Log in

Angst en racisme

Een onderzoek naar de inplanting van het asielcentrum in Alsemberg (Beersel)

De negatieve reacties in gemeentes waar aangekondigd wordt dat er een asielcentrum zal komen zijn gekend. We kunnen ons wellicht allen nog de beelden voor de geest halen van het protest van enkele jaren geleden uit De Haan of recenter, uit Westende of Houthalen-Helchteren. De aanwezigheid van deze negatieve attitude wordt in het dominante racismediscours verklaard door de aanwezigheid van angst. Er zijn echter ook gemeenten waar dit soort protest uitbleef, zo werden er bij de opening van het asielcentrum in Alsemberg (een deelgemeente van Beersel) amper negatieve reacties gehoord, integendeel. Deze variatie van reacties in verschillende gemeenten roept vragen op over de veronderstelde relatie tussen angst en racisme: het kan toch niet zijn dat een inwoner van De Haan ‘van nature uit’ angstiger is dan de gemiddelde Beerselnaar?

De drie belangrijkste terreinen waar vandaag het debat rond racisme wordt gevoerd zijn het wetenschappelijk onderzoek, de media en de politiek. Een analyse van het dominante discours in deze omgevingen (Dewilde, 2002)1 leert dat in het huidige racismedebat in Vlaanderen vooral één stelling geldt: angst leidt tot racisme. Die angst wordt opgeroepen door onveiligheid en criminaliteit, waarvan de gemiddelde Vlaming meent dat ze veroorzaakt worden door migranten. Ondanks het feit dat die stelling het fundament vormt van bijna elk onderzoek, media-analyse en politiek discours, zijn er in geen van hen ooit stappen ondernomen om inzicht te krijgen in de aard van die associatie. Wie maakt ze? Waarom? Wanneer? Onder welke omstandigheden?

Onderzoek

Op zoek naar verklaringen voor de afwezigheid van protest in Beersel werden tussen december 2001 en mei 2002 een dertigtal2 diepte-interviews gehouden, elk van gemiddeld anderhalf uur lang3 . Een tiental interviews werd gevoerd met bevoorrechte getuigen waaronder de burgemeester, de verantwoordelijke van het centrum, de politiecommissaris, de wijkagenten, directeurs van scholen en de verantwoordelijke ambtenaar voor communicatie van de gemeente. Voor de overige interviews werd beroep gedaan op willekeurig gekozen bewoners uit de gemeente Beersel.

Op 2 september 1998 lekte via Ring-TV uit dat het OCMW van Brussel, als eigenaar van het voormalige sanatorium in Alsemberg, een deelgemeente van Beersel, onderhandelingen had gestart met het Rode Kruis om van het instituut een asielcentrum te maken. Zowel voor de burgemeester en andere beleidsmensen als voor de inwoners van Beersel was dit bericht een complete verrassing. Sinds 15 december van datzelfde jaar vinden asielzoekers er onderdak, vandaag leven er gemiddeld 165 personen.

De twee meest voorkomende initiële reacties waren angst en een Not-In-My-Backyard-houding (NIMBY). Deze attitudes bevestigen dus in eerste instantie het klassieke discours van angst en racisme. Maar deze bevinding volstaat niet als verklaring voor de oorzaken van angst. In de interviews werd dan ook gepeild naar de diepere dimensies van die angst. Het blijkt zeer duidelijk te gaan om een subjectieve ervaring van angst: geen enkele van de respondenten was ooit het slachtoffer van criminele feiten gepleegd door asielzoekers. Van waar dan die link van asielzoekers met criminaliteit? Tijdens de interviews beginnen de respondenten heel vaak hun verklaring voor hun initiële angst met één van de volgende zinsneden ‘op TV zie je’, ‘in de krant lees je’, ‘ze zeggen’, ‘je hoort toch overal’. Er zijn dus twee bronnen voor hun ‘kennis’ over de criminele feiten gepleegd door asielzoekers, namelijk de media en gesprekken met andere mensen. Hieruit blijkt dat het bij een negatieve initiële houding tegenover asielzoekers niet zozeer gaat over angst gestoeld op reële ervaringen, maar veeleer over een aangeleerde angst. Dat het om een maatschappelijke constructie gaat, blijkt ook uit het vervolg van de analyse.

In dezelfde interviews werd tevens gepeild naar de huidige houding tegenover de asielzoekers. Het blijkt dat in de meeste gevallen de initiële angst verdween en vervangen werd door een neutrale of zelfs positieve houding tegenover de asielzoekers. De schrik en de negatieve houding verdwenen duidelijk bij deze respondenten. Ook in gemeentes waar oorspronkelijk veel protest was (zoals bijvoorbeeld in Lint) merkt men doorheen de tijd soms een evolutie naar minder negatieve attitudes. Het verschil is echter dat deze evolutie in Beersel veel sneller én grondiger verliep. Deze bevinding roept natuurlijk vragen op naar de redenen hiervoor. Indien een antwoord kan gevonden worden op die vraag, komen we misschien ook dichter bij een strategie voor het aanpakken van de algemene angst voor en de negatieve attitudes tegenover asielzoekers.

In de interviews werd gevraagd of er een georganiseerd verzet was tegen het centrum. Deze vraag wordt altijd ontkennend beantwoord. Wanneer gepeild wordt naar de redenen voor de afwezigheid van zulk verzet, begint een opvallend groot aantal mensen spontaan over de informatiecampagne van de gemeente te praten. Ook werd vaak verwezen naar de houding van burgemeester Casaer (CD&V) in de hele kwestie. De burgemeester stelde zich positief op tegenover de komst van het centrum en voerde een zeer open communicatiebeleid. Uit de interviews blijkt duidelijk dat de mensen dat weten te waarderen en dat ze het als een enorme geruststelling ervaren. Wanneer een burgemeester tegen de komst van een centrum is, ziet de bevolking zich bevestigd in haar gevoelens van angst en kan zij er zonder gewetensproblemen een negatieve houding ten opzichte van asielzoekers op nahouden, ‘de burgemeester is er immers ook tegen’. Een positieve houding van de burgervader ten opzichte van de nieuwkomers is blijkbaar van kapitaal belang aangezien hij in zekere zin een voorbeeldfunctie uitoefent voor een groot deel van zijn bevolking.

Initieel was de angst voor de nieuwe migranten er bij de bevolking van Beersel wel. Logisch, via de media en ook door een aantal nationale politici werd het angstdiscours er bij iedereen met de paplepel ingegeven. Men deed er op lokaal niveau in Beersel echter alles aan om die angst voor asielzoekers weg te bannen. Als men de huidige attitudes van de bevolking bekijkt, kan men spreken van een geslaagde operatie. Op die operatie zal nu grondiger ingegaan worden. Eerst wordt de voorbereiding van de bevolking op de komst van het asielcentrum besproken en vervolgens wordt ook het huidige beleid in functie van een optimale relatie tussen de bevolking en de asielzoekers nader toegelicht.

Voorbereiding

Bij de voorbereiding was de uitgangshouding van de burgemeester van zeer groot belang, zij had een fundamentele invloed op het volledige verdere verloop van het gebeuren. Volgens de burgemeester zelf valt deze te structureren rond drie centrale thema’s. Vooreerst stelt hij dat je als burgemeester je nek moet durven uitsteken en de bevolking niet naar de mond moet praten. In dergelijke situatie moet volgens hem, wat de publieke opinie ook is, humane verantwoordelijkheid primeren op electoraal gewin. Ten tweede vond Casaer het belangrijk op elk ogenblik begrip te tonen voor het onbegrip. Hij toont begrip voor de angsten die mensen hebben en probeert hen er via een degelijk informatie- en communicatiebeleid van te overtuigen dat die angsten niet nodig zijn. Ten slotte is zijn standpunt naar de gemeenteraad en de bevolking toe dat hoffelijkheid geen zeer doet. De ervaring leert dat als je op een aantal zaken vooruit loopt met negatieve gevoelens, het achteraf veel moeilijker is om ze positief te begeleiden. De burgemeester van Beersel was zich hier zeer duidelijk van bewust, en onder andere om die reden startte hij met een informatie- en communicatieoffensief, eerder dan een gewestplannenoorlog zoals veel van zijn collega’s. Informatie is volgens burgemeester Casaer dé sleutel om de sfeer rond het centrum niet te vergiftigen. Als je niet geïnformeerd bent, dan láát je je informeren, en dit meestal door clichés. En dan groeien er zeer veel misverstanden.

In de voorbereidingsfase maakte hij in eerste instantie gebruik van de gemeentekrant als medium om de bevolking te informeren. In Beersel wordt regelmatig een exemplaar van de informatiekrant de Rondenboskrant in alle brievenbussen van de bewoners gedeponeerd. Nagenoeg de volledige editie van nummer 59 van deze Rondenboskrant (december 1998) werd gewijd aan de komst van het asielcentrum. Op de voorpagina staat in een rode kader een uitnodiging gedrukt voor een informatieavond over het asielcentrum (zei verder). Men kan er ook een brief lezen van de burgemeester aan zijn bevolking (die wordt vervolgd op p. 6). In deze brief legt hij eerst uit dat hij zelf ook niet wist dat het centrum er zou komen, dus dat hij de bevolking niet vroeger had kunnen inlichten of raadplegen. Hij benadrukt echter dat, nu de beslissing genomen is dat het centrum er zal komen, de gemeenteraad overeengekomen is een humaan standpunt in te nemen en onderstreept dat hoffelijkheid geen pijn doet. Verder toont hij ook begrip voor de ongerustheid die ‘zou kunnen ontstaan wegens de weerklank van negatieve commentaren, nog steeds door sommigen verleend tegenover vluchtelingen, vreemdelingen en de opvangcentra’ (Rondenboskrant nr. 59, p. 6). U herkent er waarschijnlijk de kernelementen in van de net besproken grondhouding. Hij geeft in de brief ook antwoord op drie brieven van kritiek die hij van bewoners uit Beersel ontving. Dit is tevens een belangrijk aspect van zijn communicatiepolitiek, die later nog aan bod zal komen. Hij stelt dat de politiepatrouilles versterkt zullen worden, om de angst bij een briefschrijver en de rest van de bevolking weg te nemen, maar wijst er meteen op dat uit ondervinding blijkt dat de komst van een asielcentrum niet leidt tot een stijging van de criminaliteit. Ten slotte roept hij de Beerselnaren op om samen met hem een humaan en hoffelijk standpunt in te nemen, opdat beschamende taferelen en ontwikkelingen zoals in De Haan en Sint-Pieters-Woluwe uit hun gemeente zouden mogen blijven. Het centrum kan op die manier een teken worden van solidariteit en humaan engagement van de gemeente en haar inwoners, een element waar de Beerselnaren trots op kunnen zijn. De tweede en derde pagina zijn volledig gevuld met krantenknipsels waarin bericht wordt over de komst van het centrum. De artikels dateren uit november 1998. Sommige artikels hebben het over de ongerustheid van de bewoners, anderen over de positieve geluiden die men kon horen over de komst van het asielcentrum. Er gebeurde blijkbaar een vrij objectieve selectie van positieve én negatieve berichtgeving, waaruit nogmaals blijkt dat men begrip heeft voor het onbegrip. Er staan meteen ook vier vacatures in voor toekomstig personeel in het centrum. Een asielcentrum schept blijkbaar ook werkgelegenheid…

Pagina vier en vijf staan vol informatie over asielzoekers, een opvangcentrum en dergelijke meer. Zo staat er uitleg over de Conventie van Genève, de conventies met het Rode Kruis en de dagelijkse werking van een centrum. Tijdens de analyse van de teksten op beide pagina’s vallen een aantal elementen op. Ten eerste vraagt men tussen de lijnen door om begrip voor de situatie van de asielzoekers. Zo verduidelijkt men dat asielzoekers in eerste instantie op zoek zijn naar veiligheid en wijst men erop dat vluchten niet hetzelfde is als een plezierreisje maken. Ten tweede wordt er in de tekst verschillende keren op gewezen dat een asielcentrum geen hotel is en dat daarom van de asielzoekers wordt verwacht dat zij een bijdrage leveren in het huishouden van het centrum. Ik vermoed dat dit zo sterk beklemtoond wordt opdat de lezer niet zou gaan denken dat asielzoekers profiteurs zijn die, zonder iets te moeten doen, in hun dagelijkse behoeften worden voorzien. Ten slotte legt men er ook in zeer sterke mate de nadruk op dat de asielzoeker gebonden is aan een strikt reglement. Daarbij staat telkens vermeld dat de Belgische normen en wetten als basis gelden. Waarschijnlijk keert men zoveel keren terug op dit thema opdat ook de angstige lezer gerustgesteld zou zijn nu hij weet dat criminaliteit niet door de beugel zal kunnen en dat de Belgische normen en wetten niet zullen vervagen. Dat men erop wijst dat een asielcentrum geen hotel is en dat asielzoekers gebonden zijn aan een strikt reglement, betekent dat men impliciet de angsten van Belgen voor profitariaat en criminaliteit erkent en dus in zekere zin begrip toont voor het onbegrip, maar tegelijkertijd probeert men op deze wijze de angsten van de mensen weg te nemen.
Een ander belangrijk element van de informatiecampagne was de informatieavond op 10 december 1998. De uitnodiging voor die avond kwam in alle bussen terecht via de Rondenboskrant en werd tevens gepubliceerd in verschillende regionale persbladen. Dat de nood aan informatie hoog was, blijkt uit het feit dat er meer dan vierhonderd mensen op de informatieavond afkwamen en de voorziene zaal zelfs te klein bleek te zijn. De vergadering werd geleid door burgemeester Casaer en Hilde Van Gastel, hoofd van de dienst voor de opvang van asielzoekers van het Rode Kruis. Verder waren er ook afgevaardigden aanwezig van het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen, het Overlegcentrum voor Integratie van Vluchtelingen en van een gespecialiseerde dienst van de Verenigde Naties. In een eerste deel van de vergadering werd zoveel mogelijk informatie gegeven door Hilde van Gastel en Hugo Casaer. Van Gastel gaf uitleg over het systeem van asiel en de rol van het Rode Kruis daarin. Casaer riep op tot humane verantwoordelijkheid en deelde een aantal beslissingen mee die tot dan toe genomen waren met betrekking tot het centrum. Tijdens de pauze van de vergadering kregen de aanwezigen de mogelijkheid om anoniem vragen neer te schrijven en in te dienen, die dan in het tweede deel van de vergadering werden behandeld. De vragen werden open en eerlijk beantwoord. Er was begrip voor het onbegrip, zeker als het om angst ging. Men gaf uitvoerig antwoord op vragen die getuigden van angst en men wees op de getroffen maatregelen die de angst onnodig maken en er werd ook verwezen naar ervaringen in andere gemeentes die leren dat de angst misschien toch niet nodig is. Deze avond werd afgesloten zonder echt protest, eerder, zoals Casaer het zelf verwoordt, met iets minder onbegrip bij de tegenstanders en bij de voorstanders wat meer begrip voor het onbegrip van de anderen. Tijdens de receptie nadien boden zich spontaan een 50-tal vrijwilligers aan.

Het communicatiebeleid werd en wordt op twee niveaus gevoerd

Enerzijds wordt de waarde van een degelijke communicatie met de bevolking onderstreept. De hoger beschreven informatiecampagne is een voorbeeld van die communicatie. Een essentieel onderdeel van de communicatiepolitiek is ook het in leven roepen van een begeleidingscommissie, waarin naast de burgemeester, de centrumverantwoordelijke, de politie en andere beleidsverantwoordelijken ook een aantal afgevaardigden van de buurt zetelen. De buurtbewoners fungeren als antennes voor eventuele problemen. De afspraak is dat ze de opgevangen klachten te berde brengen tijdens een bijeenkomst van de begeleidingscommissie of indien nodig vroeger bij de centrumverantwoordelijke zodanig dat men op adequate wijze kan reageren. In het begin kwam de commissie twee keer per jaar bij elkaar. Ondertussen komt men, bij gebrek aan problemen, niet meer samen. Toch weten de mensen uit de buurt dat de commissie bijeen zal geroepen worden van zodra er een probleem ontstaat, en dat geeft de bewoners vertrouwen.

Anderzijds wordt ook de nood aan een goede interne communicatie tussen de verschillende instanties in de gemeente beklemtoond. Dat de burgemeester hier sterk de nadruk op legt, kan men onder andere zien op de website van de gemeente Beersel (www.beersel.be) waar een pagina wordt gewijd aan het belang van interne communicatie. Ook tijdens het interview met de burgemeester onderstreepte hij het belang ervan. Dat die interne communicatie in de gemeente werkelijk goed is, werd duidelijk tijdens de gesprekken met verschillende verantwoordelijken (directeur asielcentrum, politiecommissaris, wijkagent, directeurs van scholen). Het is opmerkelijk dat verschillende bevoorrechte getuigen bijna letterlijk dezelfde argumentatie en zelfs woorden gebruiken als de burgemeester.

Huidig beleid in functie van een optimale relatie

Het informatie- en communicatiebeleid, gevoerd vanuit de hoger vermelde uitgangshouding, bleef niet enkel beperkt tot de voorbereidingsfase, deze strategie van openheid wordt tot en met vandaag gevolgd. Alvorens hierop in te gaan, moet enige aandacht gaan naar het begrip ‘integratie’ in de context van asiel. Het is zeer moeilijk, zo niet onhaalbaar om de persoonlijke integratie van de asielzoekers in de gemeente te bewerkstelligen. Een asielzoeker verblijft immers slechts voor de duur van het ontvankelijkheidsonderzoek in een asielcentrum. Dit bemoeilijkt natuurlijk de relatie tussen beide groepen van mensen, aangezien contact vaak de eerste stap betekent in de richting van wederzijds begrip. Om te maken dat dit begrip er toch is, tracht men van het asielcentrum en van de gemeente uit een ander soort integratiebeleid te voeren, namelijk de integratie van het asielcentrum als dusdanig (en dus niet de asielzoekers persoonlijk) in de lokale gemeenschap. De volgende ondernemingen passen in dit kader. Via de Rondenboskrant wordt de bevolking nog steeds geïnformeerd over het asielcentrum. In editie 61, gepubliceerd in januari 1999, een kleine maand na de aankomst van de eerste asielzoekers, worden er opnieuw twee volledige pagina’s gewijd aan de kwestie. Opnieuw staan er verschillende krantenartikels in afgedrukt, ditmaal vergezeld met een brief van de directeur van het opvangcentrum. Hij wijst op de humanitaire aspecten van zijn taak en op de penibele situaties waaruit asielzoekers vluchtten. Verder blikt hij tevreden terug op de infoavond en de voorbereiding. Ten slotte, en dit is zeer belangrijk, bedankt hij de hele Beerselse bevolking voor de hulp die sommigen onder hen reeds boden en voor het ‘gemeende en gastvrij onthaal’ van het centrum in de gemeente. Hij weekt op die manier een gevoel van fierheid los bij de bevolking: wij zijn een gastvrije gemeente, met humane mensen. Eenmaal dit gevoel en besef er is, zal het verlangen om het ook in de toekomst te behouden en uit te stralen groot zijn, en zullen de attitudes veel minder snel omslaan. Eveneens in latere edities van het informatieblad wordt nog af en toe, al dan niet expliciet, verwezen naar het belang van solidariteit tegenover het asielcentrum en van verdraagzaamheid ten opzichte van mensen uit verschillende culturen. Ook bij andere mededelingen van overheidswege aan de bevolking komt men soms terug op het belang van humane verantwoordelijkheid en respect voor interculturaliteit. Zo bevatten de foto’s of teksten van de nieuwjaarswensen van overheidswege aan de bevolking bijna altijd een intercultureel aspect.

Er werd ook een tweede informatieavond georganiseerd op donderdag 4 maart 1999. Deze vergadering was bedoeld om de mensen, die de vorige keer belet waren of niet meer in de zaal geraakten door de overrompelende opkomst, een kans te geven zich te laten inlichten én om antwoorden te geven op nieuwe vragen. De opkomst voor de vergadering was beduidend lager dan de eerste keer. De burgemeester wijt dit aan het feit dat er veel minder behoefte was aan informatie dan in het begin. Een andere gelegenheid waar geïnformeerd en gecommuniceerd wordt met de bevolking is de opendeurdag, waar de integratie van het centrum bewerkstelligd wordt. Het is de bedoeling van zo een dag om de vooroordelen van de bevolking weg te werken en de relatie met de buurt te optimaliseren. Zo een opendeurdag verenigt recreatieve en informatieve elementen. De asielzoekers steken hier actief een handje bij toe, op die manier kunnen zij hun engagement naar de omgeving toe uiten en komen ze eens op positieve wijze in beeld (in tegenstelling tot de gewoonlijk negatieve berichtgeving in de media).
Er werd ook een praatcafé geopend in het centrum. De bedoeling is om een keer per maand een informeel forum te hebben waar de bevolking de asielzoekers kan ontmoeten. Op die manier wordt ook voor mensen die weinig geïnteresseerd zijn, ten minste theoretisch, de drempel van het centrum naar de buitenwereld toe verlaagd. Eenmaal mensen weten dat ze in het centrum binnen mogen, kunnen ze niet meer speculeren over wat daar allemaal gebeurt of over de overbodige luxe die er zou zijn. Men heeft vanaf dat ogenblik enkel recht van spreken als men er geweest is en het met zijn eigen ogen geconstateerd heeft.

Verder wordt er in het centrum af en toe een activiteit georganiseerd die toegankelijk is voor de asielzoekers én de bevolking. Het gaat hier bijvoorbeeld om een toneel waarin asielzoekers meespelen. Een ander element dat de relatie tussen beide groepen beïnvloedt, is de deelname aan culturele manifestaties in de gemeente als Loco Loco of Cococité. Een aantal asielzoekers voert dan ook een act op tijdens die festivals. De directeur van het asielcentrum beschouwt dit als een uitnodiging naar de asielzoekers toe om zich op positieve wijze te manifesteren en te profileren in de gemeente. Ook is men van het centrum uit altijd bereid om te gaan spreken over het centrum. Zo gaat men op scholen informeren of op uitnodiging van bijvoorbeeld een parochieraad of een syndicale groepering. Vaak worden deze informatiesessies gekoppeld aan een bezoek aan het centrum omdat men ervan overtuigd is dat dit nog meer effect heeft dan het praten alleen.

Besluit en bedenkingen

Blijkbaar kan een initiële houding van angst positief worden beïnvloed met een degelijk lokaal beleid. Het feit dat de angst af te leren valt, roept natuurlijk meteen ook vragen op over zijn oorspronkelijke objectieve waarde. Zonder ook maar iets te doen aan de zijde van de asielzoekers, kan men de angst bij de autochtonen wegwerken. De asielzoekers waren kennelijk wél de reden van angst (al was het maar door hun aanwezigheid), maar waren er niet de wérkelijke oorzaak van. De socioloog Zygmund Bauman wees er reeds op dat angst in de huidige samenleving niet enkel vrees voor onveiligheid (unsafety) betreft, maar ook veroorzaakt wordt door een bevreesdheid voor risico’s (unsecurity) en een onzekerheid door de onvastheid van waarden (uncertainty). De meest tastbare vorm van angst waarop rechtstreeks kan ingegrepen worden, is onveiligheid. Het is dan natuurlijk ook de gemakkelijkste oplossing alle angsten te verklaren door toegenomen onveiligheid. Als er dan ook nog een schuldige kan gevonden worden voor de onveiligheid, kan de angst al helemaal de wereld uit geholpen worden. Media en politici wijzen hier vaak (al dan niet bewust) migranten voor aan. Dat de media zich mee schuldig maken aan het verspreiden van de associatie van angst met asielzoekers, bleek uit de interviews. De invloed van het beleid wordt duidelijk indien men bijvoorbeeld de gemeentes Beersel en De Haan vergelijkt. Angst voor asielzoekers is dus waarschijnlijk (meestal) niet gestoeld op de realiteit, maar eerder een maatschappelijke constructie, bewerkstelligd door media en politiek. Het loskoppelen van het migrantendebat en het discours van angst lijkt me een essentiële stap in de strijd tegen racisme.
Vandaag maken veel wetenschappers zich zorgen over het feit dat de angst van de mensen ontkend wordt. Die ontkenning kan de mensen een gevoel van machteloosheid geven en uiteindelijk maken dat ze extreemrechts stemmen. Ik wil er hier op wijzen dat ik op geen enkel ogenblik de aanwezigheid van angst ontken, alleen betwijfel ik de vermeende oorzaken ervan. Het geval van Beersel stelt ook het belang in vraag dat op politiek niveau gehecht wordt aan de ‘publieke opinie’. Uit schrik om de bevolking tegen de borst te stoten en dus om electoraal verlies te leiden wanneer men de publieke opinie niet volgt, starten vele burgemeesters met allerlei gerechtelijke procedures om de komst van een asielcentrum tegen te houden. Burgemeester Casaer ging echter tegen die publieke opinie in en nam een positieve en ontvankelijke houding aan tegenover de komst van het asielcentrum. Deze houding leidde er evenwel niet toe dat hij de bevolking tegen zich kreeg of dat hij electoraal verlies leed. Integendeel bijna, de burgemeester kwam na de gemeentelijke verkiezingen van 2000 als grootste winnaar uit de bus (zijn aantal voorkeurstemmen steeg bijna met 25%). De doorgedreven informatie- en communicatiecampagne veranderde de opinie van de bevolking ten opzichte van asielzoekers waardoor de burgemeester plots niet meer tegen de publieke opinie inging wanneer hij het centrum hartelijk verwelkomde. De studie in Beersel leert duidelijk dat de ‘publieke opinie’ een zeer beïnvloedbaar iets is en in positieve richting gewijzigd kan worden. Na dit onderzoek durf ik de hypothese op te werpen dat de publieke opinie eigenlijk in grote mate gevormd wordt door de media en het politieke discours. Een wijziging in het mediabeleid of in het politieke discours kan daardoor ook een wijziging van de publieke opinie veroorzaken. Indien deze stelling in de toekomst veralgemeend zou kunnen worden, biedt dit nieuwe perspectieven voor het (anti)racisme- en ander onderzoek.
De studie in Beersel leert bovendien iets over de waarde van centrale leidersfiguren. Iemand met een persoonlijkheid, verantwoordelijkheidsgevoel en gedrevenheid als burgemeester Casaer is blijkbaar in staat de attitudes van zijn bevolking te beïnvloeden. Misschien hebben we in deze tijden van toegenomen onzekerheid wel weer nood aan sterke leidinggevende wereldburgers met een gevoel voor democratie, inspraak en communicatie.
Tot slot wil ik, ook al gaat het hier slechts om een case-study en kunnen momenteel nog geen algemene conclusies uit getrokken worden, de burgemeesters, die in de toekomst geconfronteerd zouden worden met de komst van een asielcentrum, de raad geven een positieve uitgangshouding aan te nemen en een degelijk informatie- en communicatiebeleid te voeren, al was het maar om mijn huidige these te ontkrachten. Indien ze echter bevestigd zou worden, is dit een zeer hoopgevend element. Een doorgedreven informatie- en communicatiecampagne, geleid door een centrale figuur zou dan in de toekomst waarschijnlijk niet enkel de inplanting van een asielcentrum vergemakkelijken. Wanneer tegelijkertijd doorgevoerd op nationaal niveau, zou ze tevens de attitude tegenover asielzoekers in het algemeen positief kunnen beïnvloeden. En waarom niet uiteindelijk ook de racistische attitude tegenover alle vreemdelingen? Maar laat me realistisch eindigen: er is nog veel werk aan de winkel.

Anke Dewilde
Wetenschappelijk medewerkster Vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen - Universiteit Gent

Noten
1/ Dewilde, Anke, Angst en racisme. Een onderzoek naar de inplanting van het asielcentrum in Alsemberg (Beersel). Onuitgegeven eindverhandeling, 2002, Universiteit Gent.
2/ Van zodra een duidelijk verzadingingseffect optrad bij het interviewen van nieuwe respondenten, werd het veldwerk stopgezet.
3/ Dit in dankbare samenwerking met Karen Stuyck, wetenschappelijk medewerkster aan het Instituut voor Sociale en Economische Geografie verbonden aan de KULeuven.

Interessante lectuur
- Bauman, Zygmund, Modernity and ambivalence. Polity Press, Cambridge, 1991.
- Bauman, Zygmund, Globalization. Columbia University Press, New York, 1998.
- Bauman Zygmund, In search of politics. Polity press, Cambridge, 1999.
- Blommaert, Jan, Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. EPO, Berchem, 2001.
- Blommaert, Jan, & Jef Verschueren, Het Belgische migrantendebat. De pragmatiek van de abnormalisering. International Pragmatics Association v.z.w., Antwerpen, 1992.
- Blommaert, Jan, Antiracisme. Uitgeverij Hadewijch, Antwerpen-Baarn, 1994.
- Blommaert, Jan, Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance. Routledge, London, 1998.
- Kesteloot, Christian & Pascal De Decker, ‘Territoria en migraties als geografische factoren van racisme’. In: Deslé, Els & Albert Martens, Gezichten van hedendaags racisme. VUBPRESS, Brussel, 1992.
- Munters, Rien (red.) Zygmund Bauman. Leven met veranderlijkheid, verscheidenheid en onzekerheid. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 1998.

asiel - integratie - inburgering

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 13 tot 20