Log in

Voor een gezond interprofessioneel overleg

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 37

Hoe origineel men in zijn nieuwjaarswensen ook probeert te zijn, toch valt men zeer vlug terug op de wens van een goede gezondheid. Welnu, een Minister van werk moet op de allereerste plaats wensen dat het interprofessioneel overleg zijn gezondheid terugvindt. Dat was vorig jaar inderdaad wat ziekjes, maar laten we hopen dat dit voorbij is. Een gezond interprofessioneel overleg is in ons land van essentieel belang. Het is gewoon een scharnier van de welvaartsstaat en dat moet ook zo blijven. Juist omdat het vorig jaar wat haperde, moeten we er bij het begin van een nieuw jaar even op terugblikken. En dan gaat het natuurlijk op de eerste plaats over het generatiepact. De uitwerking daarvan zal overigens sowieso een belangrijk stuk van het werkjaar in beslag nemen.

Wat vandaag het generatiepact genoemd wordt, heeft een voorgeschiedenis. In de zomer van 2005 zijn de eerste teksten gemaakt en werden met de sociale partners de eerste gesprekken gevoerd. Hoeveel kritiek vooral de vakbonden ook hebben, ze hebben uren en uren mee aan tafel gezeten. Dat betekent dat er toch ook een stuk van hun ideeën en voorstellen in terug te vinden zijn. Maar waarom moest dat debat per se gevoerd worden? Er is beweerd dat er helemaal geen haast bij was, dat we nog wel een tijd verder konden doen zoals we bezig waren. Helaas klopt dat niet. Ter voorbereiding van de discussie zijn een aantal studies gemaakt. Ze komen allemaal tot dezelfde conclusie: als er op termijn niet ingegrepen wordt, worden de problemen onoplosbaar. Als we er niet in slagen mensen langer te laten werken, dan komt vroeg of laat de sociale zekerheid in gevaar. Het is een eenvoudig gevolg van de evolutie van de demografie.

Vroeg of laat, inderdaad. Over het tijdstip waarop we in de problemen dreigen te geraken, kan men lang redetwisten. Begint het vanaf 2010? Of vanaf 2015 of nog later? Neem me niet kwalijk, maar dat doet er niet veel toe. Feit is dat de vraag van de betaalbaarheid zich zal stellen en dat zal niet zijn op het tijdsstip dat de zon zal ophouden te schijnen. Het probleem zal zich al stellen voor onze kinderen of ten laatste voor onze kleinkinderen. De huidige generatie heeft niet het recht de toekomst van die kinderen en kleinkinderen te belasten. Ze moet daarom vandaag maatregelen nemen om die veilig te stellen.

Daar is overigens nog een andere reden voor. Iedereen leest in de krant over de knelpuntberoepen. We hebben 600.000 mensen die werkloos zijn en er zijn zeker 50.000 vacatures die moeilijk ingevuld geraken. We trekken daaruit nogal gemakkelijk de conclusie dat die werklozen niet willen werken. De waarheid is dat bij die groep niet altijd geschikte kandidaten zitten. Ze zijn onvoldoende geschoold of verkeerd geschoold, ze wonen in de verkeerde streek … Het is een hele opgave om de werklozen toe te leiden naar een geschikte arbeidsplaats. De administrateur-generaal van de VDAB heeft in een interview verklaard dat zeker 20% van de werklozen nooit meer aan de bak kan komen. We mogen ons daar niet zo maar bij neerleggen natuurlijk, maar we moeten ook realistisch blijven. Op het ogenblik dat de economie weer aantrekt kan dat probleem van de knelpuntberoepen alleen maar groter worden. Op de duur zal het gewoon onmogelijk worden om binnen een aanvaardbare termijn voor heel veel jobs nog een invulling te vinden.

Ik besef dat het soms moeilijk is dat in te zien. Het is normaal dat oudere werknemers het zeer moeilijk hebben om de redenering te volgen dat zij langer moeten werken. Soms hebben ze thuis kinderen die werkloos zijn en ze willen graag hun job afstaan om de jeugd kansen te geven. Natuurlijk moet de jeugd kansen krijgen. Daarom begint het generatiepact met een aantal maatregelen voor de jongeren. Maar het is een illusie te denken dat oudere werknemers zomaar te vervangen zijn door jongeren. Al te vaak missen ze de nodige ervaring en kennis. Het is ook een gegeven dat werknemers die aan de slag zijn werk opleveren voor andere werknemers. De buitenlandse situatie toont trouwens dat waar veel oudere werknemers nog actief zijn er ook veel jongeren een job hebben.

Dat is de analyse. Ik ben ervan overtuigd dat wie er rustig bij stilstaat geen problemen heeft om deze redernering te volgen. Hij of zij zal hoogstens twijfelen over de mate van dringendheid van het probleem, niet over de grond van de zaak. En toch is het niet gelukt dat debat op een serene manier te voeren. Het werd zo geconcentreerd op een paar deelproblemen dat het geheel en vooral de verdere toekomst uit het oog verloren werd. De hele discussie is verengd tot de vermeende afbraak van de brugpensioenen, terwijl op dat punt slechts een heel bescheiden stap gezet is. Niet omdat er per se een gebaar moest worden gesteld, maar omdat er een begin moest worden gemaakt. Het aantal bruggepensioneerden is vandaag inderdaad niet eens zo groot, maar er moet worden vermeden dat de toegang ook in de toekomst al te makkelijk blijft. Meer niet: een begin van een geleidelijk proces. En het kwam over als een frontale aanval. Men bleef maar herhalen dat rekening moest worden gehouden met het geheel van de loopbaan, terwijl dat reeds in de allereerste teksten een doelstelling was.

Er is zelfs nauwelijks luidop gezegd dat in het generatiepact een aantal spectaculaire en zeker onverwachte zaken instaan. Voor het eerst wordt bijvoorbeeld de sociale zekerheid gespijsd door een belasting op kapitaal. Er is ook een mechanisme in gang gezet waarmee pensioenen en uitkeringen systematisch gekoppeld worden aan de welvaartsgroei. De vakbonden waren zo gefixeerd, of moet men zeggen ‘gecrispeerd’, dat ze er nauwelijks aandacht aan geschonken hebben. Wijst die eigenaardige blindheid of minstens selectiviteit erop dat die bonden niet voldoende in staat zijn de problemen op langere termijn te zien of in een ruimere context te situeren? Of zijn de mensen in het algemeen te kort aangebonden aan het paaltje van de geschiedenis, om maar eens Nietzsche te citeren? Het is niet aan de politici om de anderen de les te spellen als het over termijndenken gaat. Politici zijn te afhankelijk van verkiezingsresultaten om niet zelf opgejaagd te worden door de dag van morgen. Maar toch moet worden gezegd dat vakbonden het blijkbaar zeer moeilijk hebben om het dagdagelijkse niveau te overstijgen.

En toch is dit precies de essentie van het interprofessioneel overleg. Het is geen goede zaak dat het interprofessioneel overleg niet tot resultaten leidt. Dat was als zo met het laatste Interprofessioneel Akkoord. Dat is met het generatiepact overgedaan. Interprofessioneel overleg staat gelijk aan solidariteit. Interprofessioneel overleg is effectief de hoeksteen van de welvaartsstaat zoals die in ons land is uitgebouwd. Het is natuurlijk duidelijk dat dit overleg de laatste jaren bij manier van spreken wat aan astma leidt. Het komt te vaak in ademnood. Laten we daar echter vooral geen gebruik van maken om het een doodsteek te geven. Denk trouwens niet dat het interprofessioneel overleg alleen in het belang van de werknemers zou zijn. Ook werkgevers hebben belang bij goed overleg, dat effectief tot resultaat leidt. Ik geloof nooit dat de Belgische, in het bijzonder de Vlaamse bedrijven, willen evolueren naar een samenleving waarin het recht van de sterkste heerst. In ons land hebben we een andere, een menselijker traditie.

In het pact staan 66 maatregelen. Ze kunnen hier natuurlijk niet allemaal worden opgesomd. Ze willen dus op de eerste plaats een kentering veroorzaken die de toekomst veilig stelt. Het is helemaal geen probleem om nog een aantal jaren voort te doen zoals we bezig zijn. Maar deze regering wil haar verantwoordelijkheid opnemen voor toekomstige generaties. Ze rekent erop dat ook werkgevers zich verantwoordelijk zullen gedragen. Finaal krijgen ze opnieuw heel wat lastenverlagingen. Daar staat geen formeel engagement van aanwervingen tegenover. Dat kan ook niet zo maar. Iedereen begrijpt dat de bedrijven alleen mensen kunnen aanwerven wanneer ze die echt nodig hebben. Maar als ze dat willen, dan kunnen ze oudere werknemers aanwerven. Als ze dat willen, dan kunnen ze vrouwen en allochtonen aanwerven. En vandaag willen ze dat al te weinig. Ook die mentaliteit is aan een verandering toe. Daarom heb ik het in de pers over quota gehad. Niet als streefdoel, want ik zou liever hebben dat er nooit quota nodig zijn. Maar als deze inspanningen geen vruchten afwerpen en de werkloosheid bij allochtonen blijft toenemen, moeten er dwingende maatregelen worden genomen, met in het uiterste geval quota.

Het zal heel vlug blijken of de sociale partners in staat zijn dat in praktijk waar te maken. De eerste onderhandelingen voor herstructureringen onder de nieuwe voorwaarden zijn al begonnen. Er zal veel moed en creativiteit nodig zijn, want het is zeker niet zo dat de regering alles tot in de puntjes heeft vastgelegd. Er zal maatwerk nodig zijn, dat bedrijf per bedrijf, subregio per subregio een verschillend resultaat kan opleveren. Het generatiepact zal hopelijk zorgen voor een mentale klik. Vandaag vindt men het bij herstructureringen vanzelfsprekend dat mensen op 50, 52 of iets ouder op brugpensioen gaan. Wij willen dat voor die groep nog een inspanning gebeurt. Het is maatschappelijk gewoon niet aanvaardbaar dat die werknemers afgeschreven worden. Ik zit natuurlijk niet op herstructureringen te wachten, maar wanneer ze zich voordoen kijk ik er met de allergrootste belangstelling naar.

Ik hoop ook dat de maatregelen voor de jongeren hun vruchten zullen afwerpen. Die maatregelen zijn immers niet gering. Niet dat ze in één keer het probleem van de jongerenwerkloosheid zullen oplossen. Dat kan natuurlijk niet. Iedereen weet trouwens dat de belangrijkste hefbomen om daaraan iets te doen ­ regionaal zijn. Maar toch. Het begint al op de schoolbanken: om in het systeem van alternerend leren en werken zeker te zijn dat jongeren een werkervaring opdoen, wordt een startbonus toegekend. Om ervoor te zorgen dat werkgevers een stage aanbieden komt er een peterschapsbonus. En zodra ze op de arbeidsmarkt komen voorzien we een belangrijke lastenverlaging voor jongeren van 18 tot 30 jaar. Die zal nog groter zijn voor laaggeschoolden en allochtonen. Er zijn tenslotte ook een aantal maatregelen voorzien om jongeren te stimuleren om zelfstandig te worden. We kunnen er echt gerust op zijn dat dit werkgevers zal stimuleren om meer jongeren aan te werven. Als de regio’s daar een bijkomende lap op geven, zullen we binnen afzienbare tijd een kentering zien in de jongerenwerkloosheid. Ik reken erop dat dit reeds in 2006 merkbaar zal zijn.

Er staan nu al enkele nieuwe uitdagingen op ons te wachten. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven heeft enige tijd geleden haar verslag afgeleverd. Daaruit blijkt dat de Belgische lonen dit en volgend jaar met 2,1 % sneller stijgen dan de Duitse, Franse en Nederlandse lonen. Er blijkt echter ook uit dat de investeringen van de Belgische bedrijven in vorming de afgesproken norm van 1,9% niet halen en dat de investeringen in innovatie omlaag gaan. Het ziet er gelukkig naar uit dat niemand het indexsysteem zal in vraag stellen. Dat zou alleen maar leiden tot nieuwe confrontaties met de bonden. Laten we echter de waarschuwingen heel ernstig nemen. De Belgische industriële productie daalt verontrustend snel, sneller dan in andere Europese landen. Laten we daar tegen opboksen en niet tegen elkaar. Anders slachten we de kip met de gouden eieren. En de sociale partners krijgen de kans om te tonen dat hun overlegmodel wel degelijk nog werkt.

Een andere uitdaging situeert zich op 1 mei 2006. Het gaat er niet om dat de socialisten een bijzondere 1 mei gaan organiseren. Het gaat erom dat ons land op dat ogenblik moet beslist hebben om de grenzen helemaal open te gooien voor de nieuwe lidstaten of om daar nog wat mee te wachten. De regering heeft aan de Hoge Raad voor Werkgelegenheid opdracht gegeven om over deze problematiek een studie te maken. Ik wil natuurlijk niet vooruit lopen op de resultaten. Ik ben trouwens van plan om daarover op een brede manier een gesprek aan te gaan. Maar ik ben van mening dat een openstelling enkel kan als een aantal voorwaarden vervuld zijn. We mogen niet toelaten dat die openstelling ertoe leidt dat we ons welvaartsmodel in gevaar brengen. Er moet worden gezorgd voor een goede registratie en vooral voor efficiënte controlemiddelen. Als we daartoe in staat zijn, dan zal die openstelling zonder problemen verlopen. Als we enige tijd langer moeten wachten om dit mogelijk te maken, dan zal dat zeker geen ramp zijn.

We hebben een woelige en vooral moeilijke periode achter de rug. 2005 zal het jaar zijn waarin het overleg telkens slechts met de hakken over de sloot geraakte. In 2006 moeten we toch proberen meer sportieve kracht en eensgezindheid op te brengen. Laten we daarop toasten.

Peter Vanvelthoven
Minister van werk

nieuwjaarsbrief - interprofessioneel overleg - werk - vakbond

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 37