Abonneer Log in

De (non-)transformatie van Vlaams Blok naar Vlaams Belang

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 16 tot 22

Es gibt viel zu verliern,
Du kannst nur gewinnen
Genug ist zu wenig
Oder es wird so wie es war

Stillstand ist der Tod
Geh voran, bleibt alles anders
Der 1. Stein bricht aus der Mauer
_Der Durchbruch ist nah _1

Alles blijft anders

Na de uitspraak van het Hof van Cassatie, waarin de eerdere veroordeling van het Vlaams Blok wegens racisme door het Gentse Hof werd bevestigd, schreef Bart Brinckman in De Standaard: ‘Er verandert iets, er verandert niks. Wie het weet, mag het zeggen.’2 Sindsdien hebben velen gesproken, maar blijven de meeste vragen grotendeels onbeantwoord. En laat mij meteen duidelijk zijn, ook ik zal de meeste niet beantwoorden. Het doel van dit essay is dan ook eerst en vooral enkele alternatieve interpretaties te geven van de recente algemene commentaren.
Als er één aspect opmerkelijk is aan de hele juridische strijd tegen het Vlaams Blok, dan is het wel de overeenstemming na afloop tussen de twee kampen. Zowel de tegenstanders van het Blok als de partijleiders zijn het erover eens: (1) het Vlaams Belang is hetzelfde als het Vlaams Blok, en (2) het cordon sanitaire blijft gehandhaafd. Onder het motto ‘alles blijft anders’ zal ik hier argumenteren dat dit gedeeltelijk juist, maar toch vooral onjuist is.

Van VB naar VB (1): Dewinters dilemma

Met uitzondering van de eerste tien jaar, toen Karel Dillen (en in mindere mate Roeland Raes) de partij domineerden, was het Vlaams Blok de partij van Filip Dewinter. Ondanks dat over het interne partijleven van het VB nog minder bekend is dan over andere partijen, wijst alles op de almacht van Dewinter.3 Dit wordt ook ondersteund door uitspraken van de weinige uitgetreden Blokkers. Zo stelt de voormalig coördinator van de studiedienst van de partij, Geert van Cleemput, het kort en bondig: ‘Dewinter is oppermachtig.’4
Vanaf zijn intrede midden jaren tachtig was Dewinter verantwoordelijk voor de organisatorische uitbouw van de partij, zowel in ledental als in partijstructuur. In de eerste jaren was het Vlaams Blok nauwelijks ontwikkeld als organisatie en was zij grotendeels afhankelijk van plaatselijke afdelingen van radicaal-nationalistische groeperingen als Were-Di en Voorpost voor haar lokale activiteiten. Het was Dewinter die verschillende ledencampagnes ontwierp en die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling en inplanting van afdelingen van het Vlaams Blok in geheel Vlaanderen.
Zijn belangrijkste organisatorische vernieuwing was de oprichting van de Vlaams Blok Jongeren, wiens eerste voorzitter hij ook was (1987-90). Dit ging overigens niet zonder een felle strijd met de oude garde, met name Xavier Buisseret, wiens toenmalige Jongeren Actief tot dan toe als onofficiële jongerenbeweging van het VB had gefunctioneerd.
Het VBJ gaf Dewinter een zeer belangrijke machtsbasis binnen de partij. Het was vanaf het begin een zeer actieve en populaire beweging, gecontroleerd door Dewinter en ver buiten de invloed van de oude garde binnen de partij. Belangrijker nog, VBJ-prominenten van toen zijn VB-prominenten van nu. Kijken we alleen even naar enkele ex-voorzitters van het VBJ. Na Dewinter kwam Jan Huijbrechts (1990-92), later onder andere VB-lid van de Antwerpse Provincieraad en medewerker van de belangrijke Vereniging van Vlaams Belang Mandatarissen (VVBM). Daarna volgde Karim Van Overmeire (1992-95), onder meer senator en Vlaams parlementslid, alsmede coauteur met Dewinter van de officiële partijgeschiedenis.5 Ook Philip Claeys (1995-99) is nauw betrokken bij publicaties van Dewinter, en zetelt tevens in het Europees Parlement.6 Frédéric Erens (2001-04), tot slot, nam direct na zijn VBJ-periode zitting in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement.
Gerolf Annemans, de man die Dillen eigenlijk binnen had gehaald als zijn opvolger, hield nog een redelijke vinger in de pap op ideologisch gebied. De meeste ideologische brochures van de partij, alsmede het nieuwe beginselprogramma van het Vlaams Blok/Vlaams Belang, zijn geschreven door Annemans.7 Dewinters ideologische bijdragen beperken zich primair tot het thema immigratie en zijn meestal geen officiële partijdocumenten. Zelfs van het 70-puntenprogramma wordt nu beweerd dat het nooit een officieel partijdocument is geweest.8
Het Vlaams Blok was een zweeppartij, en Dewinter was de perfecte opzweper. Maar het Vlaams Belang is een (potentiële) bestuurspartij, en daarin zijn opzwepers veel minder nuttig en gewenst. In een (Vlaamse) partij als alle anderen, al claimt de partij dit niet te willen zijn of worden, wordt het beeld bepaald door meer genuanceerde en minder polariserende voorzitters als Frank Vanhecke en door babes als Marie-Rose Morel. Daarbij zit Dewinter met een Haider-probleem: net als de Oostenrijkse ex-leider van de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) wordt Dewinter gezien als de personificatie van het (oude) extreemrechtse Vlaams Blok. De andere partijen zullen de symbolische uitsluiting van Dewinter eisen om het cordon sanitaire op Antwerps of Vlaams niveau te doorbreken.
Het politieke dier Dewinter weet dit natuurlijk als geen ander. Hij lijkt me ook het brein achter de ´oppositie´ van Filip De Man tegen het omvormen van het Vlaams Blok. Een perfecte gelegenheid om enerzijds aan te tonen dat het ´nieuwe´ Blok interne oppositie duldt, en dat Dewinter niet de rechtsbuiten is van de partij. Weinigen buiten Siegfried Bracke zullen de stunt echter geloofd hebben. De Man is sinds jaar en dag een ‘trouwe luitenant’ van Dewinter, en wie De Man en Dewinter bij Terzake heeft zitten voetjevrijen, weet dat er sprake was van een opzetje.9
Meer nog dan in het verleden ligt de sleutel van de toekomst van het Vlaams Belang dus bij Filip Dewinter. Zal hij bereid zijn om een stap terug te doen om het cordon sanitaire te doorbreken? Hij zegt steeds van wel, maar stelt eveneens dat het Blok zich niet uit elkaar moet laten spelen. Of zal hij in staat zijn een gematigder profiel te creëren, onder andere door het ontstaan (al dan niet met zijn hulp) van een meer radicale fractie binnen de partij?

Van VB naar VB (2): het partijdilemma

Maar niet alleen Dewinter heeft een probleem, de partij als geheel heeft een probleem. Hoewel men terughoudend moet zijn ten aanzien van persberichten over interne verdeeldheid binnen het VB, met name bij De Morgen is de wens nogal eens de vader van de gedachte, lijkt de partij(naams)verandering meer en meer spanningen los te maken binnen de partijtop. Belangrijk ook is dat het niet meer primair Annemans versus Dewinter is. Nieuwkomers als Morel en Verstrepen spreken nauwelijks verhullend hun kritiek over Dewinters radicale (wellicht is ‘vulgaire’ correcter) koers uit. En hoewel de twee weinig invloed zullen hebben op de partijleden, hebben zij wel een goede ingang bij de media en verzwakken zij op zijn minst het bestaande beeld van de almacht van Dewinter.
De vraag blijft dan ook binnen Vlaams Belang: zullen anderen binnen de partij het aandurven om Dewinter serieus onder druk of zelfs buitenspel te zetten? Want Dewinters macht is maar ter dele gebaseerd op objectieve factoren, zoals de hierboven beschreven (korte) mars door de VB-instituties van zijn getrouwen. De belangrijkste machtsbasis is zijn electorale aantrekkingskracht, of beter, de perceptie ervan binnen de partij. In de woorden van Van Cleemput: ‘De andersdenkenden zijn te zwak of denken te zwak te zijn om Dewinter tot de orde te roepen. Die andersdenkenden verzwakken zichzelf bovendien nog eens nodeloos, omdat ze menen dat hij het goudhaantje is van het Vlaams Blok. Hij is het die de stemmen aanbrengt. Die analyse is (minstens gedeeltelijk) fout.’10

Zelfs al is Dewinter het electorale goudhaantje van het Blok, dan nog zit de partij gevangen in een dilemma, namelijk een tegengestelde electorale en politieke logica. De electorale logica dwingt de partij naar Dewinter toe, de politieke logica juist van hem weg. Anders gezegd, met Dewinter veel stemmen, maar geen serieuze coalities. Zonder Dewinter minder stemmen, maar meer (kans op) coalities. Pas als overduidelijk wordt dat een win-winsituatie onmogelijk is, dat wil zeggen serieuze coalities met Dewinter, zal de partij moeten kiezen. Vanzelfsprekend is deze keuze alleen relevant zonder cordon sanitaire.

Van cordon sanitaire naar cordon ‘opportunitaire’

Dat het cordon sanitaire zal worden gebroken, staat (voor mij) als een paal boven water. In enkele gemeenten wordt het cordon al goeddeels geschonden, via informele coalities en beleidsafspraken. En onderzoek wijst uit dat maar liefst 40 procent van de (huidige) Vlaamse burgemeesters het cordon sanitaire wil doorbreken.11 Tel daarbij op de uitspraken van de verschillende VLD-kandidaatvoorzitters, inclusief favoriet Bart Somers, alsmede de ambivalentie binnen het CD&V, en één ding is duidelijk: het oude cordon tegen het Vlaams Blok staat onder serieuze druk en een nieuw cordon tegen het Vlaams Belang zal niet door alle partijen worden ondertekend.
Kortom, na de volgende verkiezingszege, in de lokale verkiezingen van 2006, zal het VB officieel deel gaan nemen aan enkele lokale coalities. Dit zal niet zijn in Antwerpen, en wellicht ook niet in andere grotere steden, maar plaatsen als Lokeren en districten als Deurne lijken rijp voor VB-bestuur. Deze lokale coalities zullen deels gelden als test voor samenwerking op hoger niveau (Antwerpen, Vlaanderen) en zullen als zodanig nauwgezet gevolgd (en deels gecoördineerd) worden door de nationale partijbesturen van alle partijen, inclusief het VB.
Of het VB de test zal doorstaan valt niet te voorspellen. Zeker is wel dat de partij het veel zwaarder zal hebben om de rangen gesloten te houden in een ´normale´ situatie dan onder een cordon sanitaire. Zoals alle (grote) partijen kent het VB verschillende fracties - niet zozeer verdeeld door verschillende ideologieën, maar door verschillende prioriteiten - en verschillende electoraten. Zolang het cordon het VB buiten de macht houdt, kan de partij aan alle groepen alles beloven, zonder het gevaar hen door eigen schuld teleur te stellen. Als onderdeel van coalities, al zijn het ´maar´ lokale, zal de partij medeverantwoordelijk zijn voor beleid, en dus voor keuzen en non-keuzen, die ze zelf zullen moeten verantwoorden aan hun leden en kiezers. Dit zou tot (grote) onvrede en desertie kunnen leiden.

Populistische coalities: argumenten voor en (vermeende) gevolgen van

De argumentatie om het VB ‘mee in bad te nemen’, de wat vreemde metafoor voor mee te laten besturen, is bijna altijd strategisch: door het cordon sanitaire houdt de partij haar handen schoon en wint zo keer op keer. Als medeverantwoordelijke van bestuursakkoorden zal snel duidelijk worden dat ze geen goede ideeën en competent personeel hebben en zullen ze electoraal gestraft worden. Hierbij wordt dan geregeld naar buitenlandse voorbeelden gewezen, zoals het ineenstorten van de Lijst Pim Fortuyn (LPF) in Nederland, de Schill-Partei in Duitsland (Hamburg), en de FPÖ in Oostenrijk.
De overweging om het VB in coalities op te nemen met het ultieme doel het electoraal te verzwakken, heeft zowel morele als praktische bezwaren. Ten eerste getuigt het van bijzonder weinig respect voor zowel het bestuur als de bevolking om willens en wetens te gaan besturen met een partij die (vermeend) geen goede ideeën en competent personeel heeft. De burger mag toch van politici verwachten dat zij het bestuur van het land of stad belangrijker vinden dan het verzwakken van een politieke concurrent.
Ten tweede is het nog zeer de vraag of het VB geen adequate beleidsvoorstellen kan formuleren. Ze zullen niet dezelfde idealen nastreven als de sp.a of Groen!, maar wellicht wel van de rechterzijde van het CD&V en de VLD. Daarbij zijn verschillende beleidspunten moeilijk maar potentieel uitvoerbaar (inclusief Vlaamse onafhankelijkheid). Ook de bewering dat de partij geen competent personeel heeft voor bestuursfuncties valt niet a priori te staven. Het spreekt voor zich dat de partijtop geen bestuurservaring heeft; daar heeft trouwens het cordon sanitaire grotendeels voor gezorgd! Echter, dat maakt ze niet bij voorbaat incompetent. En als het VB uiteindelijk wordt behandeld als een partij als alle anderen, ironisch genoeg de gruwel van zijn oprichters, dan zou het mij niet verbazen dat het een beroep zal kunnen doen op allerlei gekwalificeerde lieden die nu nog in de schaduw van de partij afwachten.
Ten derde zijn de lessen uit het buitenland absoluut niet eenduidig. De verwijzingen naar de LPF en FPÖ zijn hoogst selectief. Allereerst moet er een verschil gemaakt worden tussen electorale en politieke gevolgen van het meeregeren van populistische partijen. Het is waar dat met zowel de FPÖ als LPF in respectievelijk 2002 en 2003 electoraal zwaar gestraft zijn voor hun rol in de nationale regeringen. Echter, op lokaal vlak is het effect aanzienlijk minder eenduidig: zo lijkt Leefbaar Rotterdam zich redelijk te handhaven, terwijl de FPÖ in Karinthië de ene na de andere regering leidt (soms met de Christendemocraten, soms met de sociaaldemocraten!) en ook electoraal blijft stijgen. Ook in andere landen (Frankrijk, Italië) hebben lokale en nationale coalities niet altijd tot groot stemmenverlies geleid.
Naast electorale effecten, die dus niet eenduidig zijn, heeft het meeregeren van populistische partijen ook politiek effecten. We weten in ieder geval wel uit het buitenland dat een coalitie met een populistische partij niet tot het einde van de parlementaire democratie leidt. In sommige gevallen waren de regeringen zelfs verre van radicaal: zo was de eerste regering-Schlüssel (ÖVP-FPÖ, 2000-2002) één van de meest pro-Europese regeringen en was ook haar beleid ten aanzien van immigranten en etnische minderheden zeker niet ‘rechtser’ dan dat in landen waar geen populistische partij meeregeerde.
Tegenstanders wijzen vaak naar de situatie in enkele Franse steden met burgemeesters van het Front National (FN), waar subsidies voor multiculturele projecten werden ingetrokken en ‘progressieve’ boeken en tijdschriften uit de bibliotheek werden geweerd. Hoe betreurenswaardig ook, dit valt perfect binnen de legitimiteit van de democratische keuze van een bestuurspartij (en is niet veel anders dan de keuze van de meeste ‘linkse’ of ‘democratische’ besturen om ‘extreemrechtse’ activiteiten en literatuur niet te subsidiëren).
Maar meeregeren heeft ook en vooral een effect op de populistische partij zelf. Wederom wijzen de meeste voorstanders van de ‘mee-in-bad-neem-these’ hier op het ineenstorten van de partijen in kwestie, verwijzend naar de ruzies binnen de LPF en FPÖ. Zelfs de splitsing van het FN was grotendeels het gevolg van een strijd tussen Jean-Marie Le Pen en Bruno Mégret over het al dan niet meeregeren. En hoewel het buiten kijf staat dat het voor een regeringspartij moeilijker is om eenheid te behouden dan voor een oppositiepartij geconfronteerd met een cordon sanitaire, zijn de gevolgen niet voor iedere partij hetzelfde. Waar de LPF en Schill-Partei volledig instortten, zijn de FPÖ en FN verre van verdwenen. Veel heeft te maken met de organisatiegraad van de partij in kwestie, en wat dat betreft is het VB veel beter gewapend dan de LPF of zelfs de FPÖ.
Tot slot heeft het doorbreken van een cordon sanitaire ook positieve politieke gevolgen gehad. Zo werd de neo-fascistische Movimento Sociale Italiano (MSI) bijna vijfenveertig jaar door een informeel cordon buiten de macht gehouden, totdat Silvio Berlusconi het in 1994 doorbrak. Mede als gevolg van de toenadering door Berlusconi heeft de neo-fascistische MSI een transformatie tot de post-fascistische Alleanza Nationale (AN) gemaakt, die zich meer en meer ontwikkelt tot een democratische rechts-conservatieve partij.12 Eerder hebben zich zelfde processen voorgedaan aan de andere kant van het politieke spectrum, bij zowel communistische als groene partijen.

Lessen voor Vlaanderen?

In hoeverre kan men deze internationale ervaringen nu vertalen naar de Vlaamse context? Allereerst zijn vergelijkingen met Nederland buitengewoon gevaarlijk. Het LPF is in bijna alle opzichten een heel andere partij dan het VB. Afgezien van de ideologische verschillen, rechts-populistisch versus nationaal-populistisch, is met name het onderscheid in organisatiegraad doorslaggevend. De LPF bestond amper drie maanden toen zij in de Nederlandse regering stapte. De meeste parlementsleden hadden elkaar nog nooit ontmoet, en verschillende regeringsleden waren tot kort voor hun nieuwe positie nog lid van een andere partij. In andere woorden, de LPF was (en is) niet echt een politieke partij, maar een soort losse verzameling verkozenen (die daarbij hun verkiezing puur en alleen aan hun overleden leider te danken hadden).13
Het Vlaams Blok is daarentegen één van de best georganiseerde partijen in Europa. Het heeft, door een meesterzet van Karel Dillen, zijn oprichter-leider zonder kleerscheuren overleefd - een cruciaal breekpunt in de geschiedenis van de meeste nieuwe partijen. De partij wordt geleid door een uiterst competent en efficiënt triumviraat (Annemans-Dewinter-Vanhecke), dat de touwtjes op bijna alle gebieden strak in handen houdt. Hoewel meeregeren een volledig nieuwe situatie voor de partij zal betekenen, en zeker voor problemen zal zorgen, is het naïef om te veronderstellen dat het VB net als de LPF volledig zal instorten. Het heeft in de laatste vijfentwintig jaar zo een dominantie binnen het rechts-nationalistische kamp bereikt, dat iedereen beseft dat afsplitsing maar zeer beperkte kansen biedt.
Anderzijds staat het absoluut niet vast dat een doorbreking van het cordon zal leiden tot een definitieve transformatie van het VB tot een rechts-conservatieve partij zoals de AN in Italië. Dit zal deels afhangen van de interne krachtsverhoudingen binnen het Blok, en deels van het gedrag van de andere Vlaamse partijen (blijven zij het rechts-conservatieve deel van het politieke spectrum aan het Blok overlaten?). Maar uitgesloten is het ook niet, denk slechts aan de ontwikkeling van de Volksunie.
Er is nog één factor die de Vlaamse situatie anders maakt: de Belgische dimensie. Typisch voor beschouwingen over de Vlaamse politiek is dat zelden tot nooit de invloed van Franstalige politieke actoren wordt opgenomen. Geen studie over het cordon sanitaire besteedt aandacht aan de rol van de Franstalige partijen. Toch spelen de Franstalige partijen en media een belangrijke rol in het instandhouden van het cordon: Vlaamse partijen worden te pas en te onpas beschuldigd van het achterna lopen van het VB en het schenden van (de geest van) het cordon sanitaire. Franstalige partijen maken duidelijk dat als hun Vlaamse broeders op regionaal vlak met het VB gaan samenwerken, dit grote gevolgen kan hebben voor hun coalitiepotentieel op federaal niveau.
Voor de Franstalige partijen is het ‘racisme’ van het VB slechts één van de verwerpelijke punten, en niet noodzakelijkerwijs het belangrijkste. Vergelijk bijvoorbeeld de aanzienlijk lagere prioriteit die de strijd tegen het Belgische Front National bij deze partijen inneemt. Waar Vlaamse onafhankelijkheid voor de meeste Vlaamse partijen simpelweg een stap te ver is, zien de Franstalige partijen juist in dit punt de belangrijkste dreiging van het VB. En daar zij niet direct met het VB concurreren, met gedeeltelijke uitzondering van de situatie in Brussel, staat niets een militante en radicale anti-VB positie in de weg. De prijs voor een lokale of regionale coalitie met het VB kan dus een uitsluiting van een federale coalitie zijn.

Conclusie

Op 14 november schreef Frank Vanhecke zijn column Gezond verstand onder de titel ‘Een nieuwe start.’ Nog geen week later titelde diezelfde column ‘Niets veranderd!’.14 Alleen het uitroepteken bleef hetzelfde. Hoe kan men duidelijkheid scheppen in zo’n chaotische situatie?
Feit is dat hoewel er wellicht weinig concreets veranderd is, en het Vlaams Belang slechts het Vlaams Blok onder een andere naam is, de politieke gevolgen op termijn groot kunnen zijn. De belangrijkste directe gevolgen zijn alvast dat zowel Dewinter als zijn tegenstanders binnen de partij met een deels nieuw dilemma zitten, de tegenstelling in de electorale en politieke logica van het Vlaams Belang. Daarbij is het cordon sanitaire feitelijk tandeloos, daar het expliciet spreekt over Vlaams Blok en niet Vlaams Belang. Om het cordon tegen het Vlaams Belang eenzelfde kracht te geven als dat tegen het Vlaams Blok, zal er een nieuwe stap moeten worden genomen, en het lijkt uitgesloten dat alle partijen deze stap zullen zetten. De rest zal de toekomst moeten uitwijzen.

Cas Mudde 15
Voorzitter Departement Politieke Wetenschappen - Universiteit Antwerpen

Noten
1/ De tekst komt uit het nummer ‘Bleibt alles anders’ van de CD Alles bleibt anders van de Duitse zanger Herbert Grönemeyer (Grönland, 1998).
2/ Bart Brinckman, ‘Rendez-vous met dubbelzinnigheid’, De Standaard, 15 november 2004.
3/ De bestaande studies richten zich primair op de officiële machtsverhoudingen binnen de partij, daar deze op basis van openbaar toegankelijke documenten (partijstatuten) wel na te gaan zijn. Zie Jo Buelens en Kris Deschouwer, De verboden vleespotten. De partijorganisatie van het Vlaams Blok tussen oppositie en machtsdeelname, Brussel: VUB Vakgroep Politiek Wetenschappen, 2003; Jan Jagers, ‘Eigen democratie eerst! Een comparatief onderzoek naar het intern democratische gehalte van de Vlaamse politieke partijen’, Res Publica, 1, 2002, pp.73-96.
4/ Geert van Cleemput, ‘Het 70-puntenplan was wel fout’, De Standaard, 4 november 2003.
5/ Filip Dewinter en Karim van Overmeire, Eén tegen allen. Opkomst van het Vlaams Blok, Antwerpen: Tyr, 1993.
6/ Voor zover ik kon nagaan bezet alleen ex-voorzitter Jürgen Branckaert (1999-2001) momenteel geen VB-mandaat. Hij zette zijn carrière voort bij het Nationalistisch Studentenverbond (NSV), de inofficiële studentenvereniging van het VB, als praeses van NSV!-Leuven en NSV!-Nationaal. Het moet vreemd lopen als hij niet zeer binnenkort ook ergens als VB-mandataris opduikt.
7/ Voor een overzicht van deze brochures en analyse van de VB-ideologie, zie Marc Spruyt, Grove borstels. Stel dat het Vlaams Blok morgen zijn programma realiseert, hoe zou Vlaanderen er dan uitzien?, Leuven: Van Halewyck, 1995. Zie ook Cas Mudde, The Ideology of the Extreme Right, Manchester: Manchester University Press, 2000, hoofdstuk 4.
8/ Over de relatief vage status van het 70-puntenplan, zie ook Geert van Cleemput, ‘Het 70-puntenplan was wel fout’, De Standaard, 4 november 2003.
9/ Zie ook Geert van Cleemput, ‘Schaduwboksen in het Vlaams Blok’, De Standaard, 14 september 2004.
10/ Geert van Cleemput, ‘Het 70-puntenplan was wel fout, De Standaard, 4 november 2003.
11/ Isabel Albers en Wouter Verschelden, ‘Burgemeesters denken aan Blok’, De Standaard, 21 juni 2004.
12/ Zie, onder andere, Piero Ignazi, ‘From neo-fascism to post-fascism? The transformation of the MSI into the AN’, West European Politics, Vol.19, No.4, 1996, pp.693-714.
13/ Een goed overzicht van de chaos in de LPF en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse politiek is te vinden in: Jos Heymans, Het jaar van de waanzin. Opkomst en ondergang van de nieuwe politiek, Den Haag: Sdu, 2003.
14/ De columns zijn te vinden op de nieuwe webstek www.vlaamsbelang.org.
15/ Ik dank Sarah de Lange voor haar kritische en constructieve commentaar op een eerdere versie van dit essay.

cordon sanitaire - Vlaams Belang - Vlaams Blok - VB

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 10 (december), pagina 16 tot 22