Log in

In hoeverre zijn Westerse ideeën over het moderne Rusland juist?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 48 tot 55

Ideologische clichés en simplistische stereotypen domineren veelal in Westerse ideeën over het hedendaagse Rusland. Er is er vaak sprake van verwarring. De oorzaak daarvan ligt, mijns inziens, in het grote verschil tussen het Westen en Rusland. Het land is vandaag de dag veel te ‘ongewoon’ om beoordeeld te kunnen worden aan de hand van traditionele standpunten. Het Westen heeft zich te veel vastgebeten in individuele politieke vraagstukken. Het is daardoor het overzicht verloren. Misschien is het daarom interessant om, in de context van de huidige gespannen relatie tussen Europa en Rusland, voor enkele verduidelijkingen te zorgen.

Kenmerken van het huidige Rusland

Het is belangrijk te beseffen dat het huidige Russische staatsbestel niet is ontstaan als een instrument voor het garanderen van rechten en vrijheden aan de burgers. Het is veeleer een mechanisme dat gedifferentieerde toegang tot maatschappelijke privileges aan de burgers verleent. Rusland is het nieuwe millennium binnengetreden als een zeer geëconomiseerde samenleving waarin bijna alle belangrijke waarden, die ondanks alles toch nog voortgekomen waren uit de Sovjetheerschappij, verloren zijn gegaan; de zuiver materialistische waarden niet te nagesproken dan.

Sloot dat staatsbestel aan op de sociale realiteit aan het begin van de 21ste eeuw? Absoluut niet. Had het bestel daarentegen zich geleidelijk aan kunnen ontwikkelen om, na verloop van tijd, ‘normaler’ te worden? Zeker wel. Maar dit proces werd verstoord door de rol die de staat ‘als instituut’ (en niet zozeer de individuele vertegenwoordigers ervan) speelde. In feite vervreemde de staat zich van zijn uitvoerende en controlerende functies. De staat stierf niet af, maar veranderde zichzelf op wonderbaarlijke wijze in een versplinterd en geregionaliseerd onderdeel van de ‘economie’. Daarbij waren de te betalen staatsdiensten niet alleen bedoeld ter ondersteuning van de gewone economie, maar produceerden die ook een soort elementaire maatschappelijke ordening. De ‘grenzenloosheid’ in de particuliere sector aanvaardde de bevolking nog min of meer als zijnde begrijpelijk (Russische ondernemers wisten al bij al nog wat ze deden; de rest van de maatschappij wist heel goed waarom ze niet hetzelfde deed). Er werd aan de samenleving echter geen enkele uitleg gegeven over het misbruik dat gepleegd werd door de ambtenaren. Zo ontstond er een onoplosbare tegenstelling: aan de ene kant dook de bureaucratie net zo goed het zakenleven in als de ‘nieuwe Russen’, aan de andere kant (en dit in tegenstelling tot de autochtone nouveaux riches die demonstratief in weelde konden baden) moesten de vertegenwoordigers van de bureaucratie de schijn van bescheidenheid en onomkoopbaarheid ophouden en doen alsof ze niets te maken hadden met de ‘nieuwe orde’. Deze openbare leugen maakte in Rusland veel meer kapot dan de mislukte hervormingen uit de jaren negentig. De overheid raakte niet corrupt in de klassieke zin van het woord, maar ‘werd zelf de economie’. Nog sterker uitgedrukt, de overheid werd de ergste ‘schaduw’ van de economie en zelfs van de zwarte economie, waarvan de afmetingen onduidelijk waren en de structuren duister. Naarmate het land de moeilijkste tijd achter zich liet, werd deze tegenstelling steeds duidelijker. Geleidelijk aan werd de economie transparanter. Ondernemers begonnen hun inkomsten aan te geven en belasting te betalen. De ééndagsfirma’s en de onrendabele bedrijven gingen failliet. Grote bedrijven ontstonden door fusies en overnames. Er was slechts één constante: de overheidsdienaren die zich in de loop van een heel decennium verrijkt hadden, konden hun vermogen nog steeds niet legitimeren.

Het is belangrijk dit te beseffen: juist het laten aanslepen van dit probleem heeft de Russische democratie om zeep gebracht. In de tweede helft van de jaren 1990 vormden zich twee polen van materiële rijkdom. Enerzijds de langzamerhand geciviliseerde economische pool en anderzijds de economische pool die eigenlijk buiten elke jurisdictie bleef, nl. de staat. Deze twee polen trokken respectievelijk diegenen aan die wilden (en konden) bijdragen aan een moderne bedrijfsaanpak en modern ondernemingsbestuur en diegenen die slechts wisten te parasiteren op de economie en de samenleving, zonder daar ook maar iets voor te doen en die dan ook met de resultaten van hun ‘werk’ uit het zicht van de samenleving bleven.
Het staatsapparaat werd ongelooflijk inefficiënt. Die inefficiëntie werd vanaf 1998/1999 dan maar gecompenseerd door het staatsapparaat geweldig op te blazen. Vandaag de dag bestaan alle overheidsorganen en controleorganen eigenlijk dubbel. Het aantal ambtenaren is opgelopen tot bijna 1,3 miljoen. De Russische bureaucratie is meer dan de helft groter dan de Sovjetbureaucratie ooit was.
De ambtenaren, die hun vermogen al onmogelijk konden legaliseren, trachtten zichzelf nog meer privileges te verschaffen. Ze betrokken vertrouwenspersonen, familieleden en vrienden bij hun zaken. Het resultaat daarvan was dat in 2002-2003 de overheidsdienaren in Rusland een aparte klasse werden die, ofwel rechtstreeks ofwel via vertrouwenspersonen, volledig vervlochten was met de economie. Het spreekt vanzelf dat de instandhouding van deze klasse de samenleving heel veel heeft gekost en nog steeds kost.
Het feit dat basisfuncties van de staat in Rusland op commerciële wijze zijn georganiseerd, verklaart de groei van ondemocratische stromingen in het land.
Formeel blijft verrijking door ambtenaren en verkozen personen illegaal en zelfs crimineel. Elke echte democratische machtswisseling bedreigt dan ook de heersende klasse. Niet alleen door vermindering of verlies van verrijkingsbronnen, maar ook door dreiging van rechtszaken, veroordelingen en in veel gevallen mogelijke inbeslagname van het vergaarde vermogen.

Het overheidsstreven naar de versterking van de eigen bevoegdheden en de eigen status, heeft drie processen voortgebracht die zeer kenmerkend zijn voor het huidige Rusland.
In de eerste plaats is de overheid intensief naar buitenlandse bronnen van legitimiteit gaan zoeken, aangezien er geen transparante binnenlandse bronnen te vinden waren. Een gezochte buitenlandse bron werd al in 1999/2000 aangeboord, en uiteindelijk na 2001 operationeel, in de vorm van het internationale terrorisme.
Vervolgens werd een nieuwe ideologische campagne op touw gezet. De elementen die hiervoor werden gebruikt, waren het ophemelen van nationale (en nationalistische) waarden en het aanwakkeren van een soort religieus bewustzijn door ‘liefde voor de staat’ en ‘patriottisme’ te prediken.
Ten derde is de overheid, na de tragedie van Beslan en andere gebeurtenissen, in 2003-2004 begonnen met de opbouw van een ‘verticale’ wederkerige subordinatie, werden regionale verkiezingen geannuleerd, werd de rechtspraak aan bevelen onderworpen en werd het functioneren van politieke partijen en de vrije media vrijwel onmogelijk gemaakt. Daardoor werden in feite alle ‘verworvenheden’ en tekortkomingen van het centrale apparaat in de regio’s nog eens gereproduceerd. Dit was, eerlijk gezegd, de grootste fout die de overheid maakte.

‘De lontstrategie’

Door het creëren van deze nieuwe overheidsstructuur, zonder enige tegenhanger op het maatschappelijk middenveld, heeft Vladimir Poetin de ‘lontstrategie’ toegepast. De veiligheidsdreigingen voor Rusland zouden eigenlijk eerder de volgende moeten zijn: de toenemende verslechtering van de infrastructuur, het energetische netwerk en de militaire installaties; de verder uitstervende bevolking en de vermindering van de kwaliteit van het menselijk kapitaal; en ten slotte de inspanningen van het gevaarlijkste buurland - China - en diens ‘sluipende expansie’ in het Verre Oosten.
In plaats van deze reële dreigingen aan te pakken, begint de overheid nieuwe dreigingen te bedenken. Erger nog, ze begint te geloven dat die echt bestaan. Zo houdt de oorlog in de Noordelijke Kaukasus in de eerste plaats aan omdat de overheid hem voor zichzelf nodig heeft. En dat geldt niet alleen voor de centrale overheid, maar ook voor de regionale overheden. Grote financiële middelen worden, in het kader van ‘de strijd tegen het extremisme’, naar deze straatarme regio’s overgemaakt. Middelen die onvermijdelijk zouden opdrogen als ‘het extremisme’ niet langer zou bestaan. Daarom provoceren de plaatselijke autoriteiten en de ‘ordehandhavende’ krachten de bevolking permanent, waardoor men garandeert dat het ‘lont’ blijft smeulen. Wanneer het smeulen overgaat in openbare uitbarstingen, worden deze verstikt door het sturen van aanvullende troepen en financiële middelen. Dit voedt opnieuw de lokale tsaren, en zo neemt de spanning steeds verder toe.
Bovendien zijn de financiële middelen gecentraliseerd om de controle op de gouverneurs (door de president benoemd) te vergroten. Dit leidt tot onderfinanciering van sociale noden. Dat is vooral zichtbaar in het geschil over de uitkeringen, alsook in de strijd over de afschaffing van privileges voor pensioengerechtigden en andere groepen van de bevolking die nog uit het tijdperk van de Sovjet-Unie stammen.
De ‘lontstrategie’ werkt als er lokaal geen enkele motivering is om problemen op te lossen. In dat geval komen er na nieuwe protesten opnieuw aanvullende middelen vanuit het centrum, en verdwijnen die weer in de zakken van de lokale heersers.

Andere voorbeelden van deze strategie zijn de activiteiten van de belastingdienst en de geheime dienst. De belastingdienst eist steeds grotere bevoegdheden, opdat de schulden van de belastingbetalers niet eens meer bewezen hoeven te worden. Deze dienst zou dan bovendien de mogelijkheid krijgen om belastingbetalers te chanteren of bedrijven (ten eigen voordele) aan te pakken. De geheime dienst ontwikkelt op zijn beurt een campagne ter bestrijding van spionnen en vijanden. Het creëert een permanente sfeer van vrees en wantrouwen. Dit alles wordt bekroond door gemanipuleerde jeugdbewegingen en nationalistische acties, die moeten laten zien dat er een groot nieuw gevaar dreigt. Zo lijkt het dat niet alleen de machthebbers, maar de hele maatschappij wordt bedreigd.

Proberen om de mogelijke loop der gebeurtenissen te voorspellen, blijkt dan ook vrij eenvoudig te zijn. In de komende jaren zal het conflict in de Kaukasus normaal gezien niet uitgroeien tot een grote oorlog. We kunnen wel een reeks opstanden verwachten. Daarbij zal het volk trachten zich te bevrijden, omdat het gewoon niet kan blijven leven in een permanente staat van paramilitaire grenzenloosheid. De sociale problemen zullen niet opgelost worden zolang elk stukje overheid er belang bij heeft om zaken ‘aan het op lossen te zijn’, en niet ‘op te lossen’. Het één staat namelijk niet gelijk aan het ander. De nationalistische krachten lijken op dit moment nog een speeltje te zijn in handen van de autoriteiten, maar na verloop van tijd zullen ze hun eigen macht gaan voelen. En trouwens, als men een bepaald stadium eenmaal voorbij is, valt het lont helemaal niet meer te doven. Als al die gevaren eenmaal niet meer te controleren vallen (en als dat zichtbaar wordt voor iedereen), dan zal het land opgeschrikt worden door rampen die op dit moment ondenkbaar zijn. Helaas beschouwen de autoriteiten legale en normale vormen van protest als zijnde illegaal. Iets wat het protest juist steeds extremer maakt.

De aard van het moderne Russische staatsbestel wordt derhalve niet gekenmerkt door een klassieke vorm van corruptie maar door een getolereerd overheidsparasitisme, waarbij de meeste vertegenwoordigers van de overheid er niet in slagen om hun ‘verworvenheden’ te legaliseren en te gebruiken. In Rusland bestaat er geen rechtsstelsel. Er bestaan veeleer krachten die er op gericht zijn om zaken ‘aan de kook te houden’. Die stromingen wensen op dit moment geen zaken stop te zetten, maar zij zullen te zijner tijd misschien de kracht niet meer hebben om diezelfde zaken binnen de perken te houden. In Rusland heerst er geen democratie. Eerder een systeem waarin heel gecontroleerd individuele overheidsbevoegdheden van de ene groep ambtenaren aan de volgende worden overgedragen, waarbij de ene groep eigenlijk niet meer van de andere te onderscheiden valt.
Het moge duidelijk zijn dat de bron voor financiering van dit hele systeem de grondstoffensector is. Maar men is er zich nog nauwelijks van bewust dat de overheid ook toegang zoekt tot inkomsten van andere sectoren, die zijn groeiende honger zouden kunnen bevredigen. Helaas kan dit hele systeem niet hervormd worden. Een ‘vreedzame oplossing’ is niet mogelijk.

Westerse inschattingsfouten betreffende Rusland

Tegenwoordig worden er in het Westen sterke en duidelijke argumenten aangehaald voor het onderhouden van stabiele en vriendschappelijke relaties met Rusland. Het belangrijkste argument hiervoor is in de VS echter verschillend dan in de Europese Unie.
Voor Amerikaanse politici is het hoofdargument de alliantie met Rusland in de strijd tegen het terrorisme. Een alliantie die president Poetin aan George W. Bush verzekerde na de terreuraanslagen van 11 september 2001. De relaties tussen Moskou en Washington worden gekenmerkt door gelijkenissen in de heersende politieke doctrine, hoewel er verschillen zijn in de manier waarop die wordt uitgevoerd. Ook hangt de politieke toekomst van de leiders in de VS en Rusland niet in gelijke mate af van de successen die geboekt worden in die ‘strijd tegen het terrorisme’.
Voor Europese politici vormen de economische relaties tussen Rusland en de Europese Unie het belangrijkste argument. Anders dan in de Verenigde Staten, waar de nadruk gelegd wordt op politieke problemen, zijn in Europa economische onderwerpen primordiaal. Rusland levert immers 50% van het aardgas en 30% van de aardolie, die aangekocht wordt door de lidstaten van de EU. Daarmee voorziet Rusland in 25% van de totale Europese aardgasbehoefte. En dat aandeel zal alleen maar blijven groeien. Tegelijkertijd is Rusland één van de grootste importeurs van Europese producten. De Europeanen leveren meer producten aan de Russische markt dan aan China. Qua handelsvolume deelt Rusland, met Zwitserland, de status van derde handelspartner van de EU (na de VS en China).

Hoewel de belangrijkste argumenten voor het ontwikkelen van stabiele en vriendschappelijke relaties met Rusland in de Verenigde Staten anders zijn dan in de EU, wordt het beleid van beiden op basis van gemeenschappelijke ideeën bepaald. Een bijzondere plaats in dit beleid komt toe aan de aardolie(prijzen). In de afgelopen tijd werd Rusland vergeleken met Saoedi-Arabië, als zijnde één van de grootste producenten van ‘zwart goud’ in de wereld. Of we er blij mee zijn of niet, de factor olie zal nog heel lang een dominerende rol blijven spelen in de relaties tussen de Russische Federatie en de andere landen van de G-8. Aardgas en de vele andere soorten minerale grondstoffen waaraan Rusland rijk is, zullen die rol alleen maar versterken.

Zowel de Verenigde Staten als de Europese landen streven er naar om invloed te houden op Rusland omdat het ook een potentiële bondgenoot is in internationale aangelegenheden en permanent lid van de Veiligheidsraad van de VN. Tezelfdertijd maken zowel de VS als de EU zich zorgen over de imperiale ambities van Rusland. De mogelijkheden om deze ambities te realiseren, worden in het Westen echter meestal zwaar overschat. Het is wel waar dat er een ‘angstaanjagend effect’ uitgaat van deze ambities, omdat Moskou op zoek gaat naar bondgenoten onder verwerpelijke regimes binnen het GOS (Wit-Rusland en Oezbekistan) en daarbuiten (Syrië, Iran en Noord-Korea). Dat doet de alarmbel inderdaad rinkelen. Dat gegeven wordt nog versterkt door de theatrale toenadering tussen Rusland en China. Dit alles zet Westerse leiders er toe aan om hun verschillen met Rusland af te vlakken, om deze zwakke en besluiteloze bondgenoot niet van zich te vervreemden, hoewel deze tegelijkertijd een potentiële tegenstander is.

Een heleboel emotionele, rationele en zelfs ideologische overwegingen staan dan ook een goede analyse van de Russische problemen in de weg.
\* Op basis van emotionele overwegingen kan een versterking van president Poetin nooit vruchtbaar zijn. Zeker niet als we denken aan de grote problemen uit de jaren negentig, en de nogal ongelukkige rol die het Westen daarin speelde. De Russische schending van de mensenrechten wordt in het algemene bewustzijn van het Westen gereduceerd tot het probleem Tsjetsjenië, heel vaak ingekaderd in de strijd tegen het terrorisme, en tot de vervolging van oligarchen, terwijl de manier waarop deze zich verrijkt hebben zeer twijfelachtig is.
Het ontbreken van een onafhankelijk rechtsstelsel, de consequente onderdrukking van de vrije meningsuiting (en zelfs van de glasnost) en de wijdverbreide corruptie worden meestal gezien als binnenlandse aangelegenheden. Bovendien heeft het Westen de ogen veel te veel gesloten gehouden voor de ‘streken’ van de Kremlinleiders; het kan zich daar moeilijk plotseling in het openbaar zorgen om gaan maken. En precies daarom roept iedere alarmmelding uit Rusland eerder irritatie dan verontwaardiging op en komt er nooit een uitgesproken reactie van het Westen.
\* De rationele overwegingen monden uit in de negatieve rol die gespeeld wordt door het Westen, omdat het elke politieke theorie herleidt tot economische aspecten. Rusland wordt beschouwd als een dynamisch land met een markteconomie. Men neemt immers het absolute groeitempo als graadmeter voor het peil van economische ontwikkeling. Bovendien lijkt men uit te gaan van de bekende theorie dat democratie pas vaste voet aan de grond krijgt in een samenleving waarvan het bnp per hoofd van de bevolking boven de $6000 ligt. Dit alles leidt ertoe dat men het gevoel heeft dat men zich helemaal geen zorgen hoeft te maken over de toekomst van de Russische democratie.
\* In ideologisch opzicht speelt de beruchte ‘pro-westerse’ houding van het Poetin-regime een belangrijke rol. De president is er in geslaagd om zijn Westerse collega’s ervan te overtuigen dat er in Rusland geen andere grote groeperingen te vinden zijn die bereid zouden zijn om net zo’n vriendschappelijke koers aan te houden in de relaties met het Westen als hij en zijn vrienden. Die ‘pro-westerse’ houding wordt overigens alleen ingenomen in de buitenlandse politiek. De binnenlandse politiek daarentegen is gericht op het sluiten van Westers georiënteerde instellingen en het discrediteren van Westerse waarden. In feite is Poetin er in geslaagd om zijn Amerikaanse en Europese leiders er van te overtuigen dat democratie in Rusland net zo wenselijk is als in Saoedi-Arabië: in principe is democratie natuurlijk nodig, maar in de praktijk reuzegevaarlijk. Als bewijs wordt er verwezen naar de aanwas van uiterst rechtse nationalistische krachten in het land, die weer een soort Sovjetachtig rijk zouden willen doen herleven. Maar net zoals het regime van de Saoedi’s officieel de Wahabieten ondersteunt en ondertussen via tussenpersonen terroristische organisaties financiert, zo is het regime van Poetin juist de grootste sponsor en beschermheer van de nationalistische krachten in Rusland. Het is eigenlijk nog erger. Deskundigen gaan er van uit dat in de Arabische landen het volk reactionair is (meer dan blijkt uit de officiële propaganda). In Rusland schildert de regering het eigen volk echter slechter af dan het is; de staat wordt dan weer beter afgeschilderd. Het probleem voor Westerse politici en deskundigen ligt er in besloten dat zij een dergelijke handelwijze niet kunnen begrijpen. Zij zijn immers al decennialang gewend om over de nation te spreken, en niet over ‘het achterlijke volk en zijn grootse regering’.

Dat de logica achter de handelwijze van de Russische regering, haar doelen en middelen, ver buiten het voorstellingsvermogen van het Westen ligt, is goed voelbaar in directe gesprekken met Westerse experts. In de afgelopen tijd geloofden veel deskundigen de getuigenissen, die hen uit Rusland bereikten, gewoonweg niet. Of beschouwden zij deze feiten als de spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel. Anders gezegd, Westerse politici gaan er in het geval van Poetin niet van uit dat het ‘helaas noodzakelijk’ is om met deze Byzantijnse heerser om te gaan; terwijl ze dat wel doen in hun relaties met dictatoriale leiders in het Midden-Oosten en Afrika. Ze zijn er immers van overtuigd dat president Poetin ‘geen dictatoriale heerser is’. Dat is, mijns inziens, een verkeerd standpunt.
Betekent dit dat het Westen de Russische democratie verraadt? Neen. Het is niet de plicht van het Westen om de democratie hier te verdedigen of te onderhouden. Het opbouwen van een democratische samenleving is de taak van de Russen zelf, en niet zozeer van anderen.

Het Westen is, mijns inziens, niet zozeer schuldig omdat het zich niet mengt in de situatie, maar eerder omdat het verkapt, en soms heel openlijk, steun geeft aan de ondemocratische regering van het hedendaagse Rusland. Westerse regeringen zijn bang voor Rusland. En dat hoeft helemaal niet!
Vooreerst is het moderne Rusland in economisch opzicht helemaal geen zelfvoorzienend land. Bijna 70% van de uitvoer bestaat uit grondstoffen. Bijna 75% van de uitgevoerde grondstoffen gaan naar de Europese landen van het GOS, de EU en de VS. Rusland is veel afhankelijker van Europa als afnemer van energie, dan Europa van Rusland als leverancier. Economisch gezien heeft Rusland het Westen harder nodig dan omgekeerd.
Ten tweede is de Russische samenleving (let wel: de samenleving, niet de leiders) helemaal niet zo reactionair als gewoonlijk wordt aangenomen. Een democratisch Rusland, waarin echt sprake is van vrije meningsuiting, persvrijheid, een onafhankelijk rechtsstelsel en een open markteconomie zal geen gevaar zijn voor het Westen.
In de derde plaats kan Rusland de band met China helemaal niet versterken zonder rampzalige gevolgen. China is zowel op economisch, als op ander gebied veel sterker. Als er ooit een geografische keuze tussen Europa/VS en China op de agenda zou komen te staan, dan zouden de aanhangers van de ‘oosterse variant’ in Rusland ongetwijfeld in de minderheid zijn. In de loop der geschiedenis zijn er immers nooit nauwe culturele banden geweest met het Oosten. Bovendien bestaat er een reëel gevaar van Chinese expansie, en zijn de economische banden tussen beide landen nauwelijks ontwikkeld.
Ten slotte is de huidige Russische leiding helemaal niet zo vrij in haar handelingen als vaak gedacht. Dat blijkt uit haar eigen verklaringen. Bijna al haar acties waren de afgelopen jaren gericht op het garanderen van materieel welzijn aan een kleine groep privépersonen. Tientallen miljarden dollars werden ofwel vanuit Rusland naar Europa en de VS uitgevoerd, ofwel geïnvesteerd in Russische activa met Westerse firma’s als eigenaar. Die financiële middelen vormen een machtige hefboom om druk op de Kremlintop uit te oefenen.

Conclusie

De hoofdstelling in dit artikel is de volgende: in de afgelopen jaren aanvaardde het Westen het beeld van de Russische werkelijkheid, door het Kremlin opgehangen, veel te kritiekloos. Het Westen onderschatte ten onrechte de eigen drukkingsmiddelen om invloed te kunnen uitoefenen op Rusland.
Het is hier zeker niet de bedoeling, in tegenstelling soms tot anderen, om op te roepen tot een ‘kruistocht’ in naam van het herstel van de Russische democratie. Een volk dat het toestaat dat zijn eigen regering één voor één alle bestaande rechten afneemt, heeft voorlopig geen behoefte aan de hulp van ‘kruisvaarders’. We kunnen er echter met enige zekerheid van uitgaan dat het volk op een gegeven moment wél klaar zal zijn voor krachtige protestacties.
Vraag is hoe het Westen daar dan op zal reageren? Zal het bereid zijn om zwijgend in te stemmen met het verbod op een aantal politieke partijen? Of moeten eerst alle politieke activiteiten verboden worden voordat het uiting geeft aan zijn ‘diepgaande bezorgdheid’? Zullen Europese en Amerikaanse politici blijven zwijgen als een gewapende opstand in, bijvoorbeeld, Vladikavkaz de kop wordt ingedrukt? Of als er geschoten wordt op een vreedzame demonstratie in Ekaterinburg? Of op een bijeenkomst in Moskou? Hoe zouden Westerse politici reageren als de militaire leveringen aan China met grote sprongen toenemen? Of als er, samen met China, nieuwe systemen voor raketafweer worden uitgewerkt? Of als er een Russisch-Chinees communiqué komt dat de legitimiteit erkent van een militaire oplossing voor het ‘Taiwanese probleem’? Vinden zij het een normaal verschijnsel dat Lukoil en Severstal gerenationaliseerd worden? Of moeten eerst de activa van British Petroleum, Shell of Total geconfisceerd worden, voordat zij reageren?
Anders gezegd: hebben Westerse politici eigenlijk een duidelijk idee welke acties van Russische machthebbers te ver gaan en welke veranderingen in de politieke koers van het land onaanvaardbaar zijn? Het lijkt van niet. Het zou nochtans beter zijn om dat wel te weten…

Vladislav Inozemtsev
Russische Doctor in de Economie, Directeur van het onafhankelijke Centrum voor Onderzoek naar de Post-Industriële Samenleving (Moskou), Hoofdredacteur van de Russische editie van Le Monde Diplomatique.

cartoon: © Arnout Fierens

Vladimir Poetin - Rusland - perceptie

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 2 (februari), pagina 48 tot 55