Log in

De 'herpositionering' van het migratie- en migrantendebat

Het debat over migratie en de multiculturele samenleving kende de afgelopen maanden een revival. Er waren de uitspraken van de Minister van binnenlandse zaken Patrick Dewael over de hoofddoeken en de minderwaardigheid van de Islam, er was discussie over het verbieden van burka’s, Mieke Vogels plaatste de familiemigratie van ouders van allochtonen op de agenda en er was kardinaal Danneels die herhaalde dat het tijd werd dat de Islam een Verlichting kende.

Misplaatste focus op onze universele normen en waarden

Het is in deze context dat VLD-voorzitter Bart Somers wordt geïnterviewd door de krant De Morgen. In het maandaginterview van 11 oktober 2004 formuleert hij dapper zijn visie op onze multiculturele samenleving. De journalisten van De Morgen zijn bijzonder enthousiast over het interview: ze stellen dat Somers zijn partij ‘herpositioneert’ in het migrantendebat. En twee dagen later lezen we in Pauli’s pen in dezelfde krant dat Somers met dergelijke interviews bewijst dat hij een ‘toppoliticus’ is en dat hij het debat ‘intelligent’ en ‘juist’ voert.
Ik had anders wel verschillende bedenkingen bij het lezen van het Somers-interview. Zo blijft men in het VLD-discours over de multiculturele samenleving (ingegeven door de teksten van de Nederlandse rechtsfilosoof en columnist Paul Cliteur1) zich vastpinnen op de aanpassing aan onze normen en waarden. Dit is gevaarlijk omwille van twee redenen. Ten eerste geeft men de indruk dat alle allochtonen en nieuwkomers onze grondwettelijke waarden maar niets vinden en deze voorstelling van zaken strookt helemaal niet met de werkelijkheid. Ten tweede stelt men het voor alsof de multiculturele samenleving probleemloos zal zijn eenmaal de allochtonen ‘onze universele’ waarden onderschrijven. Iedereen weet dat dit niet het geval is. Het opgeven van de eigen religieuze, culturele identiteit staat nog niet gelijk met integratie en omgekeerd hoeft het behoud van die identiteit de integratie niet in de weg te staan.2 De achterstellingsmechanismen waar allochtone kinderen en vrouwen mee geconfronteerd worden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt zullen niet verdwijnen eenmaal Marokkaanse meisjes geen hoofddoek meer zouden dragen. Er wordt in het huidig discours bijzonder veel nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van het individu dat een bepaalde cultuur en religie met bijhorende waarden en praktijken kan verkiezen of verwerpen. Hierdoor blijven structurele elementen die het individuele en cultureel-religieuze niveau overstijgen buiten schot. Wie wil streven naar een rechtvaardige multiculturele samenleving moet zijn pijlen dan ook niet alleen richten op het debat over normen en waarden, maar ook op de structurele mechanismen die een evenwaardige participatie en emancipatie van een groep mensen in de weg staan.
Het is goed dat men duidelijk stelt dat de liberaal-democratische rechtsstaat het kader is waarbinnen de multiculturele samenleving zich moet ontplooien. Praktijken en opvattingen die de rechten die deze rechtsstaat verdedigt in vraag stellen, kunnen niet getolereerd worden. Maar die liberale rechtsstaat is niet enkel de grens van de multiculturele samenleving, hij is ook de voorwaarde opdat verschillende religies, culturen en opvattingen naast en met elkaar kunnen leven in één sociale ruimte. Meestal heeft men het enkel over die grenzen die de rechtsstaat terecht moet opleggen aan het beleven van de eigen cultuur, maar zwijgt men over de mogelijkheden die een rechtvaardige pluralistische rechtsstaat zou moeten garanderen voor het beleven van de eigen cultuur (actief pluralisme).3

Huwelijksmigratie als uitdaging en engagement

4

Een ander thema dat in het genoemde interview wordt aangesneden, is de huwelijksmigratie in de Turkse en Marokkaanse gemeenschap. Sinds kort is er een groeiend besef dat die immigratie geen uitdovend fenomeen is, integendeel. Dit gaat in tegen de verwachting dat naarmate mensen langer in de immigratiesamenleving zijn, er meer kans is dat ze huwen met iemand van die immigratiesamenleving. Dit blijkt echter niet zo te zijn, ook niet bij de allochtonen die hier geboren en getogen zijn. Deze blijvende immigratierealiteit wordt echter steeds meer geproblematiseerd, zo ook door Somers. Hierbij gooit hij wel één en ander door elkaar, wat het debat dat hij wil voeren niet ten goede komt.
Somers schrijft dat 75% van de vrouwen een huwelijkspartner in Marokko vindt, maar dat je hem niet moet wijsmaken dat deze huwelijken iets met liefde te maken hebben. Deze huwelijken zouden allemaal het resultaat zijn van tradities en gebruiken die met harde hand in stand gehouden worden. Onmiddellijk daarna laat hij noteren dat de geslachtsdaad van de eerste huwelijksnacht bij een gedwongen huwelijk verkrachting is. Hiermee wekt hij, zoals zo vaak gebeurt, de indruk dat elk huwelijk van een allochtoon met iemand uit het land van herkomst een gedwongen huwelijk is. En op de vraag of we huwelijken met vreemdelingen kunnen verbieden, antwoordt hij meteen dat we schijnhuwelijken moeten aanpakken!

Migratiehuwelijken zijn niet

noodzakelijk gedwongen of schijnhuwelijken

Vooreerst is het onduidelijk waarom Somers het enkel over de Marokkaanse meisjes heeft (het cijfer klopt trouwens niet en ligt beduidend lager), gezien zowel in België als in Nederland het percentage Turkse en Marokkaanse mannen dat huwt met een partner uit het land van herkomst hoger ligt dan dat van de Marokkaanse meisjes.5 Maar dit terzijde.
Wie echter het debat over huwelijksmigratie wil aangaan, moet goed weten dat er een essentieel onderscheid bestaat tussen gearrangeerde huwelijken, gedwongen huwelijken en schijnhuwelijken. Bij het huwelijk met iemand uit het land van herkomst spelen de ouders en familie inderdaad dikwijls een belangrijke rol, hetzij als initiatiefnemer, hetzij als raadgever. Jongeren eisen echter wel steeds meer het recht op om de voorgestelde partners te weigeren. Dat huwelijken tot op zekere hoogte gearrangeerd zijn, sluit niet uit dat de partners in kwestie het laatste woord hebben over de partnerkeuze. Gearrangeerd-gedwongen huwelijken, waarbij minimale of geen inspraak van de betrokken partners wordt geduld, verliezen terrein, zowel in de migrantengemeenschappen hier als in de landen van herkomst.
Veel migratiehuwelijken hebben op de één of andere manier een gearrangeerde karakter, maar zijn daarom geenszins gedwongen huwelijken, laat staan schijnhuwelijken. Er is pas sprake van een schijnhuwelijk als iemand in het huwelijk treedt enkel omwille van andere redenen dan het huwelijk zelf - bijvoorbeeld om op die manier een verblijfsvergunning in België te verkrijgen. Het bestaan van schijnhuwelijken kan niet worden ontkend, al gaat het toch om een minderheid.
Somers stelt het voor alsof alle meisjes uit de Turkse of Marokkaanse gemeenschap die huwen met een partner uit het land van herkomst dit doen onder dwang van de traditie. Uit onderzoek echter blijkt dit niet te kloppen.6 Partnerkeuze in het land van herkomst is niet louter een zaak van niet-geëmancipeerde meisjes die onder druk handelen van hun familie en traditie. Integendeel zelfs. Heel wat allochtone meisjes voelen zich niet aangetrokken tot allochtone jongens omdat die jongens te traditioneel zijn, een slechte opleiding hebben, vaak werkloos zijn en geen vertrouwen uitstralen. Maar ook omgekeerd hebben allochtone meisjes in de ogen van de allochtone jongens een slechte naam: ze zouden te vrijgevochten, te zelfstandig en te modern zijn. Ze kunnen zich die meisjes moeilijk voorstellen als de moeder van hun kinderen en schoondochter van hun ouders. Er bestaat dus een ‘kloof tussen de seksen’.7
Bovendien bestaat er een vrij grote huwelijksmarkt in het land van herkomst. In de streken van waar de meeste Turkse migranten afkomstig zijn, is de migratiedruk immers nog steeds hoog. Dit geldt ook voor de Maghreblanden. Deze landen kennen een demografische groei die de capaciteit van de arbeidsmarkt daar ruimschoots overstijgt. Dit resulteert nu al in hoge werkloosheidscijfers en de meeste jongeren van de voorbije babyboom moeten nog op de arbeidsmarkt komen.8 Het Europees migratiebeleid zorgt ervoor dat huwelijksmigratie voor velen de enige legale mogelijkheid is om door emigratie hun sociaaleconomische positie te verbeteren. Door de directe sociale banden die er nog bestaan met het land van herkomst, komen de allochtonen hier onder druk te staan, dikwijls van ouders en familie, om in naam van de ‘familiesolidariteit’ en ‘huwelijkstradities’ te huwen met een ‘achterblijver’ in het land van herkomst.9
Daar komt nog eens bij dat allochtonen in het immigratieland een vrij positief beeld hebben van potentiële partners in het land van herkomst. Vooral de Turkse meisjes geven te kennen dat ze de jongens in de herkomstlanden openen, rustiger, beter geschoold en oprechter vinden dan de jongens uit de eigen etnische gemeenschap hier. Een huwelijk met een partner uit het land van herkomst kan het meisje ook helpen om aan de traditionele gezinsstructuren te ontsnappen. Door niet met een partner uit de lokale gemeenschap te huwen, wordt het onmogelijk om bij de schoonouders in te wonen - wat gebruikelijk is wanneer men huwt met een partner uit de etnische gemeenschap. Door een migratiehuwelijk kan de vrouw de (traditionele inmenging van de) schoonfamilie op een veilige afstand houden.10 Bovendien heeft de vrouw op die manier de sleutel in handen om de traditionele machtsverhoudingen tussen man en vrouw in haar voordeel te doorbreken. Dikwijls staat de man uit het land van herkomst immers zwakker en is afhankelijk van zijn echtgenote.11 Zij bezit immers kennis van de taal, kennis van de gastsamenleving, dikwijls heeft ze gestudeerd en heeft ze een job. De zaken zijn dus complexer en genuanceerder dan Somers het voorstelt.

Immigratiesamenleving

Volgens het NIS telde België in 2002 70.230 nieuwkomers van vreemde origine waarvan meer dan 30.000 nieuwkomers onderdaan zijn van een andere EU-lidstaat. Het migratiesaldo (immigratie minus emigratie) was dat jaar 31.092. In 2002 kende België een immigratiecijfer van 3.872 Turken en 8.495 Marokkanen.12 Het grootste gedeelte komt in het kader van familiemigratie.13 Deze omvat zowel de huwelijksmigratie als de gezinshereniging van kinderen en ouders. Een belangrijk percentage van de nieuwkomers zijn huwelijksmigranten gezien het aantal nieuwkomers onder 18 jaar vrij laag ligt en de grootste groep nieuwkomers zich in de huwbare leeftijdsgroep van 20 tot 39 jaar bevindt, met een duidelijke piek bij de twintigers. Er is ook een stijgend aantal oudere mensen dat naar hier migreert, maar de cijfers zijn niet dermate spectaculair dat deze mensen meteen een bedreiging voor onze verzorgingsstaat zouden betekenen. In 2002 immigreerden 338 Turkse en 640 Marokkaanse zestigplussers (NIS).
Als Somers gevraagd wordt naar de plichten van de gastsamenleving komt hij niet verder dan te wijzen op de plicht van de allochtonen om onze universele waarden en onze taal aan te leren. Goed, maar de vraag was of wij als samenleving ook geen plichten hebben tegenover de nieuwkomers die naar hier komen in het kader van gezinsvorming. Op dit punt ontbreekt het bijna alle politici aan moed om klare taal te spreken. De blijvende realiteit van huwelijksmigratie maakt ons land en verschillende Europese lidstaten tot ‘immigratielanden’. Of we het nu graag hebben of niet, we zijn niet enkel een multiculturele samenleving (statisch), maar ook een immigratiesamenleving (dynamisch) en dat houdt enkele uitdagingen en engagementen in.14 Het erkennen van de immigratiesamenleving betekent dat de bevolking - zowel autochtonen als allochtonen - adequaat moet worden voorbereid op de komst van nieuwkomers en op diversiteit. Organisaties en maatschappelijke instellingen (onderwijs, gezondheidszorg, arbeidsmarkt, ouderenzorg) moeten blijvend interculturaliseren en we moeten structureel voorbereid zijn op de komst van nieuwkomers. Het betekent ook het engagement om de mensen die naar hier gekomen zijn als medeburgers te beschouwen en hen de hefbomen aan te reiken om hier optimaal aan de samenleving te kunnen participeren.

Onthaalbeleid

Een onthaalbeleid moet daarom een structureel onderdeel zijn van het beleid. De zogenaamde inburgeringstrajecten moeten niet beschouwd worden als een poging tot assimilatie en disciplinering, maar als middel tot kwalificatie, emancipatie en participatie. De doelstelling van een onthaalbeleid zou moeten kaderen in de gedachte van empowerment door een ‘toerustingsbeleid’: dit wil zeggen dat de inburgeringsprogramma’s de nieuwkomers van een minimum aan kansen en handelingsmogelijkheden moeten voorzien opdat ze hier een goed leven zouden kunnen uitbouwen - en het verwerven van de taal is hiertoe een belangrijk middel.15

Generatie anderhalf

Door huwelijksmigratie blijft de groep eerste generatie migranten ouder dan 20 jaar vrij groot. De kinderen van een huwelijk waarbij één van de partners hier gesocialiseerd is en de andere partner in het land van herkomst behoren natuurlijk niet tot de eerste generatie, maar eigenlijk ook niet tot de tweede of derde generatie. Hooghiemstra heeft het treffend over ‘de generatie anderhalf.’16 Er wordt verondersteld dat allochtone kinderen uit deze generatie meer ‘integratieproblemen’ zullen hebben dan de allochtonen uit de tweede en derde generatie. Men moet zich als beleid dus niet enkel focussen op de nieuwkomers zelf, maar ook op hun nakomelingen. Dit is een uitdaging - en een blijvende - voor onder meer het onderwijs en het jeugdwerk.
Over het effect van huwelijksmigratie op de onderwijskansen van kinderen bestaat nauwelijks onderzoek. In een eerste aanzet hiertoe komt men in Nederland tot de bevinding dat het inderdaad niet gunstig is voor de taalvaardigheid van een Turks of Marokkaans kind als zijn of haar moeder pas op latere leeftijd naar Nederland komt. Maar dat huwelijksmigratie op zich ongunstig zou zijn voor de onderwijsprestaties van de kinderen kan niet worden hardgemaakt. De onderzoeker merkt wel op dat de omstandigheden van de Turkse en Marokkaanse ouders en hun kinderen dermate ongunstig zijn dat een mogelijk nadelig effect van huwelijksmigratie niet veel meer uitmaakt.17

Probleem van emancipatie en participatie

Huwelijksmigratie wordt dikwijls gecontesteerd omwille van het ‘integratieprobleem’. De huwelijksmigratie brengt mensen naar hier die onze samenleving niet kennen, de taal niet spreken en in een andere sociaal-culturele context zijn gesocialiseerd. Dit alles maakt het niet eenvoudig om als nieuwkomer een plaats te verwerven in de gastsamenleving, werk te vinden en volwaardig te participeren aan het maatschappelijk leven.
We zien dit weerspiegeld in de cijfers inzake werkloosheid en de posities op de arbeidsmarkt. Huwelijksmigranten behoren - zeker de eerste jaren van hun verblijf - dikwijls tot de sociaal zwakste groepen. Meer nog dan de gemiddelde Turkse of Marokkaanse allochtoon hebben de huwelijksmigranten te kampen met aanpassingsproblemen, maatschappelijke uitsluiting en achterstellingsmechanismen.
Een groeiend aantal allochtone jongeren is zich wel bewust dat de keuze voor een partner uit het land van herkomst voor problemen kan zorgen op vlak van maatschappelijke participatie en emancipatie18, maar dat inzicht is voor velen niet doorslaggevend om zich voor de partnerkeuze dan maar op het immigratieland te richten.
Het probleem van de integratie is deels ook genderspecifiek.19 Nogal wat Marokkaanse mannen hebben het probleem dat ze niet meteen hun draai vinden in de samenleving en afhankelijk zijn van hun vrouw. Ze vinden dikwijls ook geen werk wegens de taalbarrière en het niet erkennen van ervaring en/of diploma’s. Dit geeft een knauw aan het zelfbeeld. Velen vervallen op die manier in een ‘leeg’ leventje. Sommigen komen ter compensatie in het zwartwerk of in de criminaliteit terecht. Er rust op de mannen dikwijls ook een enorme financiële druk: ze moeten geld terugsturen naar het herkomstland, ze willen geld verdienen om onafhankelijk te zijn van de schoonouders en bovendien hebben ze zich soms in de schulden gewerkt om de hoge bruidschat te kunnen betalen. Men wil dan ook zo snel mogelijk aan het werk - al dan niet legaal, zodat er geen tijd blijft om de taal te leren en te participeren in het onthaalaanbod. Het is dan ook niet helemaal duidelijk of de snelle tewerkstelling een eerste stap naar integratie is of er eerder een belemmering voor vormt.20
Bij vrouwen ligt het probleem eerder in het feit dat de echtgenoot en de schoonfamilie - waar men dikwijls inwoont - niet echt verwachten dat ze zich emancipeert in de nieuwe samenleving. Als ze maar een goede traditionele huismoeder is, dan is alles in orde.21 De verwachting is ook dat men snel zwanger wordt, waardoor de vrouwen niet altijd in staat zijn op het onthaalaanbod in te gaan. Bovendien zijn de vrouwelijke nieuwkomers - vooral de Turkse - vaak jonge, ongeschoolde meisjes, gezien de mannelijke allochtonen een vrouw zoeken die volgzaam en weinig ondernemend is.22 Deze vrouwen zijn kwetsbaar voor manipulatie van de schoonfamilie. Sommige vrouwen worden van de buitenwereld afgesloten en dienen voornamelijk als hulpje van de schoonmoeder waar ze inwonen. Op die manier ontstaat ook een taalprobleem en kunnen die vrouwen nauwelijks hun kinderen die in het Nederlands naar school gaan opvolgen, wat dan weer nefast is voor de kansen van die kinderen. De vrouwen worden meestal ook niet geacht buitenshuis te werken, zeker niet zodra er kinderen zijn of wanneer men een werkloosheidsuitkering kan krijgen. Dit neemt niet weg dat veel vrouwen zeer graag willen werken, onder meer omdat ze dat in het land van herkomst ook deden of omdat het hen meer vrijheid biedt.23 In een aantal gevallen worden die vrouwen ook slachtoffer van fysiek, seksueel en psychisch geweld. Ze kunnen de hulp van hun broers of vader niet inroepen, ze hebben hier geen mensen om op terug te vallen en zijn volledig overgeleverd aan de willekeur van de man en de schoonfamilie. Sommige van die vrouwen komen na verloop van tijd in vluchthuizen voor vrouwen terecht.

Huwelijksmigratie als gedeelde uitdaging

Uit ervaring weten we dat migratie geen gemakkelijk gegeven is, noch voor de migranten(gemeenschappen), noch voor de gastlanden. Het beleid moet zich dan ook niet enkel richten tot de migranten, maar ook tot de autochtonen en hun instellingen voor wie de multiculturele immigratiesamenleving ook een nieuw gegeven is. Niemand zal ontkennen dat nieuwkomers met tal van moeilijkheden worden geconfronteerd om hun weg in onze samenleving te vinden. Dit is echter niet alleen een moeilijkheid voor de nieuwkomers in kwestie, het is ook een uitdaging voor de gastsamenleving om die mensen voldoende kansen te geven opdat ze hier een geslaagd leven zouden kunnen uitbouwen. Het kan niet volstaan enkel inspanningen te vragen van de nieuwkomers, ook de gastsamenleving draagt verantwoordelijkheid: ze moet ervoor zorgen dat de nieuwkomers en hun kinderen voldoende toegerust zijn om met de kansen die deze samenleving biedt, ook daadwerkelijk iets te kunnen doen.24

Een emanciperend in plaats van een restrictiever beleid

Dat huwelijksmigratie voor ‘integratieproblemen’ zorgt, kan moeilijk als voldoende reden worden beschouwd om huwelijksmigratie te beperken. Het is moeilijk te legitimeren dat een overheid zich om die reden gaat mengen of sturend gaat optreden in de partnerkeuze van mensen. Partnerkeuze en huwelijk maken immers zo overduidelijk deel uit van de privésfeer waar de vrijheid van mensen enkel mag beperkt worden als ze ernstig de vrijheid van derden beknot. Ook bij de autochtonen bestaan huwelijkspatronen die remmend zijn voor de emancipatie en sociale mobiliteit (ook van de nakomelingen), maar daar worden geen beperkende maatregelen rond genomen, juist omwille van het respect voor de privésfeer. Partnerkeuze is zo’n persoonlijke zaak dat er al heel zware nadelen moeten optreden vooraleer men geoorloofd kan ingrijpen.
Ook de maatschappelijke kosten die huwelijksmigratie met zich meebrengt, zijn onvoldoende reden om het beleid aan te scherpen door bijvoorbeeld een hoge inkomenseis als voorwaarde voorop te stellen. De kosten die een samenleving maakt om nieuwkomers de nodige handelingsmogelijksmogelijkheden aan te bieden, kunnen met collectieve gelden worden betaald omdat het ook een collectief belang is dat we naar een samenleving streven waar iedereen op een volwaardige manier kan participeren. Dit is vergelijkbaar met het feit dat het onderwijs wordt gefinancierd met collectieve middelen, mede omdat het een collectief belang is dat onze samenleving uit geschoolde en geëmancipeerde mensen bestaat. Uit het voorbeeld van het onderwijs blijkt ook dat kosten als gevolg van individuele keuzen niet steeds kunnen worden doorgerekend naar het individu. Mensen die een studierichting kiezen die vrij duur is om te organiseren en die nauwelijks uitzicht geeft op werk waardoor men meer kans heeft om van uitkeringen te moeten leven: dat wordt hen niet aangerekend in het collegegeld.25 Op bepaalde terreinen kunnen individuele keuzen die veel collectieve lasten met zich meebrengen wél worden ontmoedigd of doorgerekend naar de individuen zelf, denken we maar aan milieuvervuiling, maar deze redenering is niet toepasbaar als het gaat om zaken ‘van groot persoonlijk belang’: wie geen prenatale testen wil uitvoeren en een gehandicapt kind ter wereld zet, kan beroep doen op collectieve middelen. Ook beslissingen over partnerrelaties vallen onder de categorie ‘van groot persoonlijk belang’ zodat collectieve kosten moeilijk kunnen worden doorgerekend naar het individu.
Tot slot leert de ervaring dat wanneer het beleid inzake huwelijksmigratie strenger wordt, de migratie hoogstens wordt uitgesteld. Van een substantiële vermindering op langere termijn is meestal geen sprake. Het is dus niet zozeer zaak op zoek te gaan naar een restrictiever immigratiebeleid, wel om op zoek te gaan hoe op een adequate manier met deze huwelijks- en migratierealiteit kan worden omgegaan, misbruiken kunnen worden vermeden en autonome partnerkeuze kan worden gestimuleerd. De initiatieven inzake het onthaalbeleid zijn hiervan het voorbeeld bij uitstek. Een immigratiesamenleving houdt er rekening mee dat er steeds mensen zullen zijn die door immigratie moeilijker hun weg zullen vinden in deze samenleving en moet in dat verband op zoek gaan naar de mogelijke hefbomen die de emancipatie en participatie van de betrokkenen en hun gezin kunnen bevorderen.
Noten
1/ Cliteur P. (2002), Moderne Papoea’s. Dilemma’s van een multiculturele samenleving, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen.
2/ Zie het opiniestuk van Vlaams minister-president Yves Leterme ‘De hoofddoek is niet de hoofdzaak. Alleen wie zichzelf mag zijn, kan zich integreren’, in De Standaard 12 oktober 2004.
3/ Voor een invulling van dit actief pluralisme: Loobuyck P. (2005), ‘Liberal multiculturalism. A defence of multicultural measures without minority rights in a Belgian context’, in Ethnicities, 5, 1 (te verschijnen).
4/ Voor meer info over het onderwerp verwijzen we naar de verschillende bijdragen in Caestecker F. (ed.) in samenwerking met Stichting Gerrit Kreveld, Huwelijksmigratie, een zaak voor de overheid? (te verschijnen).
5/ Hooghiemstra E. (2003), Trouwen over de grens. Achtergronden van partnerkeuze van Turken en Marokkanen in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag; Lievens J. (1997), ‘Kenmerken van gezinsvormende migratie’, in Lesthaeghe R. (ed.), Diversiteit in Sociale Verandering. Turkse en Marokkaanse vrouwen in België, VUB Press, Brussel: 73-104.
6/ Reniers G. en Lievens J. (1999), ‘Stereotypen in perspectief. De evolutie van enkele aspecten van het huwelijk bij de Turkse en Marokkaanse minderheden in België’, in Migrantenstudies, 15, 1: 28-44 (p. 41).
7/ Voor Nederland: Hooghiemstra (2003): 119-20, 129ff, 141-2; De Vries M. (1987), Ogen in je rug. Turkse meisjes en jonge vrouwen in Nederland, Samson Uitg., Alphen a.d. Rijn/Brussel; Esveldt I. e.a. (1995), Migratiemotieven, migratienetwerken en partnerkeuze van Turken en Marokkanen in Nederland, NIDI (rapport 43), Den Haag; Holzhaus I. (1991), Een hoge prijs. Marokkaanse meisjes en jonge vrouwen in Nederland, De Balie, Amsterdam. Voor België: Callaerts T. (1997), ‘Tussen eigenheid en waardigheid. Focus groups met jonge Turkse vrouwen in Vlaanderen’, in Lesthaeghe R. (ed.), Diversiteit in Sociale Verandering. Turkse en Marokkaanse vrouwen in België, VUBPress, Brussel: 313-349; Timmerman C. e.a. (2000), Marokkaanse en Turkse nieuwkomers in Vlaanderen, Universiteit Antwerpen, Vlaamse Gemeenschap. Voor Duitsland: Strassburger G. (2001), Transstate Ties of the Second Generation. Marriage of Turks in Germany, Universität Bremen/ Üniversitesi Ankara, Summer Institute Working Paper no. 7/2001.
8/ Zie Martin Ph. (1991), The unfinished story: Turkish labour migration to Western Europe, ILO, Genève; Fadloullah A. e.a. (1999), Push and pull factors of international migration. Country report Morocco, European commission; Ayhan H.Ö (1999), Push and pull factors of international migration. Country report Turkey, European commission; Schoorl L. e.a. (2000), Push and pull factors of international migration. A comparative report, European commission.
9/ Hooghiemstra (2003): 45, 77-8; Reniers en Lievens (1999): 42; Surkyn J. en Reniers G. (1997), ‘Selecte gezelschappen: over de migratiegeschiedenis en de interne dynamiek van de migratieprocessen’, in Lesthaeghe R. (ed.), Diversiteit in Sociale Verandering. Turkse en Marokkaanse vrouwen in België, VUBPress, Brussel: 41-72 (p. 54).
10/ Lievens J. (1999), ‘Family-forming migration from Turkey and Morocco to Belgium: the demand for marriage partners from the countries of origin’, in International Migration Review, 33, 3: 717-744 (p. 729)
11/ cf. Luyckx K. (ed.) (1999), Liefst een gewoon huwelijk?, Acco, Leuven; Timmerman (2000): 205.
12/ Dit immigratiecijfer is opnieuw een stuk meer dan in de jaren tachtig waar jaarlijks gemiddeld een duizendtal Turken en een duizendtal Marokkanen naar België migreerden. Lievens J. (2000), ‘The third wave of immigration from Turkey and Morocco: determinants and characteristics’, in Lesthaeghe (ed.), Communities and Generations: Turkish and Moroccan populations in Belgium, NIDI/CGBS, Brussel, 95-128 (p. 99)
13/ Dat blijkt ook uit de gegevens van het Vlaams Gewest. In de periode 2001-midden 2003 kwam het grootst aantal anderstalige nieuwkomers uit Marokko (4.507) en Turkije (3.934) waarvan telkens een kleine 3.000 in het kader van volgmigratie. Deschamps L. (2003), Stativaria 29. Volwassen anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse Gewest. Aantallen, profielen, beleidspunten, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (p. 21).
14/ Ik ontleen de term immigratiesamenleving aan Entzinger H. (2002), Voorbij de multiculturele samenleving, Van Gorcum, Assen en Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (2001), Nederland als immigratiesamenleving, Rapporten aan de regering nr. 60, Sdu Uitgevers, Den Haag. Zie ook Loobuyck P. (2003), ‘Vlaanderen, België en Europa als immigratiesamenlevingen. Enkele consequenties’, in Streven, 70, 8: 715-727 (ook op http://www.flwi.ugent.be/cie/CIE/loobuyck4.htm).
15/ Verstraete G. e.a. (2001), Onderzoek naar de finaliteit van het Vlaams inburgeringsbeleid, CICI, Universiteit Gent en Vlaamse Gemeenschap; Loobuyck P. (2000), ‘Inburgering in Nederland en Vlaanderen. Een inleiding tot het debat’, in Samenleving en politiek 7, 4, 21-35.
16/ ‘Importhuwelijken bemoeilijken de integratie van migranten. Generatie anderhalf’, in De Standaard, 05 juni 2004.
17/ Driessen G. (2004), ‘Gezinsvorming en onderwijskansen. De verblijfsduur van Turkse en Marokkaanse ouders in Nederland en taal- en rekenvaardigheid van hun kinderen’, in Pedagogische Studieën, 81: 263-272.
18/ Hooghiemstra (2003): 137.
19/ Timmerman (2000): 205-6, 241-1.
20/ Timmerman (2000): 239, 252-3; Surkyn en Reniers (1997): 55.
21/ In dat verband maakt De Morgen van 5 juni 2003 melding van het bestaan van ‘bruiden op proef’. Het gaat om Turkse meisjes die naar hier gehaald worden en die inwonen bij de schoonouders. Het meisje is hier met een toeristenvisum en wordt niet meteen ingeschreven bij de gemeente. Wanneer het meisje niet voldoet aan de traditionele eisen van de schoonfamilie wordt ze gewoon naar Turkije teruggestuurd.
22/ Timmerman (2000): 236.
23/ Timmerman (2000): 245, 248.
24/ Loobuyck P. (2002), ‘Multicultureel burgerschap: voorbij integratie, assimilatie, segregatie en marginalisering’, in Ons Erfdeel, 45, 3: 399-411 (ook op http://www.cie.ugent.be/CIE/loobuyck2.htm).
25/ Trappenburg M. (2002), ‘Importhuwelijken en overheidsbeleid’ in Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie, 31, 3: 267-81 (pp. 274-5).

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 9 (november), pagina 21 tot 29