Log in

Legitimering van een democratie in ademnood

Iedere democratie is op zoek naar kwaliteit en legitimiteit

We horen en we lezen over het verval van de democratie. Dat is als de titel van een boek van Van Holstein en Mudde. Het grote ongenoegen noemen Van Gunsteren en Andeweg het fenomeen. In het Engels heet het the confidence gap; in het Duits Die Politikverdrossenheit. Meer vertrouwd in de oren in Vlaanderen klinkt de kloof tussen de burger en de overheid, de kloof tussen de burger en het bestuur of de kloof tussen de burger en de politiek.
In een moderne samenleving, zo argumenteerde Ostrogorski zo’n honderd jaar geleden, neigen burgers ertoe de politiek de rug toe te keren: de kloof is dus onvermijdelijk. Ook zijn verklaring klinkt uitermate hedendaags: naarmate het leven ingewikkelder wordt, zullen burgers al hun energie steken in het beheren van hun privéleven. De publieke zaak zal hen nauwelijks nog kunnen beroeren (Ostrogorski, 1902-1964).
Die kloof zal voor een deel altijd blijven bestaan. Sommigen beweren dat de kloof tussen burger en politiek zo oud is als de parlementaire democratie. Stouthuysen wijst erop dat er dus geen crisis is van de democratie, wel van de politieke partijen en dat weerspiegelt zich vooral in de dalende lidmaatschapscijfers, de lage participatiegraad aan verkiezingen, daar waar er stemvrijheid is, en het dalende vertrouwen in de politiek. Wellicht is het onbehagen zelfs nog ouder dan de invoering van het algemeen kiesrecht. En vooral … dramatischer dan in andere periodes lijkt het thans niet te zijn. Nu is dat geen reden om er niets aan te doen, om niet te kijken naar de mogelijke instrumenten om de kwaliteit van de relatie tussen overheid en burger te verbeteren.
De Rynck vraagt zich dan weer af of er niet veeleer sprake is van een effectiviteitscrisis (een crisis in de werking van het bestuur) dan van een legitimiteitscrisis. Men moet volgens hem legitimiteit immers niet zien als een vaste eigenschap van de democratische structuur, wel als een resultaat van de manier van werken ervan. Onder meer door het ‘multilevel governance’-gegeven, de meerlagige besluitvorming waardoor de overheid en haar functioneren nog ingewikkelder worden, haakt de burger af of begint hij te ‘calculeren’ en overheidsvoorzieningen echt te consumeren (Deschouwer, 2002).

De kloof tussen burger en overheid: enkele megatrends als algemeen kader

We willen nagaan wat de Belgische en de Vlaamse verzorgingsstaat, de rechtstaat, ‘onze’ democratie, onderneemt om aan die kloof iets te doen en welke instrumenten worden ingeschakeld in de zoektocht naar legitimatie en legitimering om aldus meer aansluiting te zoeken met de burger. We willen vooraf wel even de context schetsen. Zonder volledigheid na te streven staan we even stil bij vijf trends of dimensies. Vanuit de eigen professionele context zullen we vooral focussen op de ervaringen inzake de ombudsfunctie.

Eén. We stellen vast dat bij de zoektocht naar instrumenten eigenlijk altijd of heel frequent wordt geput in de gereedschapskist van de meer directe democratie terwijl het algemeen kader er één is van de representatieve democratie. In de bestuurskundige literatuur wordt vaak het moeilijke evenwicht beschreven tussen twee extremen, de checks and balances. Aan de ene kant is er het efficiënt besturen, die soms een prijs vraagt aan de volkssoevereiniteit. Het is niet mogelijk om met ieders ideeën altijd rekening te houden. Aan de andere kant is er de volkssoevereiniteit: luister tijdig naar de burger en laat wat de burger zegt een rol spelen. Er is sprake van de hybride democratie: elementen van directe democratie, waarbij de burger een zeker impact heeft, gecombineerd met vaste onderdelen van de representatieve democratie. Deze instrumenten zullen we analyseren en eventueel tot hun ware proporties herleiden, zonder ze over-, noch onder te waarderen.

Twee. Een ander element uit de context is een wezenlijke verandering in de relatie tussen de overheid en de burger. Die is in volle evolutie. Een goede beschrijving vinden we in het rapport ‘De toekomst van de nationale rechtstaat’ (2002) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in Nederland. Dit rapport geeft de spanning als volgt weer: ‘De kritische burger wil procedurele en inhoudelijke topprestaties tegelijk, terwijl het bestuur steeds meer is gebonden voor zover het al niet al zijn bevoegdheden is kwijtgeraakt’. Op die manier wordt het wel heel moeilijk om legitimiteit te bereiken. Er zijn met andere woorden enerzijds veranderde opvattingen over de inspanningen die van het bestuur mogen worden verwacht en anderzijds een aantal veranderingen in de aard van het bestuurswerk en de omgeving daarvan. De vraag rijst of de slinger niet een beetje doorslaat naar de kant van de burger die topprestaties wil. Ombudsdiensten zijn daar het voorbeeld van. Klachten gaan over alles en nog wat, ook over een onduidelijke brief of een naam die verkeerd gespeld is. Aan de andere kant heeft het bestuur minder en minder manoeuvreerruimte om die topprestaties te leveren.
Volgens Huyse vereist de burger dat de overheid zich voorts niet teveel bemoeit met de organisatie van het eigen leven, maar toch een zekere begeleiding op maat biedt voor de vragen des levens. Hij zegt het zo: ‘Velen willen zo weinig mogelijk inmenging bij de planning van hun levensloop. Ze vragen daarom van de staat onthechting: minder regels en regeltjes, minder opgelegde gedragsmodellen. Tegelijkertijd verwachten de mensen voorzieningen die op hun individuele maat gesneden zijn. Dat schept problemen’ (Huyse, 2002, 11). Hoe vaak wordt niet gezegd dat het bestuur de greep verliest op de gebeurtenissen en dat heeft uiteraard te maken met die wezenlijke verandering. Het is ook Huyse die wijst op de onmacht van politici om greep te krijgen en te houden op bepalende processen, waardoor de politici dan toch in zekere mate worden ‘overbevraagd’ (zie ook Raes, 2002).
De relatie tussen overheid en burger verandert inderdaad. Bij de analyse van de legitimiteit van het democratisch bestel moet men vooral naar twee dingen kijken. Naast de structuren spelen ook de waarden en de normen die de burger zelf hanteert een rol, en die heel sterk bepalen welke verwachtingen hij koestert, ook ten aanzien van overheid en bestuur. Op het gebied van de ‘waarden’ onderkent Koen Raes een aantal megatrends, die hij de flexibilisering (van de arbeid vooral) en de globalisering, de egocratie, de expertocratie en de mediacratie noemt (Raes, 2002).

Drie. Een volgende dimensie is dat we moeten bedenken dat de burger snel afhaakt wanneer de complexiteit het haalt boven de eenvoud. De Nederlandse Commissie Toekomst Overheidscommunicatie, de zogenaamde Commissie Biesheuvel, stelt in het rapport ‘In dienst van de democratie’ dat 16% van de burgers een inactieve burgerschapsstijl ontwikkelen (het zijn buitenstaanders), 22% is plichtsgetrouw en heeft een afhankelijke burgerschapsstijl; 42% is pragmatisch-conformistisch en 20% is maatschappijkritisch en ontwikkelt een verantwoordelijke burgerschapsstijl. Ook de Eurobarometer deelt de burgers in hun stijl ten opzichte van de overheid in ‘supporters’, ‘risico-tolerante supporters’ en ‘tegenstanders’. Volgens die Eurobarometer is geen 20% van de burger volledig vertrouwd met de structuren (en we gaan ervan uit dat dat in Vlaanderen ook zo is). Je hebt een aantal twijfelaars, een aantal mensen die het niet goed weten, maar de overgrote meerderheid is dus niet mee met de manier waarop wij onze samenleving hebben georganiseerd.

Vier. Een volgende dimensie is de evolutie van oude naar nieuwe politieke cultuur. Het breed repertoire aan politieke hervormingsvoorstellen is heel vaak gekoppeld aan wat enkele jaren geleden de nieuwe politieke cultuur is genoemd. Eerst was er de gesloten en irrationeel werkende oude politieke cultuur. Daartegenover moest de nieuwe politieke cultuur komen: denk aan de besprekingen in Zaal F of de documenten van het Vlaams Parlement ‘ter verfijning van de democratie.’ Die nieuwe politieke cultuur moest leiden tot verschuivingen in de macht van de politieke partijen, de gelieerde belangengroepen en de geaccepteerde vormen van cliëntelisme en paternalisme doen verdwijnen en de kloof met de burger dichten. Die burger zou meer bij het beleid worden betrokken en meer invloed krijgen op de besluitvoeringsprocessen. Ook de voorbereidende documenten voor Beter Bestuurlijk Beleid, de hervormingsoperatie van de Vlaamse administratie, gaan in die richting (Beter bestuur: Een visie op een transparant organisatiemodel voor de Vlaamse administratie, 2001; De Vlaamse overheid en de burger in de samenleving van de 21 _ste__ eeuw_, 2002).

Vijf. Ten slotte is er een evolutie naar hervormingen in de administratie, waarbij enerzijds klantvriendelijkheid en anderzijds een groter beroep op de privésector een rol spelen (New Public Management) (Bouckaert en Pollitt, 2000).

Drie soorten instrumenten: communicatie, participatie en kwaliteit van bestuur

Om welke instrumenten om de democratische legitimiteit te verhogen gaat het nu eigenlijk? We zien drie grote groepen. Ze zijn vaak recent in Vlaanderen of België, maar niet per se recent op mondiaal of Europees vlak. Bij die drie types kijken we aan de ene kant altijd naar de ambities en de doelstellingen: wat wil men daar mee bereiken? Anderzijds rijst de vraag welke technische middelen daarvoor worden gebruikt. De ombudsfunctie krijgt bij de voorbeelden een prominente plaats.
Een eerste groep is te bundelen rond het informatiebeleid en het communicatiebeleid van de overheid met als doel de transparantie van het bestuurlijk optreden te verhogen. Dat is de doelstelling, de ambitie. Wat zien we concreet? Er zijn actieve en passieve openbaarheidsregelingen, alsook het spreekrecht van ambtenaren. Recent zijn ook klokkenluidersregelingen en de organisatie van het klachtrecht en de ombudsman.
De tweede groep gaat uit van de idee van de participatie van de burger. We herinneren aan de eerder gemaakte vaststelling: er wordt gezocht naar instrumenten die aansluiten bij de rechtstreeksere vormen van democratie. Participatie is dus de ambitie. De instrumenten zijn het petitierecht en de verzoekschriftenprocedure, het referendum en de volksraadpleging, de fundamentele sociale grondrechten op de werkvloer, het interactief bestuur (IAB), de subsidiariteit (de bevoegdheidsniveaus dichter bij de burger brengen vanuit de gedachte dat de burger dan meer meedoet of dat de kans bestaat dat hij meer meedoet).
Een aantal instrumenten hebben niet zozeer te maken met transparantie of participatie, maar wel met betere wetgeving en met de verbetering van de kwaliteit van bestuur. Het gaat om wetgevingskwaliteit, wetgevingsevaluatie, e-government, administratieve vereenvoudiging en het éénloketsysteem. Men wil niet zozeer iets aan de spelregels veranderen, wel aan de manier waarop de overheid met de burger in contact treedt: men opteert onder meer voor zogenaamde transactionele loketten. Dat is ook de bedoeling van de portal www.vlaanderen.be.
De recepten zijn heel duidelijk conjunctureel gebonden. De recente decennia laten zich wat de determinerende klemtonen betreft als volgt vatten (zie ook De Rynck, 2002):
. jaren zeventig: inspraak en radendemocratie
. jaren tachtig: informatieambtenaren en communicatiebeleid .
. jaren negentig: directe betrokkenheid van de burger: openbaarheid, volksraadpleging, klant- en wijkgerichtheid
. jaren tweeduizend: nieuw overheidsmanagement: prestatiegericht, kerntakendebat en monitoring, interactief bestuur en e-government.

Thans komt de kernvraag aan bod: hebben de instrumenten behorende tot de mix van middelen, die verwantschap vertonen met de directe democratie, een reëel impact? Of zijn het veeleer symbolische en formele instrumenten, die weinig veranderen aan de kern en de machtsverhoudingen in de democratische samenleving? Grijpen ze structureel in of is het naïef te geloven dat er iets wezenlijks verandert aan de relatie tussen de overheid en de burger? We willen op die vraag een begin van antwoord geven door een aantal kenmerken en dwarsdoorsneden te schetsen.

Reële of formele instrumenten? Zes ontnuchterende dwarsdoorsneden

Bij de bespreking van de instrumenten presenteren we zes dwarsdoorsneden: het zijn tegelijkertijd zes stellingen. Het uitgangspunt daarbij is dat we vooral gaan kijken naar de output of het product voor de burger. Wat brengen ze met andere woorden bij? Beschikken ze over een correctiekracht ten aanzien van wat we willen corrigeren, met name het vermoeden van een gebrekkige of onvolledige legitimiteit in de verhouding tussen burger en bestuur? We illustreren het telkens met gegevens over de genoemde instrumenten zelf en de ombudsfunctie is daarbij een aandachtspunt.

Stelling één: de instrumenten hebben maar een matige efficiëntie en bevorderen slechts matig de participatie. De bevordering van de participatie staat bij de ombudsfunctie helemaal niet centraal; de efficiëntie van het optreden van ombudslui wordt ook bepaald door het feit dat zij - overigens terecht - niet in de plaats van het bestuur kunnen treden om de aanbevelingen die ze formuleren ook effectief te bewaken en uit te voeren. Ook van de openbaarheid van bestuur is de correctieve kracht heel matig. De Commissie voor de Toegang tot Bestuursdocumenten, een sinds 1994 bestaande beroepsinstantie weliswaar enkel met adviserende bevoegdheid, die moet oordelen over openbaarheidsaanvragen die bij de federale of lokale overheden worden geweigerd, kreeg 50 adviesaanvragen in 1994 en 242 in 1999. Zeer lage aantallen dus. Heeft een rapport over wetgevingsevaluatie rechtstreekse invloed op de verhouding tussen overheid en de burger, ook al kan er een ernstige meerwaarde zijn voor de aanvaarding van regelgeving door de samenleving? En het interactief bestuur? Men betrekt de burger vroeg bij de besluitvorming: dat is natuurlijk een goede zaak, maar dat gebeurt op nog zeer selectieve basis. Het model is vooral dienstig voor ruimtelijk-fysieke ingrepen, de zogenaamde ‘ongetemde problemen’, ook al zijn de ambities zeer hooggestemd. Men wil vooral het vertrouwen van de burger in de lokale politiek verhogen (De Rynck, 2002).

Stelling twee: Wanneer een instrument wordt ‘ontdekt’, dan is er meteen een overregulering. We denken aan de regeling van de ombudsfunctie met allerlei beperkingen inzake de ontvankelijkheid van klachten, klachten dus waarvan de ombudsman geen kennis mag nemen. Er is een overregulering van de uitzonderingen op het nochtans grondwettelijk erkende beginsel van de openbaarheid van bestuursdocumenten: het gaat in totaal om zo’n kleine twintig uitzonderingsgronden, disparaat over alle regelingen verspreid (federaal, per gewest, per gemeenschap, lokaal, OCMW’s, …; Voorhoof, 2002).
Sommigen vinden regelingen ter bescherming van klokkenluiders vaak te gesloten systemen. Men moet voor het klokkenluiden en het aanklagen van disfuncties of corruptie gaan aankloppen bij deze of gene instantie en niet elders. Het is een moeilijke evenwichtsoefening tussen de vrije meningsuiting van de ambtenaar en de ambtelijke loyauteit. De regelingen worden nog te weinig beschouwd als een onderdeel van een integraler institutioneel burgerschap, een integriteitsbeleid of een bron van behoorlijk bestuur (Ornelis, 2002).

Stelling drie: Er is een enorme versnippering van de instrumenten. Voor de openbaarheid van bestuur hebben we thans niet minder dan zeven regelingen, gekoppeld aan telkens verschillende bevoegdheidsniveaus. België heeft de ombudsfunctie ontdekt in het begin van de jaren negentig. We beschikken in ons land thans echter over niet minder dan twintig ombudsmannen of -vrouwen, ook in de privésector, zoals de verzekeringen en de banken. Elk niveau heeft dus zijn eigen ombudsfunctie, elk niveau heeft zijn eigen openbaarheidsregeling en elk bevoegdheidsniveau legt eigen klemtonen zodat er wezenlijke verschillen zijn van bevoegdheden, procedures, bezwaartermijnen, …
De multilevel governance of meerlagige besluitvorming heeft de toename van het aantal politieke besluitvormingsniveaus tot gevolg, maar ook de interferenties en de onduidelijkheden voor de burger die er het logisch gevolg van zijn. Voorbeelden zijn de bevoegdheidsafbakening tussen gemeente en gewest of gemeente en federale overheid op het vlak van ruimtelijke ordening, woonbeleid en asielbeleid. Ook de fiscaliteit is verdeeld over vrijwel alle niveaus. Begrippen en concepten zoals subsidiariteit en kerntakendebatten moeten de moeilijkheden uitklaren: alleszins maakt het de participatie van de burger aan het beleid eerder moeilijker dan gemakkelijker. Verbetert de relatie burger-overheid? Het maakt de relatie duidelijk vaak complexer, ook op lokaal vlak.

Stelling vier: Er is een matig en ongelijk bereik en gebruik van de instrumenten. Het Mattheus-effect, beschreven door Herman Deleeck, geldt ook ten aanzien van deze instrumenten ter legitimering van de democratie. Wanneer nieuwe regelingen worden geïnstalleerd vreest men vaak dat er misbruik zal worden van gemaakt. Maar als we de jaarverslagen van ombudsdiensten of informatiediensten nalezen, zien we dat slechts een matig aantal mensen gebruik maakt van deze instrumenten. Om welke reden dan ook, de toegangsdrempel om te klagen bij een ombudsman blijft vrij hoog. Uit een beperkte studie over het profiel van verzoekers van ombudsdiensten blijkt dat het publiek proportioneel vooral bestaat uit mannen van middelbare leeftijd, met een hogere opleiding, een behoorlijk inkomen, en vooral begiftigd met een aantal ‘bureaucratische competenties’, die maken dat men zekere drempels kan overwinnen (Van den Audenaerde, 2003).
Ook de participatiecijfers van de gemeentelijke volksraadplegingen en referenda wijzen in eenzelfde richting. En de trend naar meer e-government doet de behoefte aan fysieke loketten niet verdwijnen. Ook al heeft de Vlaamse overheid met de portaalsite bijvoorbeeld hoge ambities, niet iedereen heeft de toegang, noch de competentie om al zijn informatie op te vragen en transacties uit te voeren via het internet: dat is beperkt tot, naargelang van de bronnen, 30 à 40 % van de Vlaamse bevolking. En het communicatiebeleid wordt nog te vaak algemeen gevoerd en te weinig doelgroepgericht: men spreekt dan van een zendergericht in plaats van een ontvangergericht model (De Smet, 2002).
Het Mattheus-effect geldt dus ook inzake het ‘gebruik’ van de democratie. Het zijn de groepen die eigenlijk al de weg kennen die deze instrumenten ook gaan gebruiken. Er blijft een grote groep mensen achterwege.

Stelling vijf: Het gaat veeleer om passieve dan om actieve middelen. De democratie heeft vele ‘koele minnaars’, zo luidt de diagnose. Via de directe democratie worden bruggen naar de burger gelegd, maar het is de burger die de brug op moet stappen en de brug moet oversteken. Hij moet klagen bij een ombudsman, hij moet een stap zetten om het recht op openbaarheid waar te maken. De burgers die niet op de brug stappen zijn de afhakers. De ombudsman beschikt niet over een eigen initiatiefrecht en is afhankelijk van klachten, ook om bekende mistoestanden in kaart te brengen. De ‘radendemocratie’ vraagt actieve burgers. Ook al komen er op het terrein geen of niet onmiddellijk tastbare resultaten, ze moeten volhouden qua tijd en energie. Het aantal verzoekschriften gericht aan het Vlaams Parlement tussen 1998 en 2001 bedroeg 45, waarvan drie massapetities. De burger moet dus telkens zelf het initiatief nemen.
Zo zijn de openbaarheidsregelingen vooral geconcipieerd als passieve documentenstelsels: de burger moet alles kunnen overzien om de terechte vragen naar documenten te stellen en het beleid eventueel mee te beïnvloeden. Wie zit hele dagen op het gemeentehuis op zoek naar relevante documenten? In plaats van een documentenstelsel wordt daarom gepleit voor de switch naar een informatiestelsel: het wordt ontvangergestuurd in plaats van zendergestuurd en actief in plaats van passief (De Smet, 2002).

Stelling zes: De instrumenten nemen soms mythische proporties aan. Wat is de concrete uitwerking, bijvoorbeeld van referenda en volksraadplegingen of nog de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, de deontologische codes en de oprichting van bureaus voor integriteit? Verwacht wordt dat deze instrumenten de kracht hebben om de gemeentelijke democratie te redden. Afhankelijk van de conjunctuur nemen de instrumenten dus soms enorme proporties aan, maar het reële effect is verwaarloosbaar.
Administratieve en legistieke vereenvoudiging en wetgevingsevaluatie krijgen bijna symbolisch en vooral een kwantitatief vrijwel onhaalbare invulling. Zo moest op federaal vlak 10% regelgeving verdwijnen tegen de helft van de vorige regeerperiode, 25% minder tegen het einde van de legislatuur. Voor de Vlaamse Regering is dat minus 25% over de hele legislatuur. Wat zien we in de praktijk? Dit is niet haalbaar en er wordt de facto ook al niet meer naar gestreefd. Klokkenluidersregelingen krijgen een proportioneel te grote aandacht na een ‘schandaal’, zoals bij de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of bij de Europese Commissie. Hetzelfde geldt voor de idee van bestuurlijke integriteit na de Antwerpse visa-saga in 2003.

Slot: over bereikbare en begaanbare bruggen van de democratie

De democratie kent koele minnaars, we zegden het al. Er moet verder worden gezocht naar een creatieve en zinvolle vormgeving voor de bruggen die werden gebouwd tussen de burger en de overheid. Is er een verhoging van de legitimiteit? Wanneer we dat zouden meten, wat niet meteen evident is, zouden we wellicht eerder een vrij negatieve balans te zien krijgen. In de jaren negentig zijn heel wat van die instrumenten uitgeprobeerd. Maar aan het grote ongenoegen van de burger en de kloof met de politiek is maar weinig veranderd. De burger oriënteert, maar regeert niet. Grotere betrokkenheid, meer participatie, minder vervreemding van het weberiaanse ‘bureaucratische’ model blijken dan ook meer doelstellingen dan effectieve realisaties te zijn.
‘Quand nous serons tous coupables, ce sera la démocratie’: dat laat Albert Camus hoofdpersoon Jean-Baptiste Clamence van La Chute zeggen. De man ziet op een brug in Parijs een vrouw die in het water wil springen. Hij redt die vrouw niet. De man trekt daarna naar Nederland als rechter-boeteling (juge-pénitent). Zijn ambitie is om door zijn eigen gebreken de mensen een spiegel voor te houden dat alles altijd beter kan. Door zichzelf zo negatief mogelijk voor te stellen tijdens gesprekken in donkere krochten in Amsterdam stelt hij zichzelf zo kwetsbaar en onmenselijk voor dat hij de gesprekspartner eigenlijk dwingt om een kritische spiegel voor zichzelf op te zetten. De democratie is een zo belangrijk goed dat we dat ook met haar moeten blijven doen en ze aldus via permanente kritiek en bijsturing blijven verrijken.
Toch moeten daarbij een aantal leidende beginselen vooropstaan. Het heeft geen zin de burger voor te spiegelen dat zijn participatie als medeactor van de democratie ernstig zal worden opgevijzeld door het beperkt aanspreken van de instrumenten uit de gereedschapskist van de directe democratie. Men mag hun impact en belang dus duidelijk niet overwaarderen zonder ze evenwel onder te waarderen. De verwachtingen moeten dus, ook door de bedenkers en initiatiefnemers, in een realistisch perspectief worden geplaatst, met name als beperkte correcties of een in hoofdzaak representatief stelsel. Maar eens men ervoor kiest moet men de toegangsdrempel extreem laag plaatsen: de bruggen moeten vlot bereikbaar en begaanbaar zijn. Een radicale keuze voor de volkssoevereiniteit is een andere en vooral langetermijnoptiek, maar die vergt een ernstig en breed maatschappelijk debat. Iets voor deze eeuw? We wensen het onszelf toe.

Bernard Hubeau 1
Vlaams ombudsman

*Noot *
1/ Voor een groot deel is deze bijdrage geïnspireerd door de diverse bijdragen in het boek Democratie in ademnood? Over legitimiteit, legitimatie en verrijking van de democratie (B. Hubeau en M. Elst, ed.).

Literatuur
- K. Deschouwer, ‘Op verkenning in de kloof’, in M. Elchardus (ed.), Wantrouwen en onbehagen. Over de vertrouwens- en legitimiteitscrisis, Brussel, VUB-Press, 1998
- M. Elchardus, De dramademocratie, Tielt, Lannoo, 2002
- M. Elchardus en W. Smits, Oorzaken en anatomie van het wantrouwen, Brussel, VUB-Press, 2002
- B. Hubeau en M. Elst (ed.), Democratie in ademnood? Over legitimiteit, legitimatie en verrijking van de democratie, Leuven/Brugge, Van Halewyck/Die Keure, 2002, met onder meer de volgende bijdragen:

K. Raes, ‘De democratie op zoek naar een basis’,
K. Deschouwer, ‘Federalisering, subsidiariteit en democratie’,
E. De Smet, ‘Naar een actieve openbaarheid van bestuur: het informatiemodel in de overheidscommunicatie’,
F. Ornelis, ‘Wordt spreken dan toch goud? Over klokkenluiders en de vrijheid van meningsuiting’,
P. Popelier, ‘Bieden referendum of volksraadpleging een democratische meerwaarde?’,
F. De Rynck, ‘Hybride democratie en het primaat van de politiek’.

  • L. Huyse, Gulliver’s probleem, Leuven, Van Halewijck, 2002
  • M. Ostrogorski, Democracy and the Organization of Political Parties, Chicago, Quadrangle Books, 1964/1902
  • C. Pollitt en G. Bouckaert, Public Management Reform. A Comparative Analysis, Oxford, University Press, 2000
  • K. Van den Audenaerde, ‘Het profiel van verzoekers van ombudsdiensten’, Brussel, Vlaamse Ombudsdienst, reeks Werkdocumenten, afl. 2, 2003
  • H. Van Gunsteren en R. Andeweg, Het grote ongenoegen. Over de kloof tussen burgers en politiek, Haarlem, Aramith, 1994
  • J. Van Holsteyn en C. Mudde (ed.), Democratie in verval?, Amsterdam, Boom, 2002
  • X., De toekomst van de nationale rechtsstaat, Den Haag, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2002
  • X., Beter bestuur: Een visie op een transparant organisatiemodel voor de Vlaamse administratie, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2001
  • X., De Vlaamse overheid en de burger in de samenleving van de 21 _ste__ eeuw_, Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002.

democratie - overheid - overheidsdiensten - ombudsdienst

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 3 (maart), pagina 14 tot 21