Abonneer Log in

De sociaaldemocratie en de 'Seattle-beweging'

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 30

Men fight and lose the battle, and the thing that they fought for
comes about in spite of their defeat, and then it turns out not to be
what they meant, and other men have to fight for what they meant
under another name.

William Morris

In dit antwoord op de open brieven van Jan Blommaert1 en Patrick Janssens2 beperken we ons tot die thema’s die, met het tweede Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre (31/1-5/2) in het vooruitzicht, niet alleen van uitzonderlijk belang zijn voor de lopende discussies binnen de alternatieve globaliseringsbeweging maar evenzeer de sp.a aangaan. Gezien de toenaderingspogingen van Janssens tot deze beweging, is het van vitaal belang dat er een diepgaande discussie op gang komt tussen de sp.a en de andersglobalisten. Deze bijdrage werd geschreven vanuit de buik van de ‘Seattle-beweging’ en benadrukt de behoefte aan een systeemkritische benadering van het huidige bestel. De ‘grote vragen’ moeten meer dan ooit op de agenda staan, gezien het sociaaleconomisch, democratisch, ecologisch en menselijk deficit van de hedendaagse globalisering. Vervolgens wordt het hiermee verbonden concept race to the bottom besproken. Voorts werpen we een blik op de wanverhouding tussen de ‘harde wet’ die geldt voor de WTO-vrijhandelsregels t.o.v. de ‘zachte wet’ voor milieuvoorschriften. De ware (onvrije) aard van het ‘reëel bestaande kapitalisme’ wordt eveneens belicht. Verder wordt uitvoerig aandacht geschonken aan het verzet tegen het neoliberalisme en mogelijke alternatieve modellen. We sluiten deze bijdrage af met een standpunt over hoe een gezonde verhouding tussen de sociaaldemocratie en de alternatieve globaliseringsbeweging zou kunnen ontkiemen, zonder evenwel het (recuperatie)gevaar uit het oog te verliezen.

Grote vragen

Blommaert slaat in zijn brief aan Janssens de spijker op de kop wanneer hij stelt dat ‘de grote vragen meer dan ooit op de agenda moeten staan in een tijdperk waarin de grondvesten van ons bestel in vraag worden gesteld.’ De aanslagen in de VS en de opkomst van de alternatieve globaliseringsbeweging (net zoals de huidige crisis in Argentinië) zijn onmiskenbaar krachtige indicatoren van de nakende ideologische crisis van het hedendaagse globaliseringsmodel. Blommaert is er met grote onderscheiding in geslaagd om de contradicties van de neoliberale pensée unique glashelder bloot te leggen. Janssens daarentegen bevestigt in zijn repliek de lezer nogmaals dat de ideologen van de actieve welvaartstaat tekortschieten in hun analyse van het heersende kapitalistische wereldsysteem; nochtans is dit fundamenteel. Als we de wereld willen verbeteren, dan moeten we in eerste instantie de werkelijkheid correct analyseren. Als het daar al misloopt, kan er van verandering in democratische zin geen sprake zijn, zoals Ludo Abicht recent poneerde in zijn fantastisch boek Intelligente emotie.3

Sociaaleconomisch deficit

Blommaert dringt door tot de kern van de zaak wanneer hij stelt: ‘Ontwikkelingslanden zijn perfect geïntegreerd in de wereldmarkt, net als onze eigen armen perfect geïntegreerd zijn in onze samenleving. Maar ze zijn geïntegreerd in de marge van het systeem, als armen in een systeem dat armoede nodig heeft om rijkdom te kunnen produceren. (…) Hun plaats in het huidige wereldsysteem is die van producenten van oneindig goedkope arbeid. Voldoen ze daar niet aan, dan raken ze minder geïntegreerd, niet meer. Dit is het cynisme van het systeem: pogingen tot meer rechtvaardigheid verscherpen de onrechtvaardigheid.’ Blommaert vat de koe bij de hoorns. De vrijemarkteconomie moet nu eenmaal winst maken en groeien om te kunnen blijven bestaan. Dat is de hoofdreden waarom midden jaren 70 het keynesianisme (en het daarmee verbonden sociaal pact tussen arbeid en kapitaal) gestaag werd verdrongen door het neoliberalisme. Vanaf de oliecrisis in 1973 had het kapitalisme het immers steeds moeilijker om zijn interne tegenstellingen te boven te komen. Dat lukte zelfs niet met de hulp van sterke overheidsinterventie. De algemene daling van de winstvoet en de toenemende inflatie effenden het pad voor de neoliberale ideologen. Keynes was dood, de nieuwe hogepriesters heetten nu Friedrich von Hayek en Milton Friedman: twee neoklassieke economen die niet toevallig allergisch waren voor gelijk welke sociale maatregel. Belangrijk hierbij is dat de hieropvolgende troonsafstand van de macht slechts mogelijk werd door welbepaalde politieke beslissingen van westerse (vaak sociaal-democratisch gezinde) regeringen. De neoliberale globalisering kreeg vrij spel, de dictaten van de ‘Washington-consensus’ (liberaliseren, privatiseren en dereguleren) werden de nieuwe te vereren tafelen der wet. De Val van de Muur en de implosie van het Oostblok brachten dit proces in een stroomversnelling. Subcomandante Marcos spreekt in dit kader zelfs van de ‘Vierde Wereldoorlog’4: de kapitalistische warenlogica ging op veroveringstocht om nieuwe afzetgebieden en nieuwe domeinen van het leven in te palmen. Toni Negri en Michael Hardt hebben in Empire5 met zin voor detail het hiermee gepaard gaande postmoderniseringsproces van de wereldeconomie beschreven: de industriële fabrieksarbeid werd grotendeels verplaatst naar het Zuiden, terwijl in het Noorden de immateriële arbeid in de dienstensector sterk tot ontwikkeling kwam. Een nieuwe internationale arbeidsdeling kwam zo tot stand, waardoor de wereld van de arbeid steeds meer gediversifieerd en gefragmenteerd geraakte. Daarin ligt besloten dat de ‘klassenanalyse vandaag toch weer wat ingewikkelder is dan vroeger’, zoals Janssens terecht opmerkt. Het heeft inderdaad al even weinig zin om het traditionele begrip ‘proletariaat’ zodanig uit te breiden zodat bijna iedereeen eronder valt, als stijfhoofdig vast te houden aan de klassieke (industriële) invulling ervan. Vandaar dat Negri en Hardt het concept proletariaat hebben vervangen door de multitude, d.i. het netwerk van organisaties en individuen aan de basis, net het spiegelbeeld van de imperiale supranationale instellingen.

Democratisch deficit

Eén van de meest significante aspecten van dit mondiale conflict is zoals bekend de uitholling van zowel de economische, de politieke als de culturele soevereiniteit van de natiestaat die daarbij wordt omgevormd tot eenvoudigweg een ‘departement van de neoliberale hypermarkt’. De economie regeert, de overheid managet. Financiële instellingen en multinationale ondernemingen zijn in het postmoderne tijdperk zo machtig geworden dat zij de fundamenten van de (representatieve) democratie bedreigen.6 Blommaert heeft overschot van gelijk door te stellen dat ‘democratie naast en buiten de vrije markt staat’, eerder dan dat ‘democratie rechtstreeks voortspruit uit een vrijemarkteconomie’.

Ecologisch deficit

De premissen van het systeem zitten dus grondig fout zowel op sociaaleconomisch als op democratisch vlak. Bovendien kan men via een eenvoudige ecologische rekensom eveneens aantonen waarom het neoliberalisme geen soelaas kan brengen voor de grote meerderheid van de wereldbevolking (d.i. een aspect dat Blommaert mijns inziens te weinig uitdiept). Laten we het toch nogmaals benadrukken. Het welvaartspeil van de gemiddelde westerling (bv. energie-, water- en vleesconsumptie) kan gezien het beperkte ecologische draagvlak van de aarde onmogelijk veralgemeend worden naar de totale wereldbevolking. Hierbij kunnen we verwijzen naar de gerenommeerde publicaties van het Worldwatch Institute en het World Wide Fund for Nature, evenals tal van wetenschappelijke publicaties omtrent deze materie.7 Volgens berekeningen van het WWF overschrijdt sinds midden jaren 70 de totale ecologische voetafdruk van de wereldbevolking de mondiale regeneratiecapaciteit van de aarde. In 1997 was de ecologische voetafdruk al 30% groter dan de totale regeneratiecapaciteit. De Noord-Zuidkloof is hier schrijnend: de 20% rijksten zijn verantwoordelijk voor 80% van de mondiale vervuiling. Een gemiddelde westerse baby verbruikt 40 tot 70 keer meer water dan een pasgeborene uit het Zuiden. Een doorsnee Noord-Amerikaan laat een ecologische voetafdruk na van 19 ton CO2 per jaar t.o.v. minder dan 2 ton CO2 per jaar van een inwoner uit het Zuiden. De excessieve ecologische voetafdruk resulteert rechtstreeks in de destructie van fauna en flora met een drastisch verlies aan biodiversiteit tot gevolg. Abicht drukt ons met de neus op de feiten wanneer hij de volgende vraag stelt: ‘Zullen we echt in staat zijn om de vreselijke keuze te vermijden tussen een wereldbevolking van 1,6 miljard mensen met een levensstandaard als die van vb. Canada of een wereldbevolking van 30 miljard met de levensstandaard van Bangladesh?’. Zelfs de meest fervente techniekoptimist kan hier bitter weinig tegen inbrengen.

Menselijk deficit

Bovendien is het resultaat van het neoliberalisme ook op menselijk vlak desastreus, zelfs voor de zgn. winnaars. De onderwerping van alle aspecten van het leven aan de markt werkt verlammend op iedereen. De hooggeschoolden met de ‘goede’ jobs worden net zoals de interimarbeiders van Adecco geconfronteerd met een loodzware prestatiedruk. De obligate stress en de lange werkuren laten weinig ruimte vrij voor ‘onthaastingsactiviteiten’. De steeds toenemende individualisering van de arbeidsomstandigheden resulteert in een bevreemdende isolatie, met een algemene vernauwing van het leven tot gevolg. Fantasieën, dromen, ideeën, gevoelens, projecten voor alternatieve levenswijzen en sociale zelfontplooiing worden gekraakt, onderdrukt en gefnuikt. Op de keper beschouwd vormt het neoliberalisme een aanval op de mensheid, niet alleen in de zin van het structurele geweld tegenover de miljoenen have-nots op deze planeet maar eveneens als een oorlogsverklaring tegen het humanistische project. Het is daarom niet verwonderlijk dat de eerste ‘intergalactische conferentie’ van de Zapatisten in juli 1996 de originele naam For humanity and against neoliberalism meekreeg.

Race to the bottom

Om de winstvoeten van de investeerders hoog genoeg te houden, worden de productieketens van de multinationale ondernemingen ruimtelijk opgesplitst. Arbeidsintensieve activiteiten worden uitbesteed aan de export processing zones (lees: de sociale kerkhoven); milieubelastende activiteiten worden verplaatst naar de vervuilingsparadijzen; terwijl winsten worden geaccumuleerd in de belastingsparadijzen. In de praktijk leidt de huidige globalisering tot de zgn. race to the bottom, aangezien de landen van het Zuiden verplicht worden om de sociale, fiscale en milieunormen steeds verder te verlagen ten einde (mobiel) internationaal kapitaal aan te trekken. Dit levelling-downproces heeft eveneens een sterk negatieve impact op de arbeidsvoorwaarden in de ‘ontwikkelde’ landen.
Het plaatje wordt nog somberder wanneer je de evoluties binnen de multilaterale internationale instellingen zoals de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en het IMF enerzijds en de VN anderzijds bekijkt. Zo legt de WTO strenge vrijhandelswetten op die met zware sancties worden bestraft in het geval van niet-naleving, terwijl de milieuakkoorden (vaak in het kader van de VN) bijna niet kunnen worden afgedwongen. De internationale gemeenschap werkt met twee maten en gewichten: ‘harde wet’ voor internationale handelsregels versus ‘zachte wet’ voor multilaterale milieuakkoorden. Zo kunnen de VS probleemloos het (sowieso al totaal ontoereikende) Kyoto-protocol naast zich neerleggen, terwijl Europese consumenten en hun overheden door de WTO bestraft worden omdat zij de import van (ongezond) met hormonen behandeld vlees uit de VS willen verbieden. Wat de aanpak van grensoverschrijdende milieuproblemen betreft, ontstaat er trouwens een steeds grotere kloof tussen de principes die door de VN worden verdedigd (zoals het Voorzorgsprincipe, duurzaamheid, enz.) tegenover de filosofie van de WTO (die zich baseert op het principe van de ‘betrouwbare’ wetenschappelijke kennis: sound science). De WTO keert hierbij het voorzorgsprincipe om: zij legt de bewijslast bij de consument i.p.v. bij de producent en dat kan tot noodlottige toestanden leiden (cf. discussies omtrent veiligheidsaspect van genetische gewijzigde organismen8).

Vrije handel?

Het is jammer dat de pragmaticus Janssens in zijn pleidooi voor de ‘sociaal gecorrigeerde markteconomie’ in alle talen zwijgt over deze multilaterale instellingen, aangezien zij net de mogelijkheid om de economie sociaal (en ecologisch) te corrigeren een zware hypotheek opleggen. In die context beweert Janssens dat het probleem van de globalisering erop neerkomt dat er internationaal te weinig regels zijn. Maar is dat wel het geval? In de werkelijkheid is er veeleer sprake van een gereguleerde deregulering. De neoliberale globalisering vereist immers tal van regulerende instrumenten die haar efficiëntie dienen te garanderen. De moeilijkheid bestaat er juist in dat die regels opgesteld en gecontroleerd worden door en in het belang van de Heren van het geld. Bovendien stelt Janssens zich te weinig vragen bij de (on)vrijheid van de vrijhandel. In de jungle van de big business bestaat er weinig vrijhandel en nog minder eerlijke handel. Men dient eerder te spreken van een gedwongen markt met als voornaamste karakteristieken: geheime afspraken en kartels, privé-monopolies en oligopolies, dumpingpraktijken en westers protectionisme, speculatie, financiële criminaliteit, belastingontduiking, witwaspraktijken, spionage en piraterij, inherente corruptie in de sleutelsectoren van de economie en de staatsapparaten, enz. Noam Chomsky windt er geen doekjes om wanneer hij de reëel bestaande vrijemarkteconomie als volgt omschrijft: ‘De marktdiscipline is bestemd voor de economisch zwakkere, maar niet voor de economisch sterkere, tenzij de sterkere er tijdelijk een buitenproportioneel voordeel kan uithalen’.9 In deze context dient men nog te verwijzen naar de zich ontwikkelende verhouding tussen globalisering en militarisering en de organische banden tussen het militair-industrieel complex en het Amerikaanse staatsapparaat. Zelfs Thomas Friedman, topcolumnist van de New York Times en tevens één van de goeroes van het neoliberalisme, gaf recent toe dat de verborgen hand van de markt nooit kan functioneren zonder de verborgen vuist.10

There is no alternative: Ya Basta!

In het vlijmscherpe De terreur van de globalisering11 merkt de Franse schrijfster Viviane Forrester op: ‘Niet het onmiddellijk oplossen van valse problemen heeft de meeste haast, maar het onmiddellijk definiëren van de echte problemen en weerstand bieden aan wat door die problemen teweeg wordt gebracht, is belangrijk. (…) Het is geen ‘oplossing’ aan te komen met een pasklaar model dat met onmiddellijke ingang een volkomen nieuwe, blinkend schone maatschappij belooft’. Zonder twijfel bestaat vandaag de dag de voornaamste taak erin om te rebelleren tegen de huidige top-down globalisering. Op de keper beschouwd kan men het TINA-postulaat van Iron Lady Margareth Thatcher ook omkeren. There is no alternative: men heeft daadwerkelijk geen keuze meer, men moet zich verzetten! Vandaar komt de magnifieke uitdrukking: Todos somos Marcos (‘We zijn allemaal Marcos’).

Alternatieven?

Daarmee kan men natuurlijk de (deels) terechte vraag naar concrete alternatieven, zoals ook Janssens die stelt, niet omzeilen. Het is evident dat die andere wereld waarvoor de alternatieve globaliseringsbeweging ijvert, niet langer kan opgebouwd worden met de oude recepten van het traditionele socialisme of marxisme. Nieuwe, geactualiseerde radicaal-democratische modellen (i.p.v. hét alternatief) zullen doorheen de moeilijke zoektocht naar een andere wereld tot stand moeten komen. Noodzakelijkerwijs is dit een werk van lange adem, waarin er op een bedachtzame wijze in en tegen het kapitalisme in, bepaalde elementen en voorwaarden voor een andere maatschappij uitgebouwd worden.12 De Zapatisten drukken dit zeer poëtisch uit: Preguntando caminamos (‘al vragend komen we vooruit’). De kritiek op het bestaande wereldsysteem moet worden omgezet in concrete projecten, waarbij we tevreden moeten zijn met de successen die we bereiken als we de embryo’s van tegenmacht tot ontwikkeling laten komen. Andermaal kunnen we verwijzen naar de Zapatisten die stellen dat de verovering van de (staats)macht hen niet interesseert. Zij wensen daarentegen de macht over te dragen naar de basisgemeenschappen zodat de burgers terug greep krijgen op de politiek en de economie. In hun schema (Mandar obedeciendo: ‘leiden al gehoorzamend’) ligt het initiatief bij de basis en zijn de politici op institutioneel vlak de instrumenten van de basis. Is dit niet precies het omgekeerde van de situatie heden ten dage waar politici welwillend allerlei basisinitiatieven zien ontstaan omdat die hun machtsbasis kunnen vergroten? In dit laatste schema dient de basis als passieve ondersteuning voor de positie van bepaalde politieke elites.

Revolutie of reformisme?

Anno 2002 gaat het niet langer op om de opbouw van een andere wereld uit te stellen tot na de (denkbeeldige) Grote Revolutie (le Grand Soir). Het oude, verlammende dilemma ‘revolutie of reformisme’ - dat ook Janssens opnieuw uit zijn toverhoed te voorschijn haalt - is vandaag de dag totaal misplaatst. Het is daarom jammer dat menig publicist de alternatieve globaliseringsbeweging opdeelt in twee oppositionele kampen: de ‘reformisten’ die het kapitalisme menselijker willen maken versus de ‘postkapitalisten’ die op termijn hopen op een ander, menselijker systeem met minder macht voor bezitters van geld.13 Dit houdt het gevaar in dat de tegenstanders van deze beweging worden uitgenodigd om een verdeel-en-heerspolitiek te voeren om zo de eerste internationale emancipatiebeweging van het nieuwe millennium te breken.

De sociaaldemocratie en de Seattle-beweging

Janssens beweert dat de sp.a ‘ondubbelzinnig de beweging voor een andere globalisering steunt’. Uiteraard roept dit bij ons tal van vragen op. Wat bedoelt Janssens precies wanneer hij de hand aan de andersglobalisten reikt? Zonder enige twijfel bestaat er de angst bij vele basisactivisten dat de ‘linkse’ partijen de beweging zullen trachten te recupereren. Voorzichtigheid is hier geboden, aangezien zowel de sociaaldemocratische als de groene partijen grotendeels ingekapseld zijn in het dominante wereldbestel waarin de economische en financiële krachten de scepter zwaaien. De manoeuvreeruimte die de sociaaldemocratische partijen tijdens de keynesiaanse periode nog wel hadden, is sinds de jaren 70 (opkomst neoliberalisme) flink ingeperkt. Gelukkig lijkt het erop dat, mede onder invloed van de opkomst van de alternatieve globaliseringsbeweging, een kentering in de ideologische slingerbeweging nakend is.
Hoe moeten de andersglobalisten zich in deze context dan tot de partijpolitiek verhouden? Ons insziens zal de Seattle-beweging, indien zij haar onafhankelijkheid hoog in het vaandel voert, afstand moeten houden van de electorale machtsarena. Dit betekent nochtans niet dat de beweging de politiek de rug moet toekeren. Het zou zeer onverstandig zijn om in vulgaire antipolitiek te vervallen. Concreet kan zij trachten bruggen te bouwen met oppositionele partijen en progressieve individuen binnen de bestaande sociaaldemocratische (en groene) partijen. Toch blijft de fundamentele taak van de alternatieve globaliseringsbeweging erin bestaan zich verder te ontwikkelen tot een krachtige internationale basisbeweging. Alleen wanneer er van onderuit voldoende druk op de ketel wordt gezet, zullen haar eisen (bv. Tobinheffing, afschaffing Derdewereldschuld, vermogensbelasting, enz.) ook daadwerkelijk politiek vertaald kunnen worden in sociaal-ecologische beleidsmaatregelen. Als dát Janssens’ zijn bijdrage vormt tot de beweging, dan mag hij de andersglobalisten tot zijn vriend(inn)en rekenen.
Vandaar kan men zonder dralen stellen dat, als het de sociaaldemocratie werkelijk menens is, zij anno 2002 voor een cruciale keuze staat: ofwel blijft zij verder ronddwalen in de cul-de-sac van de Derde Weg, ofwel gaat zij - ondanks het nog steeds moeilijke klimaat - opnieuw over tot het politieke offensief. Dat betekent dat de sociaaldemocratie openlijk met alle illusies van de neoliberale ideologie zou breken en, zoals Blommaert terecht oppert, ‘de ruggengraat van het socialistisch project zou trachten te herontdekken.’

Noten
1. Jan Blommaert, ‘Open brief aan Patrick Janssens, voorzitter sp.a’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 8 (bijlage), 2001.
2. Patrick Janssens, ‘Socialisme voor de middenklasse?’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 9, 2001.
3. Ludo Abicht, Intelligente emotie, Houtekiet, Antwerpen, 2001.
4. Marcos beschouwt immers de Koude Oorlog (1948-1989) als de Derde Wereldoorlog en ziet het neoliberalisme als wereldsysteem als een nieuwe wereldoorlog voor de verovering van nieuwe gebieden. Voor een bijzonder originele analyse van het proces ‘globalisering’, zie: Subcomandante Marcos, ‘The fourth world war has begun’, Le Monde Diplomatique, September 1997.
5. Michael Hardt en Toni Negri, Empire, Harvard University Press, US, 2000
6. George Monbiot, de gerenommeerde journalist van The Guardian, schreef zeer recent het onthutsende boek Captive State, The Corporate Takeover of Britain (Macmillan, UK, 2000) dat een gedocumenteerde aanklacht biedt van de invloed van de bedrijfswereld op de New Labour-partij van Tony Blair.
7. Zie State of the World 2001, Norton, New York, 2001 (www.worldwatch.org); Ricardo Petrella, Water als bron van macht, Van Halewijck, Leuven, 1999; Living Planet Report 2000 (WWF), www.panda.org.
8. Het debat omtrent de wenselijkheid en veiligheid van genetisch gewijzigde organismen in de landbouw kwam pas op gang na de grootschalige commercialisering van meer dan 50 verschillende genetisch gemanipuleerde soorten. Gezien het onomkeerbare karakter van de introductie van genetisch gewijzigde soorten in de natuur is dat m.a.w. duidelijk te laat.
9. Noam Chomsky, O neoliberalismo e a ordem global, Notícias editorial, Lisboa, 1999.
10. Thomas L. Friedman, The Lexus and the Olive Tree, Farrar, Straus and Giroux, New York, 1999.
11. Viviane Forrester, De terreur van de globalisering, Rainbow Pocketboeken, Byblos, Amsterdam, 2000.
12. Zie o.a. Johny Lenaerts, ‘Naar een libertair alternatief’ in de brochure: ‘Het ei van Durruti’, bijlage bij De Nar, Nr 169, 15 oktober 2001; Peter Tom Jones, ‘Een andere wereld is mogelijk…voor een alternatieve globalisering’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 7, 2001; Peter Tom Jones, ‘De handbijbels van de ‘Seattle-beweging’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 9, 2001.
13. Zie o.a. John Vandaele, ‘Kroniek van een aangekondigde beweging’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 4, 2001; Dirk Barrez, De antwoorden van het antiglobalisme, van Seattle tot Porto Alegre, Globe, België, 2001.

Met dank aan Johny Lenaerts, Roy Jones, Saren Swinnen, Deirdre Maes en David Dessers voor de interessante discussies n.a.v. deze tekst.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 30