Abonneer Log in

Het verziekte debat over asiel en migratie

Commentaar bij de top in Sevilla en pleidooi voor een Europees asielsysteem

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 10 tot 17

Veel geblaat, weinig wol

De geschiedenis herhaalt zich elk half jaar: telkens een lidstaat het Europees voorzitterschap overneemt worden (over)moedig enkele prioriteiten en doelstellingen vastgelegd. Sinds de top van Tampere (oktober 1999) wordt hierbij steevast ook asiel en migratie naar voren geschoven. Dit was bij het Belgisch en Spaanse voorzitterschap heel expliciet het geval en ook Denemarken dat vanaf 1 juli 2002 voorzitter is, kondigde migratie als topprioriteit aan. Eén en ander heeft te maken met de groeiende nood aan een meer gemeenschappelijk en op elkaar afgestemd beleid, met de EU-uitbreiding naar het oosten en een aantal afspraken die in het verleden zijn gemaakt.1 Het begint echter stilaan een slechte gewoonte te worden dat men ondanks de ronkende politieke en mediatieke verklaringen er nooit in slaagt ten gronde werk te maken van het immigratiethema, laat staan dat er veel resultaten zouden worden geboekt. Het is ronduit storend dat het delicate thema steeds weer wordt misbruikt voor politieke profilering en dat we overstelpt worden door oneliners van een soms beschamend niveau, terwijl niemand ook maar een poging doet om tot een ietwat fundamenteler en vooral serener debat te komen. Zo hebben we het in de periode vlak vóór het Belgisch voorzitterschap moeten meemaken dat elk politiek debat over asiel en migratie op unfaire wijze werd afgeblokt met het argument dat de te bespreken onderwerpen allemaal behandeld zouden worden op Europees niveau tijdens het Belgisch voorzitterschap. Daar is weinig van in huis gekomen. Buiten de Europese migratieconferentie die A. Duquesne organiseerde op 16-17 oktober 2001 in het Europees Parlement, maar waarvan later geen kat nog iets heeft gehoord, is er rond migratie bitterweinig gebeurd. Bovendien schuift men tot op vandaag af en toe de paraplu open en gebruikt de Belgische regering Europa als alibi om zelf niets te moeten doen. Denken we maar aan het uitblijven van een statuut voor bijkomende bescherming en de discussie over het opheffen van de migratiestop.
België kan zich nog verschuilen achter de gebeurtenissen van 11 september die begrijpelijkerwijs het programma hebben verstoord. Maar tijdens het Spaans voorzitterschap verliep het niet anders. Meer bepaald in de aanloop van de top van Sevilla (juni 2002) werd de spanning rond asiel en migratie ten top gedreven. Er werden forse verklaringen afgelegd door verschillende regeringsleiders (met Blair en Aznar in de hoofdrol) over het verminderen van de ontwikkelingssamenwerking met die landen die veel ongewenste migratie genereren. De media stonden bol van alarmberichten inzake de beslissingen die in Sevilla zouden worden genomen en in kranten, op radio en televisie werden onze toppolitici, mensen van het Ociv en de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen gevraagd om met elkaar te debatteren. Maar wat blijkt: Sevilla en de hele heisa ervoor waren een maat voor niets. Het thema is al bij al een goed uur aan de orde geweest. In de conclusies staan geen noemenswaardige zaken, enkel obligate consensusfrasen over de voorstellen om illegale migratie te verminderen, liefst in samenwerking met de landen van herkomst of de transitlanden, en intenties om de buitengrenzen nog beter te bewaken. Er is ook nog maar eens een nieuwe kalender afgesproken die de vorige planningen moet vervangen: voor eind 2003 moeten de gemeenschappelijke normen voor asielprocedures en de vluchtelingenstatus goedgekeurd zijn en tegen maart 2003 moet de Commissie een haalbaarheidsstudie klaar hebben over een gezamenlijk identificatiesysteem voor visa.

Perverse redenen om over migratie te praten

Voor wie het asiel- en migratiedebat volgt was het de zoveelste ontnuchterende ervaring. De hele affaire heeft nog maar eens aangetoond hoe gevoelig het thema migratie ligt. Enkele ondoordachte uitspraken (het ging niet eens om schriftelijke verklaringen) volstaan om de publieke opinie voor enkele dagen in rep en roer te zetten. De hele heisa heeft nog maar eens aangetoond hoe makkelijk het migratiethema zich laat misbruiken voor kleinzielige politieke profilering en belachelijk groteske polemieken. Nogmaals is gebleken dat op geen enkele manier een discussie, die naam waardig, over het onderwerp kan worden gehouden, noch door politici, noch in de pers, noch elders in de publieke ruimte.
Alleen al de manier waarop het migratiethema aan de orde wordt gesteld is bedroevend. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat men eigenlijk nauwelijks geïnteresseerd is in een waardig Europees migratiebeleid. Nochtans brengt het gebrek aan zo een beleid een enorm deficit aan het daglicht dat alleen maar aantoont hoe illusoir Europa op de meeste (niet strikt economische) terreinen nog is. Waarom wordt het thema dan toch keer op keer op de agenda gezet? Niet om op korte termijn een beter, laat staan ruimhartiger, beleid te kunnen ontwikkelen, niet omdat men met de (schendingen van) rechten van migranten begaan is, niet omdat men de uitdagingen van de globalisering voor het migratiebeleid onder ogen wil zien en ook niet omdat Europa met een asielcrisis af te rekenen heeft; nee, het thema komt op de agenda omdat men bang is van mensen als Jean-Marie Le Pen, Pim Fortuyn, Filip Dewinter en Silvio Berlusconi. Hoewel van een verschillend allooi, geven deze mensen alvast de indruk dat ze met een antivreemdelingendiscours een groot deel van het electoraat voor zich kunnen winnen. Hun politieke tegenstrevers slagen er blijkbaar niet in een ernstig verhaal op te hangen dat tegenwicht kan bieden. Er is helemaal geen tegenanalyse die de frasen van populistisch en extreemrechts kan weerleggen. Dan maar van hetzelfde laken een pak. Van een Europese top wordt dan dankbaar gebruik gemaakt als forum om ook een paar forse uitspraken te doen inzake migratie en vreemdelingenbeleid. Was het niet schrijnend dat landen als Spanje en Groot-Brittannië die tot hiertoe altijd de boot hebben afgehouden om over een meer gemeenschappelijk Europees migratiebeleid te spreken, nu het voortouw namen om Europa tot meer gemeenschappelijke repressieve maatregelen te dwingen?
Het is duidelijk dat Aznar, Blair en consorten een nummertje hebben willen opvoeren voor eigen volk2, op een forum waar dat blijkbaar ongestraft kan. Nog schrijnender is dat onze toppolitici op Europees niveau niet eens inzien wat iedereen met een greintje gezond verstand ziet gebeuren, nl. dat hun strategie om populistisch en extreemrechts van antwoord te zijn niets anders oplevert dan een klimaat waarin het antivreemdelingenverhaal nog meer ingang vindt bij de Europese bevolking. Niet alleen nieuwkomers (al dan niet met papieren) worden op die manier geproblematiseerd, maar eigenlijk alle vreemdelingen en ook zij die al lang op legale wijze in Europa verblijven. Zodoende wordt de politieke tegenstanders een nog sterker electoraat aangeboden…

Een opwarmertje voor verdere discussie

Ik schreef het al, wat mij het meest irriteert is dat op geen enkele manier een sereen debat over migratie mogelijk blijkt, terwijl het onderwerp niets beters verdient.3 Het gaat om mensenrechten, de toekomst van onze samenleving, de Noord-Zuidverhouding, kortom allemaal zaken die ons nauw aan het hart zouden moeten liggen. Zolang er op Europees niveau wordt getreuzeld met een ernstige aanpak van migratie blijven de lidstaten elk afzonderlijk aanmodderen. Dat resulteert in een wedren van maatregelen die er moeten voor zorgen dat het eigen land zo weinig mogelijk populair is voor ongewenste migratie. Ik wil hier slechts ingaan op één facet van het migratiebeleid, m.n. het asielbeleid. Mijn stelling is dat er dringend nood is aan gemeenschappelijke actie van de lidstaten, maar dat de voornemens die nu op tafel liggen lang niet ver genoeg gaan. De ideeën inzake asiel gaan namelijk over het vastleggen van minimumnormen voor een gemeenschappelijk beleid.4 Deze minimumnormen zijn van belang voor landen met een slecht uitgebouwd asielbeleid, maar laten we niet naïef zijn: voor de meeste landen, waaronder België, zullen ze helemaal geen betekenis hebben. Ze zullen enkel bevestigen wat we al jaren doen. Het gevaar bestaat zelfs dat de minimumnormen als vrijgeleide worden gebruikt om bepaalde praktijken af te bouwen.5 Daarom wil ik hier pleiten voor een meer ingrijpende aanpak. Met name dat de nationale staten de asielprocedure overdragen aan een Europese instantie die de intake gedecentraliseerd organiseert, voornamelijk aan de buitengrenzen van de EU. Het idee is in verschillende hoedanigheden al enkele keren geopperd, maar wordt steeds op emotionele reacties onthaald en met argumenten afgeketst die niet altijd van grote intellectuele eerlijkheid getuigen.6 Ik wil een aanzet geven om de discussie hierover aan te gaan.

Europees systeem voor asielaanvragen aan de buitengrenzen (ESAG)

Het voorstel is om de asieladministratie uit te besteden aan een communautair orgaan. Dat de asielinstanties niet meer onder de bevoegdheid zouden staan van nationale staten is nog steeds een revolutionair idee. Zelfs de Europese Commissie hoedt er zich voor ook maar iets in die richting te suggereren. In haar mededeling over een gemeenschappelijk asielbeleid (Com (2000) 755: 1.3) staat duidelijk dat de uniforme vluchtelingenstatus niet zal worden toegekend door een communautair orgaan. De commissie hanteert het subsidiariteitsbeginsel dat de beslissingsbevoegdheid op nationaal niveau houdt.
Het communautair orgaan zou op verschillende plaatsen in Europa, in het bijzonder bij de buitengrenzen (incl. luchthavens), op basis van eenvormige criteria en definities de eerste fase van de asielprocedure op zich nemen. Het moet een ruime interpretatie van het asielrecht hanteren op basis van een eenheidsprocedure7 waarbij naast de Conventie van Genève ook andere rechtsnormen, volgens prioriteit, in aanmerking kunnen worden genomen (artikel 3 van het Europees Mensenrechtenverdrag of artikel 3 van het Anti-folterverdrag van de VN, vervolgens humanitaire redenen, of uiteindelijk technische obstakels voor verwijdering).
Eenmaal de aanvraag ontvankelijk is verklaard kan de asielzoeker kiezen in welk land hij/zij de ééngemaakte procedure verder zet en eventueel als erkend vluchteling wil blijven leven. De keuze van de asielzoeker moet bijgestuurd worden door een systeem van burden sharing dat moet vermijden dat alle asielzoekers in hetzelfde land terechtkomen. Dit geïntegreerd asielbeleid kan aangevuld worden met meer ondersteuning van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR), het opvangen van contingentvluchtelingen, een soepeler visumbeleid en eventueel een extra immigratiekanaal.8 Bovendien moeten alle maatregelen die de toepassing van de genoemde conventies en verdragen verhinderen worden geschrapt.
Algemene vertrekpunten:
- Bijna niemand pleit nog voor open grenzen.9 Het beleid moet aan migratiemanagement doen dat mensen toelaat en weigert op basis van duidelijke criteria.
- Mensen die bescherming nodig hebben moeten asiel kunnen aanvragen en hiervoor moet een rechtvaardige procedure worden ontwikkeld. De procedure moet doorzichtig en toegankelijk zijn, voldoende rechtsbescherming garanderen en binnen een redelijke termijn afgehandeld worden.
- De politieke evolutie en de migratierealiteit maken een gezamenlijk asielbeleid noodzakelijk. Deze consensus wordt niet enkel gedragen door politici die er enkel op uit zouden zijn het aantal asielzoekers in hun land te verminderen. Zelfs Ruud Lubbers, Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, stelt: ‘Europa’s complexe verzameling van nationale asielsystemen is dringend toe aan harmonisatie… door overeenstemming te bereiken over gemeenschappelijke criteria voor opvang, procedures en definities.’
- Verschillende lidstaten kampen met het probleem dat de asielprocedure door mensen wordt gebruikt die er niet in thuishoren. Het feit dat slechts gemiddeld 10% van de asielzoekers wordt erkend wijst hierop (tenzij men ervan uitgaat dat de asielinstanties niet goed hun werk doen en te streng en dus onrechtvaardig optreden, wat hier niet ons uitgangspunt is10). In verhouding worden ontzettend veel middelen gepompt in iets wat maar magertjes is qua output. De hele ‘asielindustrie’ (infrastructuur en personeel van verschillende asielinstanties en opvangtehuizen, de tolken, OCMW-steun, de procedure voor de Raad van State) kost meer geld dan wat een land als België begroot voor ontwikkelingssamenwerking. Ook de steun aan het UNHCR is maar een peulschil in
vergelijking met wat we hier besteden om slechts enkele duizenden mensen per jaar asiel te verlenen. Als we dan nog eens beseffen dat de meeste mensen die echt bescherming nodig hebben hier nooit geraken, dan kunnen we niet anders dan met onze eigen Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen concluderen: ‘We zijn verkeerd bezig’.11 In België is de situatie zelfs van die aard dat ons asielsysteem voor het ogenblik de normale werking van een algemeen rechtsinstituut als de Raad van State verhindert omdat er de laatste drie jaar zoveel beroepen worden aangetekend.12
Het belangrijkste element is dat de vluchtelingen hun rechten niet verliezen. Integendeel, ESAG garandeert beter dan nu het geval is de toegang tot een eenduidige procedure, zonder dat hiervoor het probleem van (illegale) grensoverschrijding aan de orde komt. Bovendien biedt ESAG mogelijkheden om de asielprocedure beter te managen wat opnieuw in het voordeel kan zijn van de vluchteling: zowel voor de vluchtelingen die in de procedure zitten, als voor degenen die opvang en bescherming behoeven in de regio. Ik licht enkele zaken puntsgewijs toe.
- Voor iemand in nood is het om het even waar hij bescherming kan vragen, als het recht op bescherming maar verzekerd is. In de vluchtelingenconventie van Genève staat dat iemand die bescherming nodig heeft asiel moet kunnen aanvragen, er staat niet dat een vluchteling het recht heeft te bepalen waar hij of zij precies asiel wil aanvragen. Bovendien sluit ESAG niet uit dat er met de wens van bestemming van de vluchteling wordt rekening gehouden.
- ESAG draagt bij tot het ‘zuiver’ houden van de asielprocedure omdat mensen die geen bescherming behoeven, met dit systeem er minder belang zullen bij hebben asiel aan te vragen. We moeten niet naïef zijn en duidelijk onder ogen zien dat de zgn. pull-factoren dikwijls een doorslaggevende rol spelen bij asielzoekers. Hoewel dit moeilijk precies te achterhalen is, kan men vermoeden dat voor veel asielzoekers de duur van de asielprocedure, de wijze van organisatie van onthaal, de mogelijkheid om financiële steun te bekomen, de mogelijkheid tot legale of illegale tewerkstelling en de aanwezigheid van netwerken voor de organisatie van migratie dikwijls een meer doorslaggevende rol spelen dan de push-factoren in het land van herkomst. Het feit dat België in verhouding tot andere lidstaten zoveel asielzoekers kent doet vermoeden dat mensen asiel aanvragen in België, in plaats van asiel aanvragen in België.
- Met het huidige systeem worden bepaalde landen zwaarder belast dan andere. Zo bevindt België zich al jaren aan de kop van het Europees peloton inzake het aantal asielzoekers (zeker in verhouding met het bevolkingsaantal). ESAG moet op basis van een goed uitgewerkt systeem van burden sharing aan dit euvel tegemoet komen. Ook de grensstaten zullen niet zwaarder belast worden. De asielprocedure is immers uitbesteed aan Europa en wordt ook zo gefinancierd. Daarna worden de asielzoekers op een rechtvaardige manier verspreid. Een belangrijk argument om de procedure uit te besteden is dat ESAG wil vermijden dat er landen zwaarder worden belast dan andere, zoals nu het geval is.
- ESAG kan tot een vorm van rationalisering leiden en aldus resulteren in een betere, meer rechtvaardige besteding van middelen. Nu moet elk land afzonderlijk centra voor landeninformatie runnen, eigen tolkendiensten organiseren, etc. Het geld dat vrijkomt door ESAG kan dienen ter ondersteuning van UNHCR zodat andere opvanginitiatieven hier of in de regio’s zelf meer middelen kunnen krijgen.
- De praktijk van asielshopping (asielaanvragen in verschillende landen) zou uitgesloten worden. Hiervoor bestaat reeds de conventie van Dublin maar die blijkt in de praktijk niet te werken. ESAG, gecombineerd met een gemeenschappelijk visa(documentatie)systeem, verhindert ook dat mensen bv. eerst met een toeristenvisum in Italië worden toegelaten om daarna hun papieren te doen verdwijnen en in Nederland asiel komen aanvragen.
- Mensen moeten niet langer beroep doen op tussenpersonen en/of informele netwerken om over de grens van de EU te komen vooraleer men asiel kan aanvragen. Aanmeldcentra kunnen op verschillende belangrijke plaatsen aan de buitengrens beschikbaar worden gemaakt. De mensensmokkelaars wordt dus een troef ontnomen.
- ESAG doorbreekt de negatieve spiraal van maatregelen op het niveau van de individuele lidstaten om zichzelf bij asielzoekers onpopulair te maken. Sinds de jaren 90 bestaat er een voortdurend opbod dat steeds drastischer wordt. Getuige hiervan zijn de recente wijzigingen in de migratiewetgeving in Nederland, Denemarken, Spanje en Italië. Een gezamenlijk beleid op basis van minimumnormen is m.i. niet in staat deze wedren een halt toe te roepen. Zolang dit niet gebeurt, lopen we het gevaar dat de asielprocedure ontoegankelijk wordt niet alleen voor ‘oneigenlijke’ asielzoekers maar ook voor vluchtelingen die bescherming nodig hebben. Zo worden in verschillende landen mensen zonder geldige papieren of mensen die hun reisroute niet voldoende kennen of kunnen bewijzen niet verder tot de procedure toegelaten. Dit zijn onzinnige criteria om toe te passen op potentiële vluchtelingen en zouden geen onderdeel mogen uitmaken van ESAG.
Een terechte kritiek op het huidige beleid is dat men steeds meer maatregelen treft die het recht op toegang tot de asielprocedure en het recht op bescherming aantasten (controles in verschillende luchthavens in Afrika, het steeds beter afsluiten van de buitengrenzen, carriers sanctions, visumplicht voor landen die veel asielzoekers genereren, het principe van safe third country, etc.) Maatregelen die indruisen tegen de Conventie van Genève omdat ze het recht op toegang tot de procedure verhinderen, kunnen geen onderdeel vormen van ESAG. ESAG wil juist het recht op toegang garanderen, o.a. via asiel(aanmeldpunten) aan de grens.
Het huidige repressieve beleid is er teveel op gericht zoveel mogelijk mensen buiten te houden, waardoor ook de rechten van vluchtelingen die bescherming nodig hebben in het gedrang komen. Officieel klinkt het wel dat de ‘echte’ vluchteling welkom is, maar het huidige beleid faalt op dit gebied door de toegang tot het grondgebied steeds meer te bemoeilijken. Dit resulteert in het doembeeld van Fort Europa waar niemand nog (ongevraagd) binnenkan. Niet de bescherming van vluchtelingen, maar de aantallen asielzoekers, dat is waar het vooral om draait. ESAG kan duidelijker toepassen wat ook nu de basisintenties van het beleid zijn: de mensen die bescherming nodig hebben asiel verlenen en onderscheiden van andere immigranten. Deze laatsten kunnen niet via asiel worden toegelaten, eventueel wel via andere kanalen, voor zover die bestaan of in de toekomst gecreëerd zullen worden.
Ik hoor de critici al zeggen: blijkbaar wil men enkel de echte vluchtelingen hier en alle andere asielzoekers moeten maar buiten blijven. Deze vaststelling klopt, maar dat is geen kritiek op ESAG. De mensen die hun afkeuring hierover uiten, moeten inzien dat ook het huidige systeem van deze premisse vertrekt (en we moeten daar niet hypocriet over doen): enkel de vluchtelingen die erkend worden kunnen hier worden toegelaten, alle andere asielzoekers worden niet toegelaten. Alleen is dat via het huidige systeem moeilijker te realiseren in de praktijk en is een systeem van asielaanvraag aan de grens op dit punt veel duidelijker en explicieter. Wat mij betreft een stap vooruit in plaats van achteruit.

Kritieken

De twee meest pertinente kritieken op ESAG zijn het probleem van de rechtshulp en het idee dat ESAG meer illegale migratie in de hand zal werken.
Wat het eerste betreft moet er nauwlettend op worden toegezien dat er voldoende advocaten en vertegenwoordigers van ngo’s aanwezig zijn, dat er een onafhankelijke beroepsprocedure is en dat men de expertise van de verschillende nationale instanties niet verloren laat gaan, maar er integendeel op verder bouwt. Aanvullend hierbij: ESAG impliceert niet dat het eerste deel van de procedure bij wijze van spreken ergens te velde gebeurt in het niemandsland tussen Duitsland en Polen. Terwijl de aanmeldcentra aan de grens georganiseerd kunnen worden, kan het eerste deel van de procedure gebeuren in de dichtstbijzijnde stad waar voldoende rechtshulp gegarandeerd wordt. Deze kritiek noopt dus tot extra waakzaamheid, niet tot het afvoeren van het idee.
De gedachte dat de illegale migratie zal toenemen is een geldige kritiek, maar het is m.i. het gevolg van elke poging om de asielprocedure zuiverder te maken. Ook met het huidige Belgische systeem (hanteren van het last-in-first-out-principe, geen financiële steun meer voor asielzoekers in de ontvankelijkheidsfase) stellen we een daling van het aantal asielzoekers vast. Dit leidt tot tevredenheid bij de asielinstanties, maar tot kritiek vanuit de ngo-wereld. Deze laatste wijzen erop dat een daling van de asielaanvragen niet betekent dat er minder migratie is. De mensen maken zich nu enkel niet meer kenbaar en verblijven hier illegaal. Dit is moeilijk echt te bewijzen maar wel plausibel. We moeten dus een afweging maken: ofwel is het een nobele doelstelling om de asielprocedure zuiver te houden, op straffe van meer illegale migratie; ofwel willen we de illegale migratie uitbannen door meer asielzoekers tot de procedure toe te laten. Alleen de eerste optie is verdedigbaar. De bedoeling van de asielprocedure is nog steeds (zoals de ngo’s zelf blijven beklemtonen) dat de vluchteling bescherming kan worden geboden, niet dus dat de asielprocedure een aanmeldcentrum wordt voor mensen die hier een tijdje willen verblijven om welke (begrijpelijke) reden dan ook. Asielinstanties moeten kunnen identificeren wie wel en wie geen bescherming behoeft. Wie hierbij niet vertrekt van de idee dat een asielprocedure ‘zoveel mogelijk’ zuiver gehouden moet worden, kan beter geen asielprocedure organiseren want ze zal nooit werkbaar zijn, ten nadele van de vluchtelingen zelf. De belangen van de vluchteling gaan voor op die van mensen die hier komen om andere redenen. En ik ben ervan overtuigd dat met de middelen die we redelijkerwijs willen en kunnen inzetten13 voor de asielprocedure de rechten van vluchtelingen het best gediend worden als de procedure niet wordt overvraagd. De waarschuwing voor meer illegale migratie maakt er ons op attent dat inspanningen om de asielprocedure zuiver te houden niet dé oplossing kunnen zijn voor de migratierealiteit zoals die zich aandient. Tal van andere beleidsopties en begeleidende maatregelen dringen zich op. Ik heb het hier slechts over één facet gehad dat moet kaderen in een integraal en weloverwogen migratiebeleid.

Noten
1. Het Verdrag van Maastricht (1992) bepaalt dat de ministers in de toekomst moeten streven naar een harmonisatie van het toelatingsbeleid. Het Verdrag van Amsterdam (1997, in werking sinds 1999) zette een belangrijke stap naar verdere communautarisering van het asiel- en migratiebeleid. Het bepaalt ook dat na 5 jaar (tegen 2004) moet vastliggen hoe over een gezamenlijk asiel- en visumbeleid beslist kan worden. In Tampere (oktober 1999) werd vastgelegd dat een scorebord zou worden bijgehouden zodat de vorderingen in het beleid beter geëvalueerd kunnen worden. Een eerste evaluatie had moeten plaatsvinden tijdens het Belgisch voorzitterschap, maar door de gebeurtenissen van 11 september is die verschoven naar de top van Sevilla. Tot slot is er ook nog het werk van de Commissie, meer bepaald van commissaris Antonio Vitorino, die de Raad moet aanzetten om tot gemeenschappelijke actie over te gaan.
2. Uit een Eurobarometer was gebleken dat 80% van de Europese bevolking gewonnen was voor een hardere aanpak van de illegale migratie, en ook bij lokale verkiezingen in Groot-Brittannië had extreemrechts op verschillende plaatsen kunnen doorbreken met een antimigratiediscours. Kort na Sevilla lekte ook uit dat Blair allerlei maatregelen aan het voorbereiden was om individueel de strijd tegen de illegale migratie naar Groot-Brittannië aan te gaan. Hij stelde voor om Britse agenten te laten patrouilleren in Amsterdam, Parijs en Brussel en om Britse oorlogsschepen in te zetten in het oosten van de Middellandse Zee.
3. Zie o.a. mijn ‘Migratie: pleidooi voor een creatief debat’, in Streven, 68 (2001) 7, 623-633.
4. cf. Verdrag van Amsterdam art. 63 en het Voorstel voor een richtlijn inzake minimumnormen voor de asielprocedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. (Com(2000) 578)
5. Zie bv. Amnesty International en Ociv (2001): ‘Een gemeenschappelijk asielsysteem voor de Europese Unie: De internationale bescherming voor vluchtelingen in gevaar’, http://eu.ngoforum.be/standpunt/stpt007.htm
6. In november 2000 lanceerde Premier Verhofstadt het idee om de asielinstantie te decentraliseren naar aanmeldcentra aan de buitengrenzen van het land. Het voorstel zorgde voor heel wat commotie in de media en de Franstalige partijen en Agalev gaven tegengas.
7. Cf. J. Vander Klaauw, ‘Een asielprocedure voor de toekomst’, lezing op OCIV-colloquium, The Commodification of Asylum. The Geneva Convention - Today and Tomorrow (te verschijnen).
8. Voor de discussie hieromtrent zie mijn Vreemdelingen over de (werk)vloer, Academia Press, 2001.
9. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken. Zie bv. J. Carens, ‘Aliens and Citizens: the case of open borders’, in The Review of Politics, 49 (1987) 3, 251-273; N. Harris, Thinking the Unthinkable: the Myth of Immigration Control, IB Tauris, 2002 of A. Chilosi, ‘Over de economie en de politiek van de onbeperkte immigratie’, in VMT (2001) 4, 33-36.
10. Waarmee ik helemaal niet gezegd heb dat de huidige procedure niet verder geoptimaliseerd kan worden. Zie bv. N. Vanderscheuren, ‘Het Belgische vreemdelingenbeleid versus de rechtsstaat en het behoorlijk bestuur’, in R. Commers & J. Blommaert (eds.), Het Belgisch asieldebat. Kritische Perspectieven, Epo/11.11.11.
11. Pascal Smet in het maandaginterview in De Morgen, 17 juni 2002. Ik weet dat we de asielinstanties niet enkel kunnen evalueren op basis van kwantitatieve en economische standaards. Anderzijds kunnen we ook niet ontkennen dat we met een probleem van rechtvaardige verdeling van schaarse middelen worden geconfronteerd.
12. Dit heeft te maken met een uitspraak van het Arbitragehof in 1998 die bepaalt dat asielzoekers recht hebben op sociale steun zolang de (lange) procedure bij de Raad van State loopt. Tijdens deze procedure kan wel tot uitwijzing worden overgegaan.
13. Men kan natuurlijk opperen dat er, gezien de grote instroom, meer middelen in de asielprocedure moeten worden gestoken. Dit voorstel negeert het probleem van de rechtvaardige verdeling van schaarse middelen. Zoals ik hierboven al aangaf zijn de middelen die de asielindustrie nu al opslorpt buiten elke redelijke proportie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 10 tot 17