zijn met communautaire problemen en zich vooral identificeren met de Belgische nationaliteit. Uit het recentste Europees Waardeonderzoek blijkt weliswaar dat Vlamingen zich gemakkelijker identificeren met hun taalgemeenschap dan Walen, maar ook dat zij zich daarom nog niet minder Belg voelen. ‘De tegenstelling Belg-Vlaming bestaat niet, tenzij bij een erg kleine groep’ concludeerde Jaak Billiet.9 Men zou dus kunnen verwachten dat de Vlaamse media zouden inspelen op dat Belgische gevoel dat onder de bevolking leeft door meer aandacht voor België als geheel te hebben en ook eens een blik aan de andere kant van de taalgrens te werpen. Het is niet bewezen dat een gehechtheid aan België ook een interesse voor het andere landsdeel veronderstelt, maar het is zeker geen indicatie dat die belangstelling er niet is. Bovendien, heeft men dit, zoals gezegd, nog niet echt uitgeprobeerd.
Niet alleen is het gebrek aan informatie over het Franstalige landsdeel op de Vlaamse televisie moeilijk te rechtvaardigen, het valt eveneens te betreuren, zowel vanuit journalistiek, politiek als cultureel oogpunt. In de eerste plaats komt de volledigheid van informatie erdoor in het gedrang. Gebeurtenissen en evoluties in Franstalig België hebben immers ook hun invloed, zowel politiek, economisch als sociaal, op het noorden van het land en bezitten dus wel degelijk nieuwswaarde. Maar bovendien zou deze navelstaarderij in het huidige Vlaamse politieke klimaat wel eens gevaarlijk kunnen zijn, gezien ze een bijkomende voedingsbodem voor het Vlaams Blok vormt. De problemen in de eigen streek worden immers uitvergroot en de zin voor relativering gaat steeds meer verloren. Nochtans vormt Wallonië, vanwege grotere economische problemen en andere antwoorden daarop, nu net een interessant referentiepunt voor Vlamingen die steeds meer de indruk hebben dat enkel extreemrechts een adequate oplossing biedt voor hun problemen. En tenslotte valt deze evolutie te betreuren omdat ze de unieke mogelijkheden tot culturele uitwisseling en beïnvloeding in een bicultureel land onbenut laat.

Europese integratie versus regionalisme

Maar het gaat hier om meer dan België. Wanneer de kijker eraan gewend wordt zich enkel nog maar voor de eigen regio binnen eigen land te interesseren, hoe kan men dan verwachten dat hij interesse zou tonen voor andere landen, waarmee uiteindelijk het bestuursniveau van de toekomst moet gevormd worden? De woorden van Geert van Istendael zijn hier dan ook meer dan op hun plaats: ‘L’Europe sera belge ou ne sera pas’.
De drie hierboven aangehaalde redenen om de beperkte informatie over het andere landsdeel te betreuren (journalistiek, politiek en cultureel) kunnen dan ook toegepast worden op de informatie over (andere landen van) de Europese Unie, die eveneens dikwijls te wensen overlaat. Maar bovendien schuiven de media hier een kans opzij om hun steentje bij te dragen aan de opbouw van de EU. Dat dit niet de taak van de journalist is, die enkel op objectieve manier moet rapporteren wat er gebeurt, klinkt natuurlijk op het eerste gehoor mooi en juist, maar doorstaat een diepgaandere analyse niet. Tussen de twee tegenstrijdige tendensen van Europese integratie en (dikwijls nationalistisch) regionalisme kiezen de media duidelijk voor het laatste. Dit zal weliswaar geen bewuste keuze zijn, maar het blijft wel een keuze. Volgens de agendasetting-theorie dicteert de nieuwsinhoud misschien niet hoe de mensen ergens over denken maar wel waarover ze denken. Heeft men het nooit over Europa of focust men enkel op de eigen streek, dan zal de Europese realiteit voor de kijker niet of minder prominent bestaan.10
Het is trouwens niet enkel de informatie, maar ook de overige programmering, die wat multicultureler zou kunnen. In Zwitserland lanceerde men vorig jaar bijvoorbeeld een drietalige soap, om zo de complexe realiteit van dit land naar voren te brengen. Waarom geen tweetalige soap in België? Of een Waals personage in één van de huidige Vlaamse soaps? Ook de stap naar een eurosoap is weer snel gezet. Zij het dat Vlaanderen waarschijnlijk in de eerste plaats nood heeft aan een Turks of Marokkaans ‘Familie’-lid, bij voorkeur één met een blanco strafregister. Voorlopig blijft de Vlaamse televisie immers een zeer (of moeten we zeggen weinig) ‘gekleurd’ beeld van de realiteit brengen.

Tweetalige en Europese televisie bestaat overigens al, onder de vorm van het Frans-Duitse ARTE, waar ondertussen al een tiental Europese openbare omroepen samenwerkingsakkoorden mee heeft gesloten. Spijtig genoeg heeft de VRT totnogtoe het stichtend voorbeeld van haar collega’s (en vooral van de RTBF, die destijds de eerste was om te tekenen) niet gevolgd.
Maar eigenlijk mag een pleidooi voor meer aandacht voor de rest van België en de rest van Europa enkel een beginpunt zijn. Idealiter wordt de tussenpersoon uitgeschakeld en volgt de kijker de informatie en andere programma’s rechtstreeks op de zender van de andere gemeenschap of het andere land. Natuurlijk zijn er een aantal aanzienlijke drempels die dit bemoeilijken. De hoogste daarvan, de taalbarrière, valt nochtans makkelijk te overwinnen. Zo zou het een niet al te grote financiële inspanning zijn om, via teletekst, voor minstens een aantal van de RTBF-programma’s (in eerste instantie natuurlijk het journaal) Nederlandstalige ondertiteling te voorzien en omgekeerd Franstalige ondertiteling aan te bieden voor bepaalde VRT-uitzendingen.11 Dit initiatief, dat op de twee zenders kan gepromoot worden, heeft als voordeel dat men niet enkel meer, maar ook rechtstreekse informatie over de andere gemeenschap ontvangt en zo een beeld krijgt van de Franstaligen zoals zij zichzelf zien. Bovendien biedt het ook een mogelijkheid tot meer pluralisme op het vlak van de nationale informatie. Volgens Johan Vande Lanotte12 ligt er namelijk een wereld van verschil tussen de verslaggeving op de Vlaamse en Franstalige tv, bijvoorbeeld op het vlak van het asielbeleid: terwijl Duquesne er in de Franstalige media van langs krijgt omdat hij 30 Kazachen heeft teruggestuurd, verwijten de Vlaamse media Vande Lanotte dat hij de asielzoekers te luxueus en humaan opvangt. Het argument dat destijds door VLD en CVP gebruikt werd om VTM te rechtvaardigen, namelijk een meer objectieve (lees: minder rode) informatie, lijkt hier dus ook perfect geldig.
En wederom zou België een voorbeeld voor de EU zijn, die dit systeem op ruimere schaal kan toepassen door met Europees geld ofwel een centraal vertaalcentrum op te richten ofwel de Europese omroepen te subsidiëren om zelf een aantal van hun programma’s in de diverse Europese talen te vertalen.13 Dit kan uiteindelijk leiden tot een soort netwerk van alle openbare Europese omroepen, die dan ook mekaars programma’s zouden kunnen aankondigen. Dit betekent niet noodzakelijk dat ze in eigen vlees snijden want als dit gelijktijdig gebeurt in de hele Unie zal de nationale zender misschien wel iets slechter scoren in eigen land, maar eveneens van een grotere uitstraling genieten over heel Europa.

Dit alles blijft voorlopig echter zeer utopisch. Alvorens de Europese zenders in de eigen taal te kunnen aanbieden, moet er immers voor gezorgd worden dat deze te ontvangen zijn. Zelfs met behulp van de modernste technologieën is dat op dit moment maar voor een beperkt aantal kanalen mogelijk. De ontvangst garanderen van alle openbare zenders uit de Europese Unie wordt blijkbaar niet als een belangrijke stap in het proces van Europese integratie beschouwd. Nochtans is het bevorderen van culturele uitwisseling precies één van de doelstellingen van de EU. Europese televisie zou een mooie aanvulling kunnen zijn op het initiatief van de culturele hoofdsteden, ook gelanceerd vanuit deze doelstelling, maar waar niet iedereen het benodigde (economisch, maar ook cultureel) kapitaal voor bezit. De veelbesproken Europese richtlijn ‘Televisie zonder grenzen’ heeft daarentegen vooral tot gevolg gehad dat bepaalde mediaconcerns (zoals SBS, eigenaar van VT4) de audiovisuele regels in het uitzendgebied konden ontlopen. Deze richtlijn, die een onderdeel is van de liberaliseringspolitiek van de EU, is tekenend voor een beleid dat (net als in Vlaanderen) televisie als een economische en niet als een culturele materie beschouwt.
Nu is het wel zo dat België, wat tv-ontvangst betreft, altijd één van de meest benijdenswaardige landen ter wereld is geweest. De enorme kabelpenetratie en gunstige geografische ligging maakten het de Belgen vanaf de jaren ’70 mogelijk een heel aantal zenders uit de buurlanden te ontvangen en zo te genieten van een ‘viewer’s choice avant la lettre’.14 Maar vanaf de jaren ’90 bereikte de beschikbare bandruimte op de kabel stilaan haar maximumcapaciteit terwijl er steeds meer Vlaamse themakanalen boven de doopvont werden gehouden. Om deze toch te kunnen doorstralen, begonnen de kabelmaatschappijen bepaalde buitenlandse stations te schrappen. Gezien er voor het komende jaar maar liefst vijf nieuwe Vlaamse zenders zijn aangekondigd, valt er dus te vrezen voor het lot van een aantal anderstalige omroepen.
De opkomst van de digitale technologieën biedt hier weliswaar een oplossing voor, maar deze verloopt in het volledig bekabelde België zeer moeizaam. De wet van de remmende voorsprong lijkt ons hier parten te spelen. Bovendien maakt de digitalisering het geheel eerder nog schrijnender want ook nu weer krijgen alle landen hun eigen digitale pakketten die in de rest van Europa niet te ontvangen zijn, hoewel dit technisch perfect mogelijk is. Ook in België zijn de, voorlopig zeer beperkte, digitale pakketten gesplitst per taalgemeenschap. Pech voor de Vlaamse liefhebber van het Franse chanson!15
Meer zenders zullen er dus overal komen, maar dit zullen voornamelijk eigen zenders zijn, enkel te ontvangen in het eigen land of zelfs maar in de eigen streek.
In deze tijden van globalisering lijkt televisie, op alle vlakken, dus steeds lokaler te worden.
Velen zijn blijkbaar vergeten dat de basisdoelstelling van televisie ooit ‘ver zien’ was.

Noten
1. Dit onderdeel is een zeer summier overzicht van een uitgebreid onderzoek dat beschreven staat in Sinardet D. Nieuws zonder grenzen? Information sans frontières? Een onderzoek naar de aandacht voor de andere gemeenschap in de berichtgeving van de Belgische televisiejournaals. Antwerpen: UIA, licentiaatsverhandeling communicatiewetenschappen (2000)
2. Dit onderdeel is onder andere gebaseerd op een reeks afgenomen interviews met Siegfried Bracke, Christophe Deborsu, Olivier Deleuze, Ludo Dierickx, Guido Fonteyn, Jean-Jacques Jespers, Olivier Mouton, Magali Uytterhaeghe, Luc Van den Brande en Geert van Istendael.
3. Boorstin D.J., ‘From newsgathering to newsmaking: a flood of pseudo-events’. In W. Schramm en D.F. Roberts (red), The process and effects of mass communication, 116-150. Urbana: University of Illinois Press (1971)
4. Hall S. Culture, media, language: working papers in cultural studies, 1972-1979. Londen: Hutchinson.
5. Slembrouck S. en Blommaert J. ‘De politiek-retorische constructie van een Vlaamse natie: Vlaanderen-Europa 2002’. In Morelli A. (red), De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië, 243-258. Berchem: EPO (1996)
6. Detant A. ‘Over de rol van de media in het proces van natievorming in Vlaanderen’ in Schelfhout E. & Verstraeten H. (red), De rol van de media in de multiculturele samenleving ‘, 85-118. Brussel: VUBPress (1998)
7. Het beheerscontract met de VRT stipuleert dat de journaals (samen met andere informatieprogramma’s) dagelijks 1,5 miljoen kijkers moeten trekken.
8. Bourdieu P. Sur la télévision. Parijs: Liber - Raisons d’agir (1996)
9. Geciteerd in De Standaard, 25/10/2000
10. Natuurlijk moet informatie niet ophouden aan de grenzen van de EU en is het wenselijk een zo uitgebreid mogelijk buitenlands nieuwsoverzicht te brengen. Maar omdat het bevorderen van Europese integratie al jaren een primaire doelstelling is van de betrokken landen zijn de informatiegebreken op dit vlak het meest opvallend.
11. Bij de Brusselse regionale zenders bestaat dit systeem al in deze vorm. Zo kan TV-Brussel zowel met Franstalige als Engelstalige ondertitels bekeken worden.
12. Geciteerd in Humo, 16/01/2001
13. Voor landen die echt niet kunnen wennen aan het systeem van ondertiteling kunnen de programma’s eventueel zelfs gedubd worden. Zo is ARTE nu al op de kabel, voor kijkers met een stereotoestel, te ontvangen zowel in het Duits als in het Frans. De digitale toekomst breidt dit soort mogelijkheden alleen maar uit. Nu al bieden vele films op DVD aan de consument de mogelijkheid om te kiezen uit een aanbod van ondertitels in een tiental talen.
14. Voor een uitgebreid overzicht zie Daniel Biltereyst, ‘Television in Belgium’. In J.A. Coleman en B. Rollet (red.) Television in Europe, 87-99. Exeter: Intellect 1997
15. Ook alle analoge zenders zijn zelfs niet in heel België te ontvangen. Zo is Club RTL, de tweede commerciële zender van Franstalig België, nergens in Vlaanderen te zien. VTM kan dan weer door het grootste deel van de Franstalige Belgen niet bekeken worden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 35 tot 42