Abonneer Log in

Bloed, zweet en tranen

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2 en pagina 4

Eén oktober 2003 wordt in de analen der vaderlandse geschiedenis de dag waarop Ford Genk ‘gerationaliseerd’ werd. De vraag is evenwel of we in pakweg 2013, ernaar zullen terugkijken als de zoveelste illustratie van een brute economische logica of als het startpunt voor een nieuwe politieke dynamiek.

Woorden kunnen de miserie van vele duizenden families, slachtoffers van onpersoonlijke marktwetten, niet vatten. Boven op nazinderende materiële gevolgen zal het uiteengespat beeld van de vriendelijke, weldoende firma, het geschonden vertrouwen of de gekrenkte eer nog jaren nieuwe littekens bezorgen. Grote analyses en stoere verklaringen waren op hun plaats, o.a. wegens hun louterende werking. Er werden schuldigen gezocht: de globalisering, de Belgische buitenlandse politiek, de hoge loonlasten. Er werden ‘oplossingen’ gezocht: lastenverlaging en extra lastenverlaging. Aangevuld met overheidssteun, extra steun en ander lekkers dat van Europa mag. Politici moeten in dergelijke crisismomenten ‘iets’ doen, de vrolijke zeepbelpolitiek moet even ruimen. Het werkvolk kijkt de leiders aan en vraagt leiding, actie. Beleidslui stropen de mouwen op. Ze eisten garanties, duidelijkheid van Ford. Na het Swissair-verhaal hebben sommigen nog steeds hun les niet geleerd: het woord van de CEO van een multinational aan een Belgisch politicus is evenveel waard als een analyse van fiscale fraude door Rik Daems: niets.

Politici begrijpen wel dat ze heel weinig, wellicht geen vat hebben op de overwegingen die in verafgelegen beslissingscentra ter zake een rol spelen. En daarin spelen o.a. loonkosten een belangrijke rol, naast productiviteit, netwerken van toeleveranciers, marktnabijheid, milieureglementering, infrastructuur, enz. De machtsverhoudingen tussen een Belgische premier en de directieleden van een multinational zoals Ford zijn, voorzichtig gesteld, uit balans. Maar politici sukkelen met dat onmiskenbaar feit en schipperen tussen het toegeven van de eigen onmacht en het proclameren van allerlei maatregelen. Vandaar dat ze instinctief terugvallen op hetgeen ze wel onder controle hebben. Gaat het in Ford Genk over ploegenarbeid? Wel, dan minder lasten voor ploegenarbeid … boven op maatregelen voor jongeren, ouderen, laaggeschoolden en kennisintensieve jobs.

België heeft iets met auto’s. En niet enkel omdat we er ons mee vast of elkaar mee naar de verdoemenis rijden, maar ook omdat we er verhoudingsgewijs heel erg veel van assembleren. De automobielsector is dan ook zeer belangrijk voor de Vlaamse economie, waardoor we heel gevoelig zijn voor ontwikkelingen op die globale markt. Vandaar dat we de oorzaken van het zoveelste banenverlies ook bij internationale ontwikkelingen moeten zoeken. Ford en enkele andere autoproducenten boeren slecht. Ze maken weinig winst met het produceren van auto’s. Dat heeft veel te maken met de harde concurrentie en lage prijzen in een markt met veel overcapaciteit. Deze marktomstandigheden zijn er voor iedereen. En toch zijn er die winst maken, zoals de Franse autobouwers. Ook Volvo in Gent, Volkswagen in Vorst en Opel in Antwerpen doen nieuwe investeringen. Dat leidt niet allemaal tot massale aanwervingen maar toont aan dat het beeld niet eenzijdig negatief is, ondanks het feit dat tussen 1995 en 2002 zo’n 6.000 autobanen verloren gingen. Al zit er via outsourcing ook wat statistische verschuiving tussen.

Essentieel hier is dat aan de top van Ford, achteraf gezien, foute commerciële en strategische beslissingen werden genomen, o.a. de keuze van modellen die niet aanslaan en die in Genk gemaakt werden, zoals de Mondeo. De voornaamste slachtoffers van die foute beslissingen zijn evenwel niet diegene die ze nemen, het exuberant verloonde want o zo verantwoordelijkheid dragende management. De slachtoffers zijn de werknemers die onderaan de ladder al jarenlang zeer productief staan te wezen. Het kapitalisme is een uiterst flexibel systeem, zeggen ze, maar sommige wetten blijken onveranderlijk: ‘shit always comes down’.

Zoals blijkt is de achterliggende economische context niet zo rechtlijnig en is het veel meer dan een verhaaltje over veel te hoge loonkosten. Vandaar dat specialisten werden opgevoerd om duiding te brengen. Ford zal onherroepelijk uit Genk verdwijnen en over een kwarteeuw zal nog maar 10% van de actieve bevolking arbeider zijn, stelde KUL-econoom Paul De Grauwe.1 De heroriëntatie naar de dienstensector zal, behoudens een overgangsperiode op korte termijn, niet met extra werkloosheid gepaard gaan. In een andere krant2 schreef Geert Noels, hoofdeconoom van Petercam: ‘Sommige politici zullen zeggen dat de industrie sowieso ten dode is opgeschreven, en dat de huidige evolutie dus normaal is. We hoeven ons zogezegd niet te veel zorgen te maken, nieuwe jobs zullen in de dienstensector gecreëerd worden. Helaas, ook deze verklaring gaat volledig voorbij aan enige kennis van zaken.’ Hoezo? Omdat, aldus deze econoom, ook in de diensten er een toenemende druk is om activiteiten te verplaatsen naar het buitenland, maar vooral omdat diensten steunen op een gezonde productiebasis. Ondanks dit meningsverschil willen beiden de arbeidskosten in toom houden zonder de sociale zekerheid op het spel te zetten en fors investeren in opleiding. Zo kunnen we de hogere productiviteit en inventiviteit opbrengen die nodig is om onze hoge lonen te verrechtvaardigen. Wie was daar nog niet achter gekomen? Dat is natuurlijk wel een werk van lange adem, waarmee je volgend jaar geen verkiezingen wint. Stel je bovendien voor dat je als partij op zomerse fractiedagen hebt beslist via een gemoedelijke links-liberale koers vooral het vrolijk, optimistisch segment van Vlaanderen te bedienen, enkel positief te communiceren en daarom allerlei dreigingen of vervelende beelden uit de weg zult gaan. Dan zou de opgave nog groter zijn.
Deze Grote Uitdaging - politici zijn daar immers dol op - maakt dat ze de bijhorende Verantwoordelijkheid moeten opnemen. Hopelijk kan deze aanslag op de Vlaamse gemakzucht, onze eigenste ‘1.10’, de aanzet zijn tot fundamentele bezinning, bijvoorbeeld over waar het sociaaleconomisch met onze welvarende regio heen moet, met welk industriebeleid op lange termijn? Welke activiteiten willen we houden en ontwikkelen? Welke demografische, mobiliteits-, infrastructuur- of onderwijspolitiek voeren we daarbij, die verzoenbaar is met niet-economische bekommernissen? Friemelen in de marge is al lang geen optie meer. Heeft de overheid dan enige invloed op economische processen? Ja, toch een beetje en daarom, zoals Stevaert terecht opmerkte in Terzake, moeten we doen wat mogelijk is. Essentieel daarin is een ernstig, saai, doordacht sociaaleconomisch beleid op lange termijn, in plaats van het ‘hiphiphoera’-sfeertje. Politici die zich ietwat stout uitlieten over multinationals houden hun revolutionair elan best aan bij het bedenken van beleid dat de Belgische welvaart op termijn kan verzekeren maar bovenal moet herverdelen ten voordele van de lagere inkomensklassen. Loonlastenverlaging helpt inderdaad een beetje, maar daarmee redden we het niet. Het is een gemakkelijkheidsoplossing, hoe moeilijk ook, en duwt andere noodzakelijke ingrepen uit beeld. Hoe ver moeten we lasten verlagen om met wie concurrentieel te zijn? Wat geven we er voor op, gezien die lasten precies levensnoodzakelijke financieringsbronnen zijn voor ons sociaal systeem? Studies leren immers dat het terugverdieneffect niet volledig speelt en dat het rendement van lastenverlaging voor arbeidscreatie zeer laag is, m.a.w. dat het een zeer dure methode is om jobs te creëren.3 En het geld is schaars, men bestede het dus wijs.

Daarom is het essentieel te verhinderen dat vooral of enkel arbeid moet instaan voor het onderhoud van ons sociaal systeem. Daarom is het essentieel om andere inkomens eindelijk zwaarder te belasten via een sterk progressief en doortastend fiscaal beleid. Daarom is het essentieel zwaar te investeren in nieuw fiscaal personeel en materiaal en moet de sp.a vechten voor wetgeving die de sterkste schouders meer belast, in een regering met of zonder de VLD. Laten we nu ook maar eens de hoge inkomens responsabiliseren, nadat we al zo vaak de onderkant tot activering hebben aangespoord en er de ‘eigen verantwoordelijkheid’ hebben ingeramd. Als politici met dezelfde ijver waarmee ze arbeidslastenverlaging doorvoeren - ondanks het feit dat dit maar een beetje helpt - nu eens lastenverhoging op niet-arbeidsinkomens zouden doorvoeren - idem - dan wordt arbeid nog goedkoper en kunnen we bijvoorbeeld tegemoet komen aan de alarmkreten uit de sociale zekerheidssector dat de voorziene middelen niet zullen volstaan. Het is maar een voorbeeld.
Dat vergt veel politieke moed, bloed zweet en tranen. In dit alles is voor socialisten de hoofdrol weggelegd, waar ze zich ook bevinden. Niet enkel omwille van het materieel overleven van het sociaal systeem maar ook omwille van het moreel en ouderwets socialistisch principe dat er achter steekt. Bij de start van het politieke jaar heeft de sp.a dus een essentiële opdracht, nl. er voor zorgen dat Ford Genk niet voor niets is leeggelopen. De partij verdient onze steun waar mogelijk, kritiek waar nodig.
De aansporing, die komt er gratis bij.

Carl Devos
Vakgroep Politieke Wetenschappen - Universiteit Gent

Noten
1/ De Morgen, 2 oktober 2003, p.4.
2/ De Standaard, 2 oktober 2003, p.17.
3/ De Financieel-Ekonomische Tijd, 24 september 2003, p.1. Volgens het Planbureau kostte de creatie van een extra arbeidsplaats in 2000 (2,6 miljard euro lastenverlaging voor bedrijven) de overheid gemiddeld 70.000 euro. De 800 miljoen euro lastenverlaging die Paars nu naar voren schuift zou slechts 11.500 (van de 200.000) jobs opbrengen.

edito - tewerkstelling - economie - Ford Genk

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2 en pagina 4