Log in

De nationale test

redactioneel

Een werkgelegenheidsbeleid voeren is niet gemakkelijk. Vaak valt men terug op dezelfde recepten: loonlastenverlaging, rechtstreekse subsidiëring van jobs en soms wel eens zachte dwang zoals met de stage voor jongeren bijvoorbeeld.

De jongste jaren waait er een nieuwe wind door het werkgelegenheidsbeleid. Europa stelt, eindelijk, richtsnoeren op voor de lidstaten. Dat is een stap vooruit, maar het blijven richtsnoeren. De federale overheid heeft getracht om, in het concept van de actieve welvaartstaat, orde te brengen in meer dan 30 banenplannen. Ze is daar maar deels in geslaagd. Vooral het startbanenplan bracht eenvoud. Het blijft opmerkelijk dat het plan lukt in Vlaanderen en niet in Wallonië, waar de jeugdwerkloosheid nochtans hoger is.
De grootste vernieuwing kwam er van de Vlaamse overheid. Het is de verdienste van minister Landuyt en zijn ploeg dat er een verfrissende visie kwam op de werkgelegenheid in Vlaanderen. Hij trok resoluut de kaart van het lokale werkgelegenheidsbeleid met de oprichting van de lokale werkwinkels als eerste zichtbare resultaat. Het werkgelegenheidsbeleid had de voorbije jaren wel het voordeel dat het goed ging met de economie. De nieuwe instrumenten konden rustig uitgetest worden. Door de krapte van de arbeidsmarkt stonden werkgevers zelfs open voor de kansengroepen. Vakbondsmensen moesten niet meer van de ene herstructurering naar de andere hollen. Na een interprofessioneel akkoord, sectorale en bedrijfsakkoorden kon men weer eisen stellen. Elke werkgever wou immers de ‘goede’ mensen houden in het besef dat nieuwe ‘geschikte’ mensen schaars waren.

Maar de economie is in mekaar geklapt. Algemeen worden de gebeurtenissen van 11 september aangewezen als oorzaak van een wereldwijde economische inzinking. De aanslagen worden zeker ook misbruikt om structurele economische problemen te verdoezelen. Het kan niet dat de aanslagen in de Verenigde Staten alleen de oorzaak zijn van zoveel economische ellende. Er zijn ongetwijfeld andere en diepere oorzaken. Alleen maakt de gruwel van de terroristische aanslagen blijkbaar het slechte economische nieuws nu aanvaardbaarder. Ook in ons land stokt de economische groei. Met het faillissement van Sabena als voorlopig hoogtepunt stijgt de werkloosheid opnieuw. De discussie over de werkloosheidscijfers is weer bezig. Het komt wat potsierlijk over als een minister en de vakbonden kissebissen over het feit of er nu wel of niet een toename is van de werkloosheid. De minister wordt gewaarschuwd voor een goednieuwsshow. De vakbonden wekken de indruk dat ze de werkloosheid graag hoog hebben. Omdat ze zich dan best in hun sas voelen? De discussie over de cijfers en statistieken is een verkeerde discussie. Achter deze cijfers zitten mensen die in onzekere toestand terechtkomen. Naar hen moet nu vooral alle aandacht gaan.

De komende maanden volgt dan ook de echte test van het werkgelegenheidsbeleid. Wat kan en vooral wat wil Europa doen? Richtsnoeren zullen niet volstaan. De doorsnee burger snapt ook niet waarom Europa aan ons land verbiedt om een bedrijf als Sabena te redden. Het vrijwaren van de concurrentie als hoogste goed? Europa zal inspanningen moeten leveren om de bittere ex-werknemers van Sabena en haar onderaannemingen te overtuigen dat hun werkgelegenheid ook zijn zorg is. De vrijblijvende richtsnoeren zullen nu eens getoetst moeten worden aan de nieuwe uitdagingen van de economische situatie in de lidstaten.

De federale overheid moet, naast een redelijk sociaal plan, maatregelen nemen om de nieuwe werklozen een traject te bieden naar nieuw werk. De welvaartstaat op zijn actiefst graag. De heibel over het sociaal plan bij Sabena heeft bij veel mensen kwaad bloed gezet. Het was nog eens een voorbeeld van oude politieke en vakbondscultuur: zorg voor een ‘gouden’ handdruk en koop zo het werkgelegenheidsdrama af. Ook markant is de vaststelling dat bepaalde solidariteitsmechanismen (het Fonds voor sluiting van ondernemingen) niet bestand blijken te zijn tegen een dergelijk groot faillissement. Verheugend is wel dat regering en sociale partners nu weer het recht op outplacement (zeg maar individuele begeleiding naar nieuw werk) op de sociale agenda willen plaatsen.

De grootste uitdaging ligt op het Vlaamse, regionale en lokale vlak. Nu moeten de partnerschappen, die zich de voorbije jaren hebben gevormd, hun degelijkheid bewijzen. De Vlaamse regering heeft in de voorbije jaren een instrument ontwikkeld voor dit soort opdracht: het territoriaal pact. In een territoriaal pact werken werkgevers, vakbonden, opleidings- en werkgelegenheidsprojecten, lokale, regionale en provinciale overheden samen. Doelstelling is te komen tot een geïntegreerd beleid met werkgelegenheid als eindresultaat. Hopelijk houden deze territoriale pacten stand en bieden ze een oplossing aan het nieuwe werkloosheidsvraagstuk. De werkloosheid wordt het sterkst beleefd op het lokale en het regionale vlak. Vaak worden hele families getroffen. Het is dan ook op dat niveau (in de lokale werkgelegenheidsfora en de STC’s) dat de krachten moeten gebundeld worden om de individuele slachtoffers opnieuw aan werk te helpen. Hoe moeilijk het ook is, mag daarbij de kwaliteit van het werk niet uit het oog worden verloren. De gunstige evolutie van ‘tewerkstelling op zich’ naar ‘kwaliteitsvolle werkgelegenheid’ mogen we nu niet meer terugdraaien.

In deze aanpak mag de vakbeweging niet van op de zijlijn toekijken. Het volstaat niet om, een, voor sommigen omstreden, sociaal plan af te dwingen. De vakbeweging moet in de eerste lijn staan om mee te werken aan nieuwe werkgelegenheid. De positieve ervaring met het dossier Renault (waarvan nagenoeg niemand van de ex-werknemers nog zonder werk is) moet ons sterken in het geloof dat het kan. Het betekent dat de vakbeweging zich actief moet engageren in lokale, regionale en provinciale partnerschappen. Werkgelegenheid is niet alleen een zaak van sociale partners, maar van vele partners op het lokale, regionale en provinciale terrein. Nu maar hopen dat deze Europese, federale, regionale en lokale werkgelegenheidstest goed afloopt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 1 tot 2