Abonneer Log in

De overheidsfinanciering van het Vlaams Blok/Belang

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 56

De jongste tijd is er weer heel wat te doen rond de centen van het Vlaams Belang. Begin dit jaar leken sp.a-spirit, PS, MR en cdH op het punt te staan om in de parlementaire Controlecommissie de zogenaamde droogleggingswet te activeren en een zaak tegen de uiterst rechtse partij aanhangig te maken bij de Raad van State. Dit rechtscollege zou dan binnen zes maanden moeten oordelen of het Vlaams Belang duidelijk heeft aangetoond vijandig te staan tegenover de internationaal gewaarborgde rechten en vrijheden. Als dat zo is, dan kan die partij worden bestraft met de intrekking van een deel van de overheidsdotatie. Tegelijkertijd raakte echter bekend dat de partij vorig jaar fondsen heeft opzijgezet om, in het geval van een veroordeling, toch nog over voldoende middelen te beschikken voor de campagne bij de komende lokale verkiezingen. Het zou gaan om een oorlogskas van ongeveer 3,8 miljoen euro.1

Het Vlaams Belang zit inderdaad vrij ruim bij kas en kan wel tegen een financieel stootje, net zoals alle grote partijen trouwens. En dat is precies het gevolg van de overheidsfinanciering die de jongste decennia exponentieel is gestegen, en waarvan het Vlaams Belang dankzij zijn electorale successen volop van heeft kunnen meegenieten. Sinds geruime tijd is het de andere partijen een doorn in het oog dat de uiterst rechtse propaganda op die manier indirect wordt gefinancierd door de overheid. Vandaar ook de recente demarches om de partij langs gerechtelijke weg een deel van die overheidsfinanciering te ontnemen. Maar wat men daar verder ook over mag denken, feit is wel dat het diezelfde partijen zijn die de rijkelijke overheidssteun aan het Vlaams Belang mee mogelijk hebben gemaakt. Zij zijn het immers die de overheidsfinanciering van de partijen keer op keer hebben verhoogd en daarmee meteen ook de kas van de uiterst rechtse partij hebben gespijsd. In deze bijdrage schetsen we kort de historiek van dit proces en stellen we ons de vraag wat de achterliggende strategische beweegredenen waren van de klassieke partijen om de overheidsfinanciering van de partijen, en dus ook van het Vlaams Belang, zo de hoogte in te jagen.

De evolutie van de overheidssteun aan het Vlaams Blok/Belang

Dat de overheidsfinanciering van het Vlaams Belang tijdens de jongste decennia spectaculair is gestegen blijkt duidelijk uit grafiek 1. Daarin wordt voor de periode 1978-2004 de totale jaarlijkse overheidssteun2 aan het Vlaams Blok/Belang weergegeven in euro en in prijzen van december 2004. Daarnaast geeft de grafiek ook aan uit welke vormen van financiering die totale overheidssteun bestaat. Vanaf het begin van de jaren tachtig ontving de partij jaarlijks een zeer beperkt bedrag aan overheidssteun, dat op het einde van de jaren tachtig geleidelijk steeg tot 269.151 euro in 1990. Vanaf 1992 begint het dan steil omhoog te gaan, een groei die vanaf 1996 eventjes stagneert rond ongeveer 2,7 miljoen euro per jaar. Maar vanaf 1999 stijgt de jaarlijkse overheidssteun opnieuw met bedragen die variëren tussen 290.000 euro en 650.000 euro per jaar, tot op het punt dat de partij in 2004 een totaal bedrag van bijna 5,5 miljoen euro aan overheidssteun ontvangt. In 2004 bestond dit bedrag voor 61% uit dotaties, waarvan 24% op Vlaams niveau en 37% op federaal niveau. Voor iets meer dan 39% ging het om fractietoelagen, meer bepaald in de Kamer (15%), de Senaat (11%), het Vlaams Parlement (12%) en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement (1,5%). In hetzelfde jaar was deze overheidsfinanciering goed voor 90,2% van de inkomsten van het Vlaams Blok. De rest was afkomstig van lidgelden (4,9%), giften (0,4%), mandatarisbijdragen (0,3%) en overige bronnen (4,1%). Gemiddeld over alle Belgische partijen bedraagt de directe overheidsfinanciering 73,2% van de totale inkomsten in 2004. Het Vlaams Blok/Belang is met andere woorden nog een stuk afhankelijker van publieke financiering dan de andere partijen.

Grafiek 1: De totale overheidsfinanciering van het Vlaams Blok, opgesplitst volgens financieringsbron: 1980-2004 (In euro en prijzen december 2004)

De spectaculaire stijging van de financieringsstroom naar het Vlaams Blok/Belang wordt door twee factoren bepaald: enerzijds de aanpassingen aan de regelgeving, waardoor de overheidsfinanciering in het algemeen sterk is toegenomen, en anderzijds de verkiezingssuccessen van de partij.
Wat de regelgeving betreft vormde vooral de goedkeuring van de wet Dhoore in 1989 een belangrijk kantelmoment. Voordien bestond er geen rechtstreekse financiering van de partijen, maar kregen de fracties in de verschillende assemblees een toelage. Dat was vanaf het begin van de jaren zeventig het geval in de Kamer en de Senaat. In de loop van de jaren tachtig komt daar een meer bescheiden fractietoelage bij op het niveau van de raden. Op het einde van de jaren tachtig vloeit er op die manier jaarlijks ongeveer 11 miljoen euro van de overheid naar de partijen. De wet Dhoore van 1989 voorzag voor het eerst in een rechtstreekse dotatie aan de partijen. De bedoeling daarvan was om de partijen minder afhankelijk te maken van giften en tegelijkertijd de partijfinanciering transparanter te maken. In 1993 werd de dotatie aanzienlijk verhoogd. Het resultaat is dat de totale jaarlijkse overheidssteun aan de partijen wordt opgetrokken tot ongeveer 33 miljoen euro. Rond het jaar 2000 werden daar nog eens de dotaties op regionaal niveau aan toegevoegd, eerst in Wallonië en daarna ook in Vlaanderen. Halfweg de jaren negentig werden ook de fractietoelagen in de deelparlementen sterk verhoogd. Dit alles heeft ertoe geleid dat de totale overheidssteun, zoals hoger gedefinieerd, vanaf 2002 een niveau bereikt van ongeveer 47 miljoen euro per jaar.
Het Vlaams Blok heeft niet alleen kunnen meegenieten van die algemene verhoging, het heeft ook een steeds groter stuk van de koek kunnen inpikken als gevolg van zijn electorale successen. De impact van deze tweede factor komt het duidelijkst tot uiting als we berekenen welk percentage van de totale overheidssteun aan de Vlaamse partijen naar het Vlaams Blok gaat, en deze curve plaatsen naast de evolutie van het stemmenpercentages van die partij (in het Vlaams Gewest).

Grafiek 2: Overheidssteun van het Vlaams Blok, in percentage van het totaal van alle Vlaamse partijen samen, en stemmenpercentage van het Vlaams Blok (Kamerverkiezingen Vlaams Gewest) (1980-2004)

Dat deze beide percentages in grote mate samenvallen komt natuurlijk omdat de overheidssteun min of meer proportioneel wordt verdeeld over de partijen die in het parlement vertegenwoordigd zijn. Om in aanmerking te komen voor een federale dotatie moest een partij tot 2003 minstens één rechtstreeks verkozen zetel hebben in zowel de Kamer als de Senaat. Sindsdien volstaat het in één van de twee assemblees een rechtstreeks verkozen zetel te hebben.3 De federale dotatie bestaat uit een geïndexeerd forfaitair bedrag (aanvankelijk 3 miljoen BEF per partij, vanaf 1993 5 miljoen BEF) en een niet-geïndexeerd variabel bedrag (aanvankelijk 10 BEF, vanaf 1993 50 BEF per geldig uitgebrachte stem voor de Kamer- én de Senaatsverkiezing). Vanaf april 2003 werd ook het variabel bedrag geïndexeerd. Ook de regionale dotaties omvatten een forfaitaire component (in Vlaanderen 61.973,38 euro per partij, geïndexeerd) en een variabele component (in Vlaanderen 1,49 per geldig uitgebrachte stem, geïndexeerd). Zowel in het Vlaams als in het Waals Parlement geldt een drempel van vijf zetels om de dotatie te kunnen krijgen. De regeling voor de fractietoelagen verschilt sterk van assemblee tot assemblee, maar komt er meestal wel op neer dat de fracties, vanaf een bepaald aantal leden, een geïndexeerd bedrag krijgen per lid.
Omwille van verschillende redenen is de allocatie van de overheidssteun dus niet zuiver proportioneel. Partijen die niet in het Parlement vertegenwoordigd zijn vallen om te beginnen uit de boot. Maar ook partijen die slechts een klein aantal zetels hebben, krijgen geen steun, zij het dat de federale dotatie hier een belangrijke uitzondering op vormt, zeker na 2003. Eens de kleinere partijen de horde van het minimum aantal zetels kunnen nemen worden ze dan wel weer bevoordeeld door de forfaitaire component van de dotaties. Die zorgt er immers voor dat de kleinere partijen in totaal een groter bedrag krijgen dan waar ze louter proportioneel gezien recht op zouden hebben. Maar de fractietoelagen zijn dan weer meer voordelig voor de grotere partijen, aangezien die bijna uitsluitend afhangen van het aantal zetels en hier dus de benadeling van de kleinere partijen als gevolg van het kiesstelsel meespeelt.
Door het samenspel van al deze factoren was het percentage overheidsmiddelen dat het Vlaams Blok tot 1995 ontving iets lager dan waar de partij recht op zou hebben louter op basis van het stemmenpercentage. In die periode speelde de regelgeving dus licht in het nadeel van de toen nog relatief kleine uiterst rechtse partij. Maar na de verkiezingen van 1995 gaat het allocatiesysteem eerder in het voordeel spelen van de partij, die vanaf dan iets meer krijgt dan waar ze louter proportioneel gezien recht op zou hebben.

Een strategisch dilemma

De competitie tussen de partijen om de zetels in het Parlement is wat speltheoretici een zero-sum game noemen: zetelwinst voor de ene partij betekent automatisch zetelverlies voor een andere. Op het eerste zicht lijkt hetzelfde te gelden voor wat betreft de verdeling van de overheidsmiddelen. Tegenover de meerinkomsten voor de ene partij als gevolg van een verkiezingsoverwinning staan immers de minderinkomsten voor de verliezende partijen. Anders gezegd: zetels verliezen is centen verliezen. Toch is dat bij nader inzien niet helemaal correct. Partijen hebben immers altijd de mogelijkheid om de minderinkomsten als gevolg van zetelverlies te compenseren door de koek van de overheidsfinanciering gewoonweg te vergroten. Op die manier kunnen ze hun inkomsten op peil houden. Maar de prijs die ze daarvoor betalen is natuurlijk dat de winnende concurrent daardoor nog meer zal incasseren.
De verliezende partijen staan hier met andere woorden voor een strategisch dilemma. Als ze in de eerste plaats de eigen inkomsten veilig willen stellen, dan versterken ze hierdoor meteen ook de concurrentie en lopen ze het risico op een nog groter zetel- en inkomstenverlies in de toekomst. Het alternatief is dat ze er in de eerste plaats naar streven om de inkomsten van de concurrent zo beperkt mogelijk te houden en bijgevolg hun eigen inkomstenverlies voor lief nemen. Op korte termijn dreigt dit echter de eigen slagkracht te verminderen en de kans om uit het electorale én financiële dal te kruipen te verkleinen.
Volgens de Amerikaanse politicologe Susan Scarrow gaat het hier om twee fundamenteel tegengestelde strategieën die politieke partijen kunnen volgen met betrekking tot de problematiek van de overheidsfinanciering.4 Partijen kunnen een inkomsten-maximaliserende strategie volgen, in die zin dat ze in de eerste plaats streven naar een zo groot mogelijke geldstroom vanuit de overheid naar de partijen. Dat dit ook een competitief voordeel oplevert voor de electorale concurrentie is vanuit dit strategisch perspectief van ondergeschikt belang. Wat primeert is immers de uitbouw van een grote en performante partij-organisatie, eerder dan het benadelen van de electorale tegenspelers. Daartegenover staat wat Scarrow de electoraal-economische strategie noemt. Die houdt in dat partijen hun financiële positie ondergeschikt maken aan de competitieve positie op de electorale markt. Ook vanuit die strategie zullen de partijen er natuurlijk naar streven om voldoende middelen te hebben voor de campagne. Maar ze zullen daarbij zoeken naar een optimum waarbij ze zelf net genoeg middelen hebben en de concurrentie liefst zo weinig mogelijk. Bij een tegenvallende verkiezingsuitslag zullen die partijen geneigd zijn om wat op de tanden bijten, eventueel de organisatie wat af te slanken of de spaarpot aan te spreken, eerder dan de concurrentie een financiële bonus te gunnen.
Beide strategieën impliceren ook een andere manier van omspringen met de publieke opinie. Uitgangspunt daarbij is dat de burgers over het algemeen negatief zullen reageren op een verhoging van de overheidssteun aan de partijen. Partijen die op zo een verhoging aansturen en daardoor de indruk wekken wat al te gretig in de staatskas te willen graaien, dreigen dus electoraal te worden afgestraft. Dat is echter niet de eerste zorg van een inkomsten-maximaliserende partij, die de negatieve reactie in de publieke opinie er graag bij neemt, zolang de inkomsten maar aandikken of ten minste op peil blijven. Voor de electoraal-economische partij daarentegen vormt dit electorale boomerang-effect een bijkomende reden om niet zonder meer te kiezen voor een toename van de overheidssteun. Dit betekent niet noodzakelijk dat die partij een toename in alle omstandigheden zal afwijzen. Want zoals gezegd moet er ook bij een electoraal-economische partij eerst of laatst brood op de plank komen, wil die efficiënt campagne kunnen voeren. Alleen zal een dergelijke partij geneigd zijn om te wachten tot er zich een goede opportuniteit voordoet om de overheidssteun te verhogen zonder de publieke opinie tegen de haren in te strijken. Dat kan bijvoorbeeld wanneer de partijen door een Hooggerechtshof worden verplicht om de steun op te trekken. Of de electoraal-economische partij kan kiezen voor een vrijbuiterstrategie, waarbij ze zich publiek verzet tegen een verhoging in de wetenschap dat, als die er toch komt, ze er hoe dan mee van zal profiteren.

De strategie van de Belgische partijen

Voor de andere partijen was de spectaculaire groei van het Vlaams Blok in het begin van de jaren negentig niet alleen een politieke maar ook een financiële tegenvaller. Zoals blijkt uit grafiek 3 daalde de federale dotatie voor de zes traditionele partijen van 3,7 miljoen euro in 1990 naar 3,3 miljoen in 1992.5 Dit was niet alleen te wijten aan de doorbraak van het Vlaams Blok, maar ook aan het succes van Rossem, dat eveneens voldeed aan de criteria om een dotatie te krijgen.

Grafiek 3: Omvang van de federale dotatie aan de zes traditionele partijen 1989-2004 (in euro en prijzen december 2004)

In 1993 wordt de federale dotatie in één klap vervijfvoudigd. Op die manier worden de minderinkomsten als gevolg van het tegenvallende verkiezingsresultaat in 1991 natuurlijk ruimschoots goed gemaakt, maar exploderen ook de inkomsten van het Vlaams Blok, zoals al aangegeven in grafiek 1. Uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de spectaculaire stijging van de dotatie vooral wordt gemotiveerd als compensatie voor de verwachte daling van de inkomsten uit giften. De wetswijziging van 1993 voorzag immers in een verbod op giften van bedrijven, terwijl de giften van natuurlijke personen sterk werden beperkt. Bovendien zouden giften aan partijen voortaan niet meer fiscaal aftrekbaar zijn. Op die manier wilde men verhelpen aan het probleem dat de oorspronkelijke wet Dhoore de giftenstroom naar de partijen nauwelijks had ingedijkt.6
Overigens heeft het betrokken wetsvoorstel een vrij hobbelig parcours afgelegd in het Parlement. De VLD, die toen in de oppositie zat, stemde tegen omdat ze blijkbaar het gevoel had dat de meerderheidspartijen met het verbod op giften vanuit de bedrijven vooral de liberalen wilden treffen. De CVP stemde vóór in de Kamer, maar veranderde van gedachte in de Senaat. Daar stemde de partij tegen vanuit de overweging dat het nogal onkies was om, in tijden van besparingen, de overheid in die mate te laten opdraaien voor de financiering van de partijen, een argument dat trouwens ook door het Vlaams Blok werd gebruikt. Kennelijk waren CVP en VLD beducht voor een negatieve reactie in de publieke opinie. Hier speelde dus blijkbaar een meer electoraal-economische beweegreden, zij het dat beide partijen ook tot de conclusie kunnen gekomen zijn dat zelfs een vervijfvoudigde dotatie niet opwoog tegen het verlies aan inkomsten uit de bedrijven.7 Feit is dat de wetswijziging sterk in het voordeel speelde van de partijen die relatief weinig inkomsten haalden of konden halen uit giften. Vooral voor het Vlaams Blok was de nieuwe regelgeving met andere woorden een gouden zaak. Maar, nog steeds voortgaand op de parlementaire voorbereiding, zag geen enkele van de mainstream partijen er toen graten in dat de nieuwe regelgeving de financiële slagkracht van hun voornaamste electorale concurrent aanzienlijk zou versterken. Althans ten opzichte van het Vlaams Blok kozen ze dus voor een inkomsten-maximaliserende strategie.
Een gevolg van de exponentiële toename van de dotatie was dat het tegenvallende verkiezingsresultaat van 1999 in absolute cijfers een veel grotere financiële aderlating vormt voor de traditionele partijen dan in 1991. Die partijen vallen nu terug van 13,3 miljoen euro in 1998 op 11,6 miljoen euro in 2000, dit is een verlies van 1,7 miljoen per jaar8 (grafiek3).
Ook nu weer wordt die put vrij snel gevuld, dit keer niet door de federale dotatie op te trekken, maar wel door een nieuwe regionale dotatie in te voeren. Langs Franstalige kant was die dotatie al in 1996 ingevoerd. Dit gebeurde onder luid protest van de Vlaamse partijen. Zij voelden zich enerzijds concurrentieel benadeeld omdat ze zich in Brussel-Halle-Vilvoorde met financieel sterkere Franstalige partijen zouden moeten meten. Maar anderzijds kantten ze zich principieel tegen een soortgelijke dotatie langs Vlaamse kant, allicht ook in de hoop dat ze hiervoor op applaus zouden worden onthaald door de eigen Vlaamse kiezers. Hier gedroegen de Vlaamse partijen zich met andere woorden duidelijk als electoraal-economische partijen: liever wat centen minder dan het risico lopen op een negatieve reactie in de publieke opinie en een electorale afstraffing.
De Vlaamse partijen hebben dat echter maar vijf jaar kunnen volhouden. In 2001 zijn ze toch overstag gegaan en hebben ze een Vlaamse regionale dotatie ingevoerd.9 Tijdens het parlementaire debat daarover werd vooral verwezen naar het Waalse precedent. Bovendien werd aangevoerd dat de stijgende campagne- en personeelskosten van de partijen een verhoging van de overheidsfinanciering rechtvaardigden. In de pers werd ook gesuggereerd dat het uitkeren van een Vlaamse dotatie vooral gebeurde op aansturen van de SP, die krap bij kas zou hebben gezeten als gevolg van het Agusta-schandaal.10 Maar ook de inkomstenderving als gevolg van het stemmenverlies in 1999 zal er de traditionele partijen ongetwijfeld toe hebben aangezet om het principiële verzet tegen de Vlaamse dotatie op te geven. Het resultaat was opnieuw dat de traditionele partijen, ondanks electorale tegenslagen, hun inkomsten aanzienlijk zagen toenemen, terwijl ook het Vlaams Blok een extra grote financiële bonus kon incasseren, zoals blijkt uit grafiek 1.
Als we louter voortgaan op het gedrag van de klassieke partijen, dan kunnen we moeilijk anders dan tot het besluit komen dat ze ten opzichte van het Vlaams Blok een inkomsten-maximaliserende strategie hebben gevolgd. Hun eerste zorg was klaarblijkelijk niet enkel het op peil houden maar vooral het verhogen van de eigen inkomsten. Dat daarmee meteen ook het financiële draagvlak en bijgevolg de electorale groeikansen van het Vlaams Blok aanzienlijk werden versterkt namen ze er maar bij.

De optie van de financiële drooglegging

Wel is het zo dat er al kort na de hoger vermelde wetswijziging van 1993 een wetsvoorstel wordt ingediend om de federale dotatie enkel toe te kennen aan partijen die zich in hun programma of statuten ertoe verbinden om de rechten van de mens te respecteren. Maar toen al was duidelijk dat dit niet meer zou zijn dan een papieren tijger. Nog vóór het voorstel in 1995 werd goedgekeurd nam het Vlaams Blok de gevraagde bepaling op in de statuten. Toch suggereert die wetswijziging dat de andere partijen al vrij vroeg met het idee speelden om het eerder vermelde strategische dilemma te omzeilen door de dotatie gewoonweg niet toe te kennen aan het Vlaams Blok. Op die manier konden ze de eigen inkomsten maximaliseren zonder de uiterst rechtse concurrentie te bevoordelen. Het waren echter vooral de Vlaamse partijen die terugschrokken voor die oplossing omdat ze een negatieve reactie vreesden in de publieke opinie, iets waar de Franstalige partijen natuurlijk veel minder last van hadden.
Uiteindelijk zijn de Vlaamse partijen dan toch mee gestapt in die richting, zij het eerder schoorvoetend. In 1999 werd de wetswijziging goedgekeurd die voorzag in de hoger vermelde gerechtelijke procedure waardoor een deel van de dotatie kan worden ingehouden. Maar door allerlei juridische problemen, en allicht ook door het gebrek aan enthousiasme langs Vlaamse kant, is die regeling pas in 2005 operationeel geworden.
Die Vlaamse huiver ten opzichte van het financieel droogleggen van het Vlaams Blok/Belang kwam ook duidelijk tot uiting in het Vlaams Parlement. Wel werd daar al van bij de invoering van de regionale dotatie, in 2001, bepaald dat het Bureau tijdelijk de dotatie kan intrekken van een partij waarvan de federale dotatie werd ingehouden op grond van de hoger vermelde procedure, of die werd veroordeeld op grond van de antiracismewet. Maar na de veroordeling van het Vlaams Blok in 2004 besliste een meerderheid van het Bureau om de dotatie van het Vlaams Belang niet in te trekken. Enkel sp.a-spirit en Groen! waren daar voorstander van.11
Het feit dat de meeste Vlaamse politici minder dan ooit staan te springen om de geldkraan naar het Vlaams Belang dicht te draaien is natuurlijk gemakkelijk te begrijpen. Uiteindelijk gaat het hier om een partij die één op de vier Vlaamse kiezers vertegenwoordigt en die de scherpste angels uit het programma heeft verwijderd. De beslissing om zo’n partij financieel te benadelen zal hoe dan ook een beperkte legitimiteit hebben, ongeacht of die beslissing langs politieke of gerechtelijke weg genomen wordt, of langs beide. In elk geval zal een financiële sanctionering van de partij nu een stuk problematischer zijn dan het geval geweest zou zijn vlak na 1991, toen het Vlaams Blok niet alleen veel kleiner maar ook extremer was dan nu. Dat de partij inmiddels is kunnen uitgroeien tot een brede radicaal rechtse formatie is trouwens mede het gevolg van de inkomsten-maximaliserende strategie die de andere partijen sindsdien hebben gevolgd. In het licht daarvan krijgen de ethische motieven die nu door diezelfde partijen worden ingeroepen om het Vlaams Belang financieel droog te leggen een enigszins holle bijklank.

Bart Maddens en Karolien Weekers
K.U.Leuven, Centrum voor Politicologie

Noten
1/ Cochez T., Vervelling tot Vlaams Belang kostte ruim een miljoen Euro, in: De Morgen, 17-01-2006.
2/ We beperken ons hier tot de directe, vrij te besteden, overheidssteun op federaal en regionaal niveau. Een aantal andere vormen van overheidsfinanciering blijven daardoor buiten beeld: de mandatarisbijdragen (die als een indirecte steun kunnen worden beschouwd), de lonen van de fractiemedewerkers (die rechtstreeks door de betrokken assemblees worden betaald), de steun aan de verbonden instellingen (waarvan we het bedrag pas sinds 1999 kunnen berekenen op basis van de boekhouding) en de dotaties op lokaal en provinciaal niveau (waarvan niet altijd duidelijk is of ze systematisch en integraal worden opgenomen in de centrale boekhouding van de partijen). Voor de gegevens m.b.t. de exacte bedragen van de verschillende vormen van overheidsfinanciering, baseren we ons op de respectievelijke reglementeringen, gekoppeld aan enkele andere bronnen. Voor de periode tot 1999 zijn dat de diensten van de verschillende parlementen en eerder onderzoek (voornamelijk Van Bunder D., De officiële inkomsten van de politieke partijen en hun parlementaire fracties. Brussel, VUB, 1989). Vanaf 1999 kunnen alle relevante gegevens worden afgeleid uit de partijboekhoudingen. Voor meer gedetailleerde informatie over de gebruikte bronnen, zie : Weekers K., Noppe J. en Maddens B., 35 jaar overheidsfinanciering van politieke partijen in België (1970-2004), in: Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2005, 7, pp.447-465.
3/ Deze wetswijziging werd goedgekeurd in 2005, maar trad retroactief in werking na de verkiezingen van 18 mei 2003. Aangezien de retroactief uitgekeerde bedragen nog niet zijn terug te vinden in de resultatenrekeningen, konden deze hier niet worden meegerekend.
4/ Scarrow S. E., Explaining Political Finance Reforms. Competition and Context, in: Party Politics, 10 (2004) 6, pp.653-675.
5/ Het bedrag van de dotatie wordt onmiddellijk aangepast aan het verkiezingsresultaat. Dat betekent dat het totale toegekende bedrag in een verkiezingsjaar deels wordt bepaald door de oude en deels door de nieuwe stemmenverdeling.
6/ Weekers K., Maddens B. en Noppe J., Verklarende factoren voor het ontwerp of de aanpassing van systemen van politieke financiering: de Belgische case. Paper ter presentatie op het politicologenetmaal, Den Haag, 18-19 mei 2006.
7/ Zie hierover ook: Van Bunder D., o.c., p.77.
8/ Na de federale verkiezingen van 2003 daarentegen neemt de dotatie voor de federale partijen opnieuw toe, ondanks de winst van het Vlaams Blok. Dat is in grote mate te wijten aan de winst van sp.a-spirit en PS, ten nadele van respectievelijk Agalev (waarvan de dotatie helemaal wegvalt) en Ecolo.
9/ De invoering van een regionale dotatie werd langs Vlaamse kant voor een stuk gecompenseerd door het schrappen van de dotaties voor de zogenaamde verbonden instellingen, zoals de politieke omroepverenigingen en vormingsinstellingen. De inkomsten uit de regionale dotatie zijn nu echter beduidend hoger dan de vroegere subsidies voor de verbonden instellingen (Weekers K., Noppe J. en Maddens B., o.c., p.453-455).
10/ Dotatie van Vlaams Parlement moet verkiezingscampagne 2004 betalen , in: De Standaard, 13-06-2001.
11/ Zie: Deweerdt M., Overzicht van het Belgisch politiek gebeuren in 2004, in: Res Publica, 2005, 2-3, pp.232-233.

Vlaams Blok - Vlaams Belang - partijfinanciering

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 49 tot 56