Abonneer Log in

Tien jaar sociale ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 11 tot 18

‘Voor de eerste keer in de geschiedenis zijn wij, staatshoofden en regeringsleiders, op uitnodiging van de Verenigde Naties bijeen gekomen om het universele belang van sociale ontwikkeling te erkennen … en om er dringend werk van te maken, vanaf nu en voor de 21ste eeuw.’

Het klinkt misschien wat hoogdravend, maar het was dan ook een allereerste sociale top, in maart 1995 in Kopenhagen. Er werd een actieprogramma goedgekeurd en een plechtige verklaring met tien ‘engagementen’ van de lidstaten van de VN. Vijf jaar geleden werd de top op een bijzondere bijeenkomst van de algemene vergadering herdacht, en werden alle beloften herhaald. Vandaag, tien jaar later, blijft het stil rond ‘Kopenhagen’. Niemand heeft blijkbaar zin om de woorden van toen nog eens te horen. In september van dit jaar zal er in New York een high level event georganiseerd worden om de millenniumdoelstellingen in de verf te zetten. Want vandaag is armoedebestrijding de grote prioriteit geworden, niet sociale ontwikkeling. Wat is er gebeurd en waarom is er geen Kopenhagen +10?
Voor ik probeer een antwoord te vinden op die vraag, wil ik eerst het onderscheid tussen ontwikkeling, sociale ontwikkeling en armoedebestrijding duidelijk maken. Daarna zal ik de armoedestrategie van de internationale instellingen bespreken, en de manier waarop de Wereldbank ‘sociale bescherming’ nu invult. In een vierde punt wil ik de millenniumdoelstellingen bekijken. Het antwoord op de gestelde vraag moet logischerwijze uit die vier punten kunnen worden afgeleid.

Sociale ontwikkeling

Ontwikkeling kan worden gedefinieerd als een proces van politieke, economische en sociale veranderingen gericht op collectieve emancipatie. Economische ontwikkeling is in deze context een proces van aanpassing en modernisering van de productiestructuren in alle sectoren, uitbreiding van de productiecapaciteit, van de interne markt en van de internationale integratie. Het is deze visie die men terug vindt in de oudere teksten van de VN.
Er is bij de VN echter nooit een akkoord gevonden over een definitie van ‘sociale ontwikkeling.’ Toch wordt de term veelvuldig gebruikt, al decennia lang. Want aandacht voor ‘het sociale’ is er altijd wel geweest. Van in de jaren 1950 werden rapporten over de ‘sociale situatie’ in de wereld geschreven, met aandacht voor alle klassieke indicatoren, zoals kindersterfte, levensverwachting, alfabetisering, huisvesting, werk, enz. Ook al lag de klemtoon in die beginjaren vooral op ‘economische ontwikkeling’, met groei als middel om de inkomenskloof tussen arme en rijke landen te dichten, toch worden vooral de jaren 1970 als het decennium van de ‘sociale ontwikkeling’ gezien. Dank zij de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie) kwam er aandacht voor basisbehoeften, er werd gepleit voor sociale zekerheid en armoedebestrijding, en er was aandacht voor meer werkgelegenheid. Het belangrijkste in die periode was wellicht dat er bij de VN werd gezocht naar een geïntegreerd ontwikkelingsconcept, waarbij het economisch en het sociaal beleid elkaar konden aanvullen en versterken.
De sociale top van Kopenhagen van 1995 moet in het verlengde daarvan worden gezien. Het was één van de talrijke wereldconferenties van de jaren 1990 waarbij werd getracht om, na de koude oorlog en na de eerste negatieve resultaten van het structurele aanpassingsbeleid van de Bretton Woods-instellingen,1 een nieuwe inhoud en een nieuwe impuls te geven aan het ontwikkelingsdenken. Het actieprogramma van Kopenhagen draait rond drie krachtlijnen: armoedebestrijding, werkgelegenheid en sociale integratie. Hoeveel kritiek er ook mogelijk is op dit actieprogramma - wegens de duidelijk aanwezige neoliberale accenten - toch geeft de invulling van deze drie punten aan dat men nog steeds aan een integratie van economisch en sociaal beleid denkt, én dat de rol van de overheid niet geheel is weggeveegd.
We kunnen daarom rustig gebruik maken van de definitie die Midgley geeft van sociale ontwikkeling: ‘geplande maatschappelijke verandering bedoeld om het welzijn van alle mensen te verhogen in een context van een dynamische economische ontwikkeling.’2 Interessant aan deze definitie is dat hier duidelijk wordt uitgegaan van planning, waarbij de overheid een belangrijke rol moet spelen. Dit overheidsoptreden wordt niet als vrijheidsberovend gezien, maar wel als vrijheids- en gelijkheidsverruimend. Ten tweede gaat het om maatschappelijke veranderingen, om de typische duale kenmerken van veel arme landen weg te werken. Men streeft naar meer welzijn voor alle mensen, waarbij de grote ongelijkheden moeten verdwijnen. Ten derde kan deze sociale ontwikkeling niet los worden gezien van een dynamische economie, waarmee het sociaal beleid in wisselwerking is. Sociaal beleid wordt niet afhankelijk gemaakt van economisch succes, maar draagt er juist toe bij. In Midgley’s visie kan deze sociale ontwikkeling niet voorbij gaan aan de mensenrechten in hun meest brede betekenis, met inbegrip dus van de sociale, economische en culturele rechten. De strategie moet erin bestaan mensen daadwerkelijk zelfredzaam te maken, doordat ze volwaardige burgers zijn. Het sociaal burgerschap wijst op collectieve rechten en een breed pakket van overheidsvoorzieningen, waardoor de economische ongelijkheid politiek wordt uitgeschakeld en geen invloed heeft op de toegang van mensen tot onderwijs, gezondheidszorg, enz.
Het zou fout zijn te stellen dat de ‘sociale ontwikkeling’ van het actieprogramma van Kopenhagen volledig aan deze definitie beantwoordt. Daarvoor wordt het beleid te vaak afhankelijk gemaakt van beschikbare overheidsmiddelen en staan de structurele aanpassingen te uitdrukkelijk op de eerste plaats. Wel verwijst de tekst voortdurend naar het belang van economisch en sociale rechten, naar het belang van sociale zekerheid, naar goed betaald werk, en naar sociale integratie. ‘Kopenhagen’ is als een scharnierpunt in het denken over sociale ontwikkeling, nog verwijzend naar het verleden maar al duidelijk aangevend wat de toekomst kan brengen. In Kopenhagen was armoedebestrijding een onderdeel van sociale ontwikkeling. Het grote verschil tussen beide begrippen ligt in het streven naar meer inkomensgelijkheid bij sociale ontwikkeling. Armoedebestrijding houdt op bij het bereiken van de armoedegrens. Het is perfect mogelijk om de armoede terug te dringen en tegelijkertijd de ongelijkheid te laten toenemen.

Armoedebestrijding op de eerste plaats

Het was ook in Kopenhagen dat een wereldwijde consensus werd bereikt over de prioriteit die zou worden gegeven aan armoedebestrijding. Ideologisch was men klaar voor deze stap. Vooral de Wereldbank had vanaf 1990 tal van documenten gepubliceerd met definities van armoede en beschrijvingen van armoedestrategieën. Volgens het actieprogramma van Kopenhagen kon dit niet los worden gezien van ‘werkgelegenheid’ en ‘sociale integratie’, waarmee ook de ongelijkheid kan worden bestreden, maar al snel werd duidelijk dat die twee andere krachtlijnen de armoedestrategie moesten versterken en er een onderdeel van werden. In 1997 riepen de VN het ‘Internationaal Decennium voor de uitroeiing van de armoede’ uit, en in 1999 bereikten de Wereldbank en het IMF een akkoord om hun faciliteit voor structurele aanpassing voortaan ‘Faciliteit voor groei en armoedevermindering’ (PRGF) te noemen. De arme landen moeten nu een ‘armoedestrategie’ indienen om in aanmerking te komen voor een vermindering van hun buitenlandse schuldenlast en voor goedkope leningen.

Deze PRSP’s (poverty reduction strategy papers) bevestigen de analyse die al werd gemaakt van het armoedevertoog van de Wereldbank.3 Het zijn programma’s voor grondige hervormingen van het staatsbestel en van het economisch en sociaal beleid van de arme landen. De PRSP’s laten grote onderlinge verschillen zien, maar worden ook gekenmerkt door wat ze gemeenschappelijk hebben. De armoededefinities, -metingen en -evaluaties zijn doorgaans aan de magere kant. Sociale bescherming komt meestal niet aan bod, tenzij impliciet of zijdelings. Er is wel aandacht voor onderwijs en gezondheidszorg, maar nooit ingepast in een beleid voor sociaal burgerschap. Het macro-economisch beleid sluit volledig aan bij de structurele aanpassingen en alles is gericht op groei. Nieuw is de aandacht voor participatie en governance, maar inhoudelijk valt ook dit sterk tegen. De participatie gaat vaak niet verder dan een kans voor de armen om te zeggen hoe arm ze zijn. Nooit wordt het macro-economisch beleid aan een participatieve evaluatie onderworpen. Governance gaat over corruptiebestrijding en openheid, maar ook in grote mate over reguleringen die het land aantrekkelijk moeten maken voor buitenlandse investeerders. Wat men in deze PRSP’s nooit vindt, is een manier voor arme mensen om een inkomen te verwerven. Arbeidsmarktbeleid komt maar heel zelden voor in de PRSP’s. Over lonen en sociale of economische rechten wordt niet gepraat.
Deze armoedebestrijding rekent vooral op de markt en op groei om arme mensen te helpen. Het spreekt voor zich dat alle inspanningen voor meer en beter onderwijs, een goede gezondheidszorg en goed bestuur meer dan welkom zijn. Maar of die er effectief zullen komen, en of dit ook tot armoedevermindering leidt is meer dan twijfelachtig. De overheid staat immers overal erg zwak, na meer dan twintig jaar effectief te zijn teruggedrongen door de structurele aanpassingsprogramma’s. Daarnaast is er vooral een groot gebrek aan banen én aan degelijk betaald werk. Volgens de ILO zijn er wereldwijd 1,4 miljard mensen die werk hebben maar desalniettemin minder dan 2 US$ per dag verdienen, zowat de helft van de beroepsbevolking. De grote meerderheid werkt ‘informeel’, dit is zonder enige sociale bescherming. De maatschappelijke component van deze armoedebestrijding is eerder het behouden of herstellen van duale samenlevingen, dan het wegwerken van inkomensongelijkheid.
Deze armoedebestrijding heeft dus weinig te maken met ‘sociale ontwikkeling.’ De overheid wordt weliswaar geacht een belangrijke rol te spelen, maar dan vooral om de vrijheid van de ondernemingen te bevorderen. Zij moet zorgen voor openheid en transparantie, voor het beter laten functioneren van de markt, voor het open stellen van de grenzen. Sociaal beleid wordt volledig afhankelijk gemaakt van de economische mogelijkheden, maar is hoe dan ook geen instrument in de armoedebestrijding. De PRSP’s bevestigen wat de analyse van het armoedevertoog al liet zien. Zij moeten daarom eerder gezien worden als programma’s voor het stroomlijnen van nationale overheden en nationaal beleid om te passen in de neoliberale mondialisering.

Sociale bescherming in dienst van de markt

Vandaag beperkt de Wereldbank zich niet langer tot armoedebestrijding. Zij heeft ook programma’s voor sociale bescherming opgesteld die eveneens volledig passen in haar neoliberale denken. De Wereldbank plaatst sociale bescherming in een algemeen kader van risicobeheer. Arme en rijke mensen zijn gelijk, de risico’s zijn voor beide groepen ook dezelfde, maar armen zijn er nu eenmaal meer aan blootgesteld en ze zijn veel kwetsbaarder. Ze hebben ook minder toegang tot de instrumenten om risico’s effectief te beheren, aldus de Wereldbank. Ze wil arme mensen daarom leren hoe ze zich beter kunnen beschermen.
De Wereldbank definieert ‘sociale bescherming’ als ‘het geheel van overheidsmaatregelen gericht op hulp aan individuen, gezinnen en collectiviteiten om risico’s te beheren en hulp te verlenen aan extreem arme mensen.’4 Sociale bescherming is tegelijk veiligheidsnet en springplank, ze is meer investering dan een kostenfactor. Ze is bedoeld om het welzijn te verhogen en de groei te bevorderen. Armoedebestrijding is slechts één element van sociale bescherming dat op zijn beurt slechts één element is van risicobeheer. De Wereldbank ziet drie mogelijkheden om met risico’s om te gaan. Men kan risico’s voorkomen, men kan ze verlichten en men kan erop reageren. In de drie gevallen kan de markt of de overheid er informeel mee omgaan. Risico’s voorkomen is uiteraard de beste oplossing, maar is helaas niet mogelijk tegen een haalbare prijs, zegt de Bank. Een goed macro-economisch beleid, kennis van de kapitaalmarkten, normen voor de arbeidsmarkt, migratie, hygiëne en preventieve geneeskunde zijn goede voorbeelden van hoe risico’s enigszins kunnen afgewend worden. Totaal vermijden kunnen we ze niet. Om de risico’s te verlichten kunnen mensen investeren in hun menselijk en sociaal kapitaal, er kunnen systemen van microfinanciering worden opgezet, allerhande verzekeringssystemen en uiteraard ook gezins- en gemeenschapsmechanismen. En als een risico zich werkelijk voordoet, kunnen arme mensen rechtstreeks geholpen worden, er kan geleend worden, kinderen kunnen gaan werken of men kan zijn activa verkopen.
Op deze manier gaat de sociale bescherming volledig op in een breder beleid met als enige doel de risico’s te beheren en er mee om te gaan. Enig ander maatschappelijk doel is er niet bij. Inkomensherverdeling kan een resultaat zijn van het beleid maar is geenszins de bedoeling. Men wil vooral de beheerscapaciteiten van mensen verbeteren. Vandaar dat de inkomenstransfers van de hier bestaande sociale zekerheid kunnen worden veroordeeld. Met sociale zekerheid wordt het risico immers uitgeschakeld en worden individuen aangemoedigd hun gedrag te veranderen, aldus de Bank. Volgens haar mogen risico’s niet verdwijnen, want net als kapitaal en arbeid zijn ze ook een productiefactor. Wie mensen inkomensgaranties geeft, brengt de overheidsfinanciën in gevaar en verhindert mensen om inspanningen te leveren en hun ondernemingsgeest te ontwikkelen.
De Wereldbank kan dus een sociale bescherming aanbieden die niet enkel volledig aansluit bij en in dienst staat van een economisch groeimodel, maar dat bovendien minder kost en meer opbrengt dan de traditionele sociale zekerheid.
Ook deze ‘sociale bescherming’ bevestigt de analyse van het armoedebeleid. Niet het inkomen van mensen moet worden beschermd, wel de capaciteit van mensen om een inkomen te creëren. Het inkomen wordt een verantwoordelijkheid van de mensen zelf. De overheid moet hen enkel voldoende instrumenten aanbieden - of laten aanbieden - opdat ze zich vrij en ongedwongen op de markt kunnen begeven. Het hangt dan enkel van henzelf af wat ze ervan maken. Wie meer risico’s neemt, zal meer verdienen. Herverdeling wordt overbodig en zou arbitrair zijn. Ongelijkheid kan, want ze is enkel een gevolg van ongelijke individuele inspanningen en van de onpersoonlijke krachten van de markt. Tegelijk is ze een stimulans voor meer groei.
Deze sociale bescherming sluit volledig aan bij de ‘sociale duurzaamheid’ waarover de Wereldbank het tegenwoordig heeft. Voor de Rio+10 conferentie in Johannesburg (2002) werd het letterwoord van de sociale top in Kopenhagen overgenomen: WSSD. De World Summit on Social Development werd World Summit for Sustainable Development. Sommigen dachten dat de sociale klemtonen van het duurzaamheidsbeleid hiermee versterkt zouden worden. Wat men echter zag, was dat zowel ecologie als armoede als twee gelijkwaardige ‘portefeuilles’ werden benaderd in handen van de overheid. De regeringen moeten deze portefeuilles zo beheren dat ze niet leiden tot problemen of conflicten, door uitputting van natuurlijke of sociale hulpbronnen. Sociale hulpbronnen zijn mensen en sociale duurzaamheid geeft aan dat de rek van de uitbuiting beperkt is. Armoedebestrijding wordt dan niets meer dan een sociale pijler van duurzaamheid en houdt verband met het vermijden van conflicten. Net als de natuur worden de sociale hulpbronnen beschermd als ‘activa’, een kapitaalvoorraad voor productiviteit en groei.5
Het ecologisch denken met de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt op deze manier op zijn kop gezet. In 1972 kon de Club van Rome nog pleiten voor grenzen aan de groei ten einde het milieu te beschermen. Nu stelt de Wereldbank dat het milieu - en de sociale hulpbronnen - moeten worden beschermd om de groei te laten duren. De cirkel is rond.

Millenniumdoelstellingen

Nauwelijks een jaar nadat het IMF zich eveneens volledig had geschaard achter de armoedebestrijding, hield de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een Millenniumtop in New York. Kofi Annan schreef een leerrijk verslag dat tegelijk ambitie en machteloosheid uitstraalde6, en de bijna tweehonderd staatshoofden en regeringsleiders keurden een Millenniumverklaring goed met daarbij horende millenniumdoelstellingen. Het gaat om acht streefdoelen die nu algemeen tot de grote prioriteit voor de
ontwikkelingssamenwerking worden gezien. De eerste is, niet onverwacht, een halvering van de extreme armoede tussen 1990 en 2015. Deze doelstellingen zijn niet nieuw. Ze werden gelanceerd door de OESO in 1996, één jaar na de top in Kopenhagen, evenwel zonder de achtste doelstelling, een globaal partnerschap voor ontwikkeling, en mét een doelstelling voor reproductieve gezondheidsdiensten voor iedereen. Alles bij elkaar gaat het om een pakket van concrete, sociale indicatoren die bruikbaar zijn in de armoedebestrijding. Volgens de OESO ging het om een vooral humanitaire benadering vanuit een verlicht eigenbelang dat aangeeft dat alle volken solidair kunnen zijn met elkaar. Voor de rijke landen komt het er op aan om aangepaste, efficiënte, voorspelbare en duurzame manieren te vinden om de multilaterale ontwikkelingssamenwerking te financieren.
Deze millenniumdoelstellingen zijn uiteraard belangrijk, maar ze kunnen moeilijk als een volwaardig ontwikkelingsprogramma worden beschouwd. Ze zouden ook nooit mogen worden losgekoppeld van de gehele tekst van de millenniumverklaring. Want daarin is tenminste nog sprake van ontwikkeling en gedeelde verantwoordelijkheid. De doelstellingen zelf zijn immers verre van ambitieus, wat men ook mag beweren. De armoede helemaal uitroeien zou volgens de UNDP nauwelijks 80 miljard US$ kosten. Dit betekent dat het volstaat dat de rijke landen effectief de meer dan dertig jaar geleden 0,7% van hun BBP als ontwikkelingshulp op tafel leggen om het probleem op slag te laten verdwijnen.
De doelstellingen zijn ook niet ambitieus als we ze vergelijken met het actieplan van Kopenhagen. Nergens is nog sprake van sociale en economische rechten, zelfs niet bij de UNDP.7 Nergens is er sprake van sociale zekerheid, van banen, lonen of sociale integratie.
De millenniumdoelstellingen zullen ook niet gehaald worden, dat schreef de Wereldbank al in 2001. Met de huidige groei duurt het tot 2147 voor de armoede wordt gehalveerd, aldus de UNDP.8 Ondertussen worden colloquia, seminars en workshops georganiseerd waarop deskundigen statistieken en grafieken tonen met welke landen on track zijn voor welke indicatoren en welke landen niet. Er worden nu lijsten gemaakt met prioriteitslanden en topprioriteitslanden, om toch maar de kindersterfte en de onderwijsindicatoren te verbeteren. Er is een hele ‘Millennium Development Goals’-business (MDG) gegroeid waarvan de middelen wellicht meer resultaten kunnen bereiken mochten ze rechtstreeks aan de armen worden gegeven. En ondertussen moet de Wereldbank vaststellen dat er enkel goede resultaten worden gehaald in landen die haar recepten niet volgen: China, Indië, Vietnam, Cuba…
De meeste ngo’s zijn enthousiast op de MDG-trein gesprongen. Eveline Herfkens, voormalig PVDA-minister voor ontwikkelingssamenwerking in Nederland en huidige VN-verantwoordelijke voor de MDG’s, is eveneens laaiend enthousiast, omdat er nu op zijn minst ook iets positiefs kan gemeld worden. Maar de weinige landen die hier en daar on track zijn, blijven de massale problemen verbergen met andere indicatoren en van andere landen die vaak meer achteruit dan vooruit gaan. Als er tienduizend kinderen meer school kunnen lopen in een arm land, dan is dat zeker toe te juichen. Als tegelijkertijd de markt van dat land met goedkope landbouwproducten uit de rijke landen wordt overstelpt, dan is het moeilijker om over vooruitgang te spreken.Volgens de UNDP zijn er vandaag 54 landen die armer zijn dan ze in 1990 al waren. In 21 landen is de indicator voor menselijke ontwikkeling achteruit gegaan, in 34 landen is de levensverwachting verminderd. Van 67 landen waarvoor er armoedecijfers zijn, is de armoede in 37 ervan gestegen. In 55 landen is de economie tussen 1980 en 1998 gekrompen.

Armoedebestrijding: nodig maar onvoldoende

Met de millenniumdoelstellingen is er geen sprake meer van ontwikkeling, noch economisch, noch sociaal. Dat komt vooral omdat het neoliberale beleid de economie beschouwt als een deel van de natuur, iets wat functioneert volgens ‘wetten’ die we moeten leren observeren, maar die we niet kunnen veranderen. Maatschappelijke ongelijkheid wordt ook weer als iets ‘natuurlijks’ ervaren, we moeten niet proberen daar iets aan te veranderen, tenzij dat nodig is voor de economische groei. Het enige wat we kunnen doen is alle ‘hinderpalen’ uit de weg ruimen, teneinde de markt zo goed mogelijk te laten functioneren. Dat geldt in eerste instantie voor de overheid, die zich nu moet toeleggen op deze taak. Het andere overheidsoptreden, bijvoorbeeld sociale bescherming in de oude betekenis, wordt opnieuw als vrijheidsberovend gezien. Mensen moeten niet langer beschermd worden tegen de markt, maar moeten aangespoord worden om eraan deel te nemen.
Het kan niet verbazen dat het macro-economisch beleid in deze context grondig fout zit. Dat blijkt in eerste instantie uit de achterblijvende groei die, ondanks de goede cijfers voor 2004, nog steeds niet het niveau van de jaren 1960 en 1970 haalt. Dat blijkt verder uit de armoedecijfers die ook trager dalen dan in de jaren 1970. Openstelling van de grenzen voor handel leidt ook niet automatisch tot meer groei en groei leidt niet automatisch tot armoedevermindering. Recent onderzoek wijst uit dat de sterke armoededaling in China te danken is aan het platteland en de stijging van de landbouwproductiviteit, niet aan de industrialisering en de handel.
Men is zich bij de VN ten volle bewust van de tekortkomingen van het millenniumdenken. Men weet dat er meer nodig is, maar de machtsverhoudingen zijn wat ze zijn. Het zijn de Wereldbank en het IMF die, samen met de WTO, momenteel de agenda bepalen. Het sociale denken van Kopenhagen, dat al zoveel kritiek kreeg in 1995, is nu volledig onmogelijk gemaakt. Vandaar dat er geen Kopenhagen +10 kan komen. Het is de Wereldbank die vandaag bezig is met ook voor ‘sociale ontwikkeling’ een nieuwe definitie te vinden, zoals ze ook ‘sociale bescherming’ al anders invulde. Het enige wat de VN kan doen is de millenniumdoelstellingen daarom met zoveel mogelijk kracht verdedigen, in de hoop dat men mettertijd tot de conclusie zal komen dat de armoede nooit kan uitgeroeid worden als men niet ook aan de rijkdom raakt, als niet ook de groter wordende inkomensongelijkheden worden aangepakt. Armoede wordt bij de VN nu als een probleem van veiligheid bestempeld. Men vergeet daarbij dat het niet de verlammende armoede maar de frustratie en de verijdelde hoop van de ongelijkheid is, die mensen aanzet tot geweld. Vrede en veiligheid zijn daarom onmogelijk zonder ontwikkeling.
Het is daarom van groot belang dat deze punten ook voortdurend worden herhaald. Zoals het nodig is deze doelstellingen te blijven koppelen aan de verklaring waarin ze waren verankerd. Want daarin is nog wel sprake van ontwikkeling. En zoals het nodig is de oude engagementen van Kopenhagen opnieuw op de voorgrond te plaatsen. Zowel als alle mensenrechten, inclusief de economisch, sociale en culturele rechten. Is het niet paradoxaal dat we aan het begin van de 21ste eeuw verplicht zijn deze elementaire eisen te herhalen?

Francine Mestrum
Redactielid - Doctor in de sociale wetenschappen

Noten
1/ Zie hierover Cornia G.A., Jolly R. & Stewart, F. (eds), Adjustment with a human face. Protecting the vulnerable and promoting growth. A study by Unicef, New York, Oxford University Press, 1987.
2/ Midgley J., Social Development. The Developmental Perspective in Social Welfare, London, Sage, 1995, p. 25.
3/ Zie Mestrum F., Globaliseirng en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde, Berchem, EPO, 2002.
4/ Holzmann & Jörgensen, Gestion du risque social: Cadre théorique de la protection sociale, Washington, Banque mondiale, février 2000, Document de travail n° 0006 sur la protection sociale, p. 3.
5/ Serageldin I. and Grootaert C., Defining Social Capital: an integrating view in: Dasgupta P. and Serageldin I. (eds), Social Capital. A Multifacted Perspective, Washington, 2000; World Bank, Issues Paper for a World Bank Social Development Strategy, May 2002 (www.worldbank.org/socialdevelopment).
6/ Annan K., We, the peoples. The Role of the United Nations in the 21st Century, New York, United Nations, 2000.
7/ UNDP, Human Development Report 2003, New York, Oxford University Press, 2003.
8/ UNDP, 2003, op. cit.

Verenigde Naties - armoede - sociale ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 2 (februari), pagina 11 tot 18