Abonneer Log in

Links verenigt u

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 2

Uit onderzoek van de Leuvense arbeidspsycholoog Hans De Witte blijkt dat 6% van de Vlaamse werknemers ‘vaak’ en 18% ‘soms’ voor het verlies van hun job vrezen. In totaal vreest bijna een kwart van de werkende bevolking wel eens voor jobverlies.1

Anders geformuleerd: tussen de 150.000 en één miljoen werknemers leven met jobonzekerheid. Die vrees voor jobverlies is, zoals dat vaak gaat met angsten, het resultaat van een combinatie van objectieve en subjectieve factoren. Dat maakt dat niet alle werknemers die denken of vrezen om hun baan te verliezen ook ontslagen zullen worden.
Zoals er ook werknemers ontslagen werden terwijl ze harde afspraken met de directie over jobbehoud na inleveringen in de hand hielden.
De vrees kan misschien ongegrond of onterecht zijn, toch blijft die jobonzekerheid niet zonder gevolgen. Volgens De Witte leidt jobonzekerheid o.a. tot vermindering van inzet en motivatie en tot lusteloosheid. Werknemers zijn vaker ziet, komen later aan en willen vroeger weg. Dat ondergraaft de effectiviteit en concurrentiekracht van bedrijven. Het is dus een economische hinderpaal, meer dan een stimulans zoals sommigen misschien denken of hopen. Bovendien geeft jobonzekerheid aanleiding tot verminderde levensvreugde, mensen voelen zich niet langer gewaardeerd. Het is dus ook een persoonlijke kost. Vrees voor baanverlies leidt ook tot intolerant maatschappelijk gedrag, tot gevoelens van achterstelling en frustratie. Die gevoelens vertalen zich in een negatieve houding tegenover vreemdelingen en de politiek, tot meer sympathie voor extreemrechts. Ze zouden ook vakbonden meer leden opleveren, al zullen de redenen hen niet vrolijk maken. Bovendien zijn die leden minder tevreden omdat de vakbonden hen niet voldoende tegen het jobverlies kunnen beschermen. Kortom, jobonzekerheid is ook een maatschappelijke en politieke kost.
Het hoeft geen betoog dat de publicatie van soms indrukwekkende ondernemingswinsten en beurskoersen of van de (top)lonen van (top)managers in deze angstige omstandigheden voor nog meer wrevel en ongenoegen zorgen. Het dominante discours van onvermijdelijke loonmatiging en al even evidente herstructureringen voert de spanning op. Want naar verluidt rukken de containers met Poolse bouwvakkers, symbool voor de liberalisering van de Europese arbeidsmarkt, onstuitbaar op. Of ze zijn er al.
Over enkele maanden moet in dat klimaat een interprofessionele cao gesloten worden. Met een regering die net gemeenteraadsverkiezingen is gepasseerd, misschien een lastige begrotingscontrole en -opmaak te wachten staat en in snelvaart naar federale verkiezingen zal donderen. Het politiek thema van 2006 is naar verluidt ‘de concurrentiekracht’, de werven liggen alvast open. Ondertussen moet het generatiepact worden uitgevoerd. De technische afwerking blijkt een taaie klus te zijn, het vertrouwen van de vakbonden in het kabinetswerk is niet altijd groot.
Kortom, alle ingrediënten voor explosieve verhoudingen tussen vakbonden, werkgevers en de regering zijn aanwezig. In een onstabiel en overgevoelig politiek klimaat. In deze omstandigheden is het zeer verleidelijk om voor een defensieve strategie te opteren. Maar die is al even voorspelbaar ontoereikend. Vakbonden en progressieve partijen hebben in deze tijden en discussies een onmiskenbare en zeer grote verantwoordelijkheid. De strijd tegen de sociale afbraak is terecht en noodzakelijk, moet met overgave maar ook offensief worden gevoerd.
Links, in vakbonden en partijen, moet het politiek en intellectueel initiatief in handen nemen in de discussie over de gecontroleerde, geleidelijke omvorming van ons sociaaleconomisch model. Dat heeft betrekking op wat en hoe we produceren en hoe we de welvaart (her)verdelen.
Wie omkijkt naar de evolutie en veranderingen van de voorbije decennia weet dat ons welvaartsmodel geen stabiele, onveranderlijke verworvenheid is maar zich onophoudelijk aanpast aan veranderingen in, bijvoorbeeld, de sociaaldemografische of economische omgeving. Individualisering, feminisering, tertialisering, technologische innovatie of globalisering zijn al vele decennia omgevingsfactoren waar we sterk rekening mee moeten houden.
Ook vandaag moet ons welvaartsmodel zich aanpassen om te blijven doen wat het deed. Het gaat daarbij niet per definitie om een radicale ommekeer of verandering van de fundamenten van het model. Maar zeker wel om bijsturingen. Links moet daarover eigen voorstellen formuleren. Op welke sectoren, activiteiten gaan we ons (meer) concentreren? Waarin kunnen en willen we sterk zijn? Hoe kunnen we alle werknemers, vooral diegenen met jobonzekerheid, in moderne welvaartsproductie aan boord houden? Hoe de sociale zekerheid financieren? Hoe zorgen we ervoor dat kansarmen winnen bij ‘creativiteit’ of ‘flexibiliteit’? Wat is de ruimte voor de sociale economie? Hoe maximaliseren we laaggeschoolde dienstverlening zonder arbeid te reduceren tot prestaties door goedkope levende robotten? Hoe houden we ‘werk’ voor iedereen zinvol, goed betaald, betaalbaar, en draaglijk?
Links moet in deze een offensieve strategie voeren, met kleine, maar duidelijke en betekenisvolle stapjes naar een duidelijk doel. Alvast de criteria zijn duidelijk, de weg er naartoe veel minder. In België moeten we niet dromen van een Nederlandse linkse overwinning na enkele jaren van rechts-conservatief bestuur. We moeten zo’n bestuur voor zijn. De aanval als beste verdediging.
Het bovenstaande mag gelezen worden als een oproep tot een intellectuele groepering van links-progressieve krachten, in vakbonden en partijen. Niet als een zoveelste oproep tot ‘progressieve frontvorming’ of kartelvorming. Die samenwerking hoeft niet via een plechtstatige denktank te gebeuren, maar evenmin langsheen een vrijblijvend, occasioneel ensemble. Uiteraard zijn er vandaag netwerken, contacten, initiatieven, of fora - Sampol bijv. - waar deze gedachtewisseling plaats heeft. Maar te weinig en te oppervlakkig. Iedereen zoekt op de eigen zolderkamer naar het noorderlicht. Doeners en denkers moeten samen trachten om een antwoord te bieden op, om alternatieven te formuleren voor de ideologische hegemonie, voor het dominante discours dat vandaag de discussie en het denken over de aanpassing van ons welvaartsmodel overheerst.
Sociaaleconomische angst en onzekerheid leidt tot vermindering van welvaart en welzijn, tot wantrouwen en ontgoocheling, de groeihormonen voor extreemrechts succes. Dat succes tast de democratie aan, maar bezwaart op zijn beurt de verdediging en versterking van ons sociaal model en weefsel. Daarom is een progressieve en offensieve strategie voor de modernisering van ons sociaaleconomisch model zeer wenselijk. Alleen als we samenwerken kan die slagen.

Carl Devos
Hoofdredacteur

Noot
1/ De Morgen en De Standaard van 7 maart 2006.

edito - sociaaldemocratie - tewerkstelling

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 2