Abonneer Log in

Recht op luiheid? De erfenis van Vivant als socialistische uitdaging

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 50 tot 56

Vivant verbaasde vriend en vijand door relatief hoge ogen te gooien in de verkiezingsstrijd van 1999. Het succes was echter van korte duur, want nog geen tien jaar later houdt de partij op te bestaan om een nieuw leven te beginnen binnen de structuren van de vernieuwde Open Vld. Vivant laat echter een erfenis na die ook voor de sp.a van groot belang kan zijn: het ‘basisinkomen voor iedereen’. Het relaas van een beweging die de status van eenmanspartijtje nooit kon overstijgen, en welke rol de Vlaamse socialisten in dat verhaal kunnen spelen om hun idealen te verwezenlijken.

Vivant in vogelvlucht: ‘van beweging naar beweging’

Roland Duchâtelet, een burgerlijk ingenieur die een succesvol zakenman en zo een van de rijkste mensen van België werd, publiceerde in 1994 het boek N.V. België. Verslag aan de aandeelhouders, waarin hij de herverdelingsmechanismen van de welvaartsstaat bekritiseerde en een alternatief socio-economisch model, gebaseerd op het basisinkomen, uittekende. Om zijn ideeën in politieke realiteit te vertalen, steunde hij de schertspartij Banaan van Louis Standaert, zonder enig electoraal succes. Maar op de fundamenten van deze partij verscheen in 1997 onder auspiciën van Duchâtelet een gloednieuwe ster aan het politieke firmament: Vivant. Een partij die als vehikel moest dienen om de ideeën van Duchâtelet te promoten bij het grote publiek, hoewel de voorman zelf liever over een ‘beweging’ sprak. Een beweging die naambekendheid verwierf door grootschalige advertentiecampagnes, bij gebrek aan financiële middelen volledig door de voorzitter zelf gefinancierd.

Het programma van Vivant bestond uit vier kernpunten1:
- de invoering van een basisinkomen op bestaansniveau;
- het schrappen van de sociale bijdragen en de inkomstenbelasting voor werknemers en werkgevers en het invoeren van een inkomstenbelasting van 50% op het geheel van de inkomens boven de 1.350 euro per maand;
- het innen van de btw en de invoering van de Sociale Belasting op Verbruik dat de hierdoor weggevallen staatsinkomsten moet compenseren;
- het geleidelijk afschaffen van alle belastingen op diensten.

Op sociaaleconomisch vlak nam de partij in het Belgisch politieke landschap daarmee een unieke positie in, hoewel ook Agalev en Ecolo midden jaren 1980 reeds met de idee van een basisinkomen voor iedereen hadden geflirt (zie verder). Naar de buitenwereld toe werd dit innoverende programma echter gereduceerd tot dat ene voorstel: de invoering van een basisinkomen. Dit beeld werd versterkt door de promotiecampagne ‘kies je vrijheid met het basisinkomen’, waardoor Vivant in de perceptie van de kiezer een one-issue partij was, en bijgevolg geen alternatief kon zijn voor de complexe problemen van de hedendaagse samenleving die een ruimer kader behoeven dan het louter socio-economische. Duchâtelet zou na de verkiezingen van 1999 ook zelf erkennen dat het fout was om met dergelijke boodschap onmiddellijk een groot kiezersaantal na te streven.2
Toch leek de partij in de beginjaren te evolueren naar een vaste waarde met een trouw en hoog ledenaantal. Zo daagden voor het allereerste congres 500 mensen op en telde de partij eind 1998 al 2.700 leden, hoewel het gratis lidmaatschap daar ongetwijfeld een grote rol in speelde. In januari 1999 werd melding gemaakt van meer dan 3.500 leden, ‘meer dan het Vlaams Blok en evenveel als Agalev en Ecolo samen’3, en in mei van datzelfde jaar zelfs van meer dan 5.000 leden. Een ijzersterke start, met als kers op de taart een zeer bemoedigend electoraal resultaat tijdens de ‘monsterverkiezingen’ van 1999, waarbij er werd gekozen voor zowel het federale als het regionale én het Europese niveau (tabel 1). Vivant slaagde er wonderwel in om op al deze niveaus kandidaten voor te dragen. Bovendien gebeurde dit als een van de enige unitaire partijen met kandidaten aan beide zijden van de taalgrens. Vivant werd de grootste van de kleintjes, maar slaagde er niet in ook maar één mandataris in het parlementspluche te stallen.

Tabel 1: uitslagen parlementsverkiezingen Vivant.

Bron: Directie verkiezingen FOD Binnenlandse Zaken, http://www.elections.fgov.be/

Op het regionale vlak had de partij iets meer succes, want de flamboyante financier Albert Mahieu mocht in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zetelen (tabel 2). Het bleef echter bij deze ene zetel, ondanks de stevige score die de partij behaalde voor de Waalse raad en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (tabel 2). Voor een partij met zoveel ambitie was de balans dan ook negatief: geen senatoren en kamerleden, en slechts één verkozene in een regionale raad. Tot overmaat van ramp verliet diezelfde Albert Mahieu de partij nog geen half jaar later, wegens ‘voortdurende meningsverschillen over de te volgen strategie’ om als onafhankelijke te zetelen.4

Tabel 2: uitslagen regionale en Europese verkiezingen Vivant.

Bron: Directie verkiezingen FOD Binnenlandse Zaken, http://www.elections.fgov.be/

Stichter/voorzitter Duchâtelet was dan ook ronduit ontgoocheld over de score van zijn partij (die ver beneden de beoogde doelstelling van 5 à 7% bleef) en reduceerde prompt zijn investeringen tot 75.000 euro per jaar. Daarnaast werden de meeste kantoren van de partij gesloten en werd het lidmaatschap betalend. De gevolgen waren desastreus voor het ledenaantal, dat naar 1.000 zakte in 2001. Toen al verklaarde Duchâtelet in de pers dat Vivant voor een keuze stond: ‘ofwel gaan we samen met een andere partij, ofwel beperken we ons tot stemadvies.’5 De zwakke score die Vivant behaalde tijdens de parlementsverkiezingen van 2003 diende meteen als katalysator om daadwerkelijk de zoektocht naar een partner aan te vangen, om in kartelformatie naar de Vlaamse kiezer te stappen. Uiteindelijk werd die partner gevonden in de VLD, en niet in de sp.a waar ook mee werd onderhandeld. Dit leek voor Duchâtelet eerder een kwestie van pragmatiek dan ideologie te zijn: ‘er is ook een doorslaggevend praktisch argument: een kartel met de VLD laat ons toe onze naam op de kieslijst te krijgen. Gezien het aantal lettertekens van sp.a-spirit (..) was dat met sp.a-spirit niet mogelijk.’6
Maar ook in kartelvorm slaagde Vivant er niet in haar boodschap aan het grote publiek te verkopen. Het sleepte in Vlaanderen, ondanks de strijdplaatsen die ze van kartelpartner VLD aangeboden kreeg, geen enkele zetel in de wacht. De dalende trend werd ook in de Waalse raad voortgezet. Alleen in de oostkantons kon de partij haar electorale basis uitbreiden, waardoor Ernst en Joseph Meyer namens Vivant in de Raad van de Duitstalige Gemeenschap mochten zetelen. Op een zitje in het federale parlement werd het wachten tot 2006, toen Nele Lijnen als opvolgster van VLD’er Jacques Germeaux zitting mocht nemen in het parlement. Een gigantisch cadeau, maar slechts een laatste stuiptrekking van een partij die met amper 500 leden op sterven na dood was. Het nekschot kreeg Vivant van stichter Duchâtelet zelf, toen die op 11 februari 2007 bekend maakte dat Vivant als beweging binnen de Open Vld een tweede leven zou beginnen. Het is echter hoogst twijfelachtig of Vivant de facto nog een politieke rol van betekenis zal kunnen spelen. Het roemloze einde van de NCD van Johan Van Hecke voorspelt alvast niet veel goeds.

Het basisinkomen als socialistische uitdaging?

In de nieuwe beginselverklaring van de sp.a staan gelijke kansen en het wegwerken van armoede centraal: ‘Armoede is een structureel probleem. Het legt een fundamentele onrechtvaardigheid in ons economisch bestel bloot. Daarom kan een partij die gelijke kansen als haar centraal thema aanhoudt, niets anders dan die uitroeiing van armoede als haar finale doelstelling vooropstellen’.7 Het instrument om deze doelstelling te bereiken is de ‘actieve welvaartsstaat’, eenvoudig omschreven als een uitgebreid stelsel van sociale bescherming gekoppeld aan persoonlijke verantwoordelijkheid, ofte dwingende aansporingen om tot de arbeidsmarkt toe te treden of bij te scholen. Dit model is echter aan enige erosie onderhevig. In de politiek-wetenschappelijke literatuur en het sociaal-wetenschappelijk onderzoek is de uitholling van de welvaartsstaat door globalisering, europeanisering en regionalisering genoegzaam bekend. Zo toont het onderzoek van Bea Cantillon van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA) aan dat ‘de armoede bij uitkeringstrekkers die binnen het gezin op geen ander inkomen kunnen terugvallen, sterk (is) toegenomen’8 en dat er ‘te weinig creativiteit is om andere oplossingen te verzinnen.’ Daarenboven heeft de ganse discussie omtrent het omstreden Generatiepact aangetoond dat het niet zó vanzelfsprekend zal zijn om alles in de toekomst betaalbaar te houden.

Nochtans is er wel degelijk een alternatief voorhanden. Een alternatief dat Vivant in al die jaren vruchteloos aan de bevolking probeerde te verkopen. Geef iedereen, zonder vragen of voorwaarden te stellen, een basisinkomen op bestaansniveau dat hoog genoeg is om aan de basisbehoeften van de mens te voldoen. Dit basisinkomen dient echter niet om de welvaartsstaat te vervangen, maar moet gezien worden als een aanvulling ervan. Het zou ingevoerd kunnen worden ter vervanging van de kinderbijslag, de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen en het minimumloon. Het basisinkomen is één vorm van sociale bescherming, maar sluit andere aanvullende vormen van sociale bescherming natuurlijk niet uit. Deze kunnen zelfs worden versterkt.
Hoewel het basisinkomen zeer veel ideo-logische dimensies en dito mogelijkheden heeft, is er in deze bijdrage enkel ruimte om de voordelen van het basisinkomen te bespreken ter bestrijding van armoede, dé socialistische uitdaging. Zijn meest prominente verdienste is het aanpakken van de zogenaamde armoede- en werkloosheidsvallen. Er ontstaan immers ‘vallen’ wanneer het voor een werkloze oninteressant is om betaald werk aan te nemen, omdat de inkomsten ervan niet opwegen tegen de voordelen en de uitkeringen die door de staat worden verstrekt, of omdat het aannemen van een job niet helpt om uit de armoede te klimmen. Wanneer zij echter sowieso een niet-belast inkomen ontvangen zal élk betaald inkomen een bonus betekenen, en bijgevolg een reële incentive betekenen om te werken. Het basisinkomen blijft immers onvoorwaardelijk behouden, dus ook als mensen werken en andere inkomens hebben. ‘Making work pay’, een credo dat regelmatig weerklinkt in debatten omtrent de activering van werklozen, kan zo realiteit worden. Een ander bekend probleem werd door wijlen Herman Deleeck mooi omschreven als het Matteuseffect, een fenomeen waarbij de voordelen van sociaal beleid in verhouding meer naar de hogere sociale klassen dan naar de lagere gaan, terwijl dat eigenlijk omgekeerd zou moeten zijn. Met het eenvoudige systeem van een basisinkomen (‘ieder individu krijgt het’) hoeft men niet meer over gesofisticeerde kennis te beschikken om te genieten van sociale voordelen. Ook de mensen die nu uit de boot vallen, worden bijgevolg geholpen.
Daarnaast bestrijdt het basisinkomen de stigmatisering van werklozen (‘zij die hulp moeten krijgen’, ‘zij die profiteren van de staat’), gezien het onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden wordt opgeheven. Elk mens krijgt dezelfde startkansen, waarna het ieder vrij staat om zijn of haar leven naar eigen goeddunken in te vullen. Een ander belangrijk voordeel betreft de mensen die participeren aan de maatschappij, maar geen goederen produceren die een economische (markt)waarde bezitten, zoals huismoeders, kunstenaars et cetera. Zij leveren een belangrijke bijdrage aan onze maatschappij, maar worden daar nu niet (afdoende) voor beloond. Wanneer zij echter een basisinkomen ontvangen, worden ook zij naar waarde geschat. In dat opzicht kan het meteen ook een emanciperende werking hebben.

Om het basisinkomen op een politiek realistische manier in te voeren, en om de bevolking langzaam te laten wennen aan de (vooral mentale) omschakeling die het basisinkomen betekent, kan men het gradueel implementeren. Een mogelijkheid die vaak wordt geopperd, is om als eerste stap het kindergeld te vervangen door een basisinkomen. Een volgende stap kan dan het vervangen van het bestaansminimum zijn, om zo na verloop van tijd het einddoel te bereiken. Dat dergelijke opzet niet zo utopisch is als veelal wordt verondersteld, bewijzen de ervaringen in Alaska (waar reeds meer dan twintig jaar op jaarbasis een dividend wordt uitgekeerd aan de inwoners ter representatie van de natuurlijke olierijkdommen van de staat, waar iedere inwoner evenveel recht op heeft) en in Brazilië, waar in 2004 een wet werd gestemd die een basisinkomen gradueel invoert, te beginnen bij de allerarmsten.

Het basisinkomen is uiteraard geen wondermiddel voor alle socio-economische problemen waar de huidige samenleving voor staat. Daarom moeten we ook even kort ingaan op de meest voorkomende kritieken waaraan de invoering van een basisinkomen onderhevig zal zijn. De belangrijkste opmerking die ongetwijfeld zal rijzen, is uiteraard: ‘en wie zal dat betalen?’. Want als het basisinkomen niet betaalbaar is, blijft het gedoemd tot academisch getheoretiseer waar niemand wat aan heeft. Toch lijken de meeste onderzoeken die nagaan wat de economische impact van dergelijk systeem zou hebben, te bevestigen dat het haalbaar is9, eventueel gecombineerd met een verschuiving van belastingen of gefinancierd door een Europese taks. Daarnaast mag men ook niet uit het oog verliezen dat de administratie heel wat zou vereenvoudigen en dat controles op het naleven van de voorwaarden om een uitkering te ontvangen overbodig worden. Een tweede kritiek situeert zich op het morele vlak: is het wel rechtvaardig om mensen zonder tegenprestatie een inkomen te bezorgen? Opnieuw een zeer terechte bedenking, die echter een ethische en geen politieke rechtvaardiging behoeft. Een taak waaraan reeds heel wat filosofen zich aan hebben gewijd, de Belgische filosoof Philippe Van Parijs op kop.10 Daaruit vloeit ook de vrees dat mensen zullen stoppen met werken om louter en alleen van dat basisinkomen te genieten. Het is echter twijfelachtig of deze vrees bewaarheid zou worden. Arbeid zou nog steeds een belangrijke vorm van noodzakelijk inkomen zijn voor mensen die toch enige levensstandaard en comfort nastreven. Bovendien heeft arbeid voor mensen nog heel wat andere functies dan louter het verwerven van inkomen. Onderzoek met Win for Life-winnaars lijkt te bevestigen dat het inderdaad zo’n vaart niet zal lopen. En wat met bijvoorbeeld migratie? Zal een basisinkomen zonder voorwaarden geen belangrijke aantrekkingskracht voor migranten zijn? Hier worden we geconfronteerd met de discussie vanaf welk ogenblik nieuwkomers ook effectief het basisinkomen zouden kunnen krijgen. Maar dit geldt evenzeer voor de sociale bescherming die nu geboden wordt. Er zijn hoe dan ook tal van reële problemen waarover verder onderzoek en debat noodzakelijk is.

De houding van links: een paradigmaverschuiving

Hoewel het basisinkomen duidelijk mogelijkheden biedt om een aantal tekortkomingen van de huidige sociale constellatie weg te werken en de strijd tegen armoede succesvol aan te vatten, zijn de belangrijkste spelers ter linkerzijde radicaal tegen. Johan Vande Lanotte was daar in 1995, als toenmalig Minister van Sociale Zaken, zeer stellig over: ‘Een discussie over het basisinkomen behoort (..) tot het verleden’.11 Integendeel, de sp.a stortte zich, onder impuls van Frank Vandenbroucke, met bijzonder veel enthousiasme op de actieve welvaartsstaat en de creatie van jobs naar het voorbeeld van Anthony Giddens’ The Third Way, een dogma waar men in de partij niet meer van wou afwijken.
Ook de socialistische vakbond ABVV is tegen de invoering van een basisinkomen omdat ‘dit eigenlijk een extreem-liberaal voorstel is, gezien het weliswaar het geweten sust maar eigenlijk de marktmechanismen volledig vrij spel laat’ en ‘het een deel van de inkomensvorming aan de arbeidsverhoudingen en dus aan het syndicale optreden onttrekt’.12 Ofte, de angst om aan macht in te boeten. Ironisch genoeg wordt het basisinkomen pas nu een ‘liberaal voorstel’, want Open Vld heeft onder impuls van de ‘beweging’ Vivant de belofte gedaan om het idee van een basisinkomen verder uit te werken.13 Het basisinkomen dreigt zo inderdaad een liberale connotatie te krijgen en tot een voorstel te verworden waar socialisten met een wijde boog omheen lopen. Liberale voorstellen zijn immers per definitie ‘verdacht’.
Eigenlijk kan in de houding van links een heuse paradigmaverschuiving waargenomen worden. Toen het basisinkomen in 1984 voor het eerst opdook in België in een door de Koning Boudewijnstichting bekroond essay van het Collectif Charles Fourier (met onder andere de filosoof Philippe Van Parijs en de econoom Philippe Defeyt), werd het idee louter in linkse en academische kringen bediscussieerd en bestudeerd. Zo verscheen in Komma een uitgebreide analyse van de voor- en nadelen, en werd het basisinkomen partijpolitiek vertaald door de groene partijen Agalev en Ecolo. Maar toen duidelijk bleek dat - in tegenstelling tot Nederland - geen enkele beleidsmaker de idee genegen was, bleef het buiten de academische wereld stil rond het basisinkomen. Tot Vivant het weer op de politieke agenda plaatste en het een verhuis van de economisch linkerzijde naar de economisch rechterzijde onderging.

Epiloog

Toen Francis Fukuyama in zijn spraakmakend artikel The End of History (1989) boud stelde dat de liberale markteconomie en de parlementaire democratie het pleit van de ideologische strijd hadden gewonnen, stak een storm van protest op. Ook - en vooral - ter linkerzijde van het politieke spectrum. Maar een kleine twintig jaar later kan men niet anders dan vaststellen dat Fukuyama vooral gelijk heeft gekregen. Ook sociaaldemocraten stellen zich immers geen vragen meer bij de consensus van de vrije markt en proberen hun doelstellingen te bereiken, in het spoor van Anthony Giddens, door middel van de ‘actieve welvaartsstaat’. Deze quasi algehele consensus houdt echter gevaren in. Er heerst dan niet alleen ideeënarmoede om creatieve oplossingen te bedenken voor de problemen en tekortkomingen van die welvaartsstaat, zoals Bea Cantillon terecht stelde, ook het dogma dat ‘werk, werk, werk’ ons rechtstreeks naar het Walhalla zal leiden, stuit velen tegen de borst. Het mens-zijn, de kwaliteit van het leven lijkt naar het achterplan te zijn verschoven.

In het licht van de merites van het basisinkomen zou het voor de Vlaamse socialisten onaanvaardbaar zijn om dit idee door Open Vld te laten monopoliseren. Mocht het basisinkomen ingang vinden in de maatschappij (en dat dit niet helemaal utopisch is, bewijzen de voorbeelden van Alaska en Brazilië) kan het in handen van liberalen immers een perfide middel worden om de welvaartsstaat te ontvetten ten koste van de sociale voorzieningen, die nu de zwakkeren in onze maatschappij moeten beschermen. Hiervoor kunnen zij steunen op een liberaal icoon als Milton Friedman die een ‘Negatieve Inkomstenbelasting’, een variant van het basisinkomen, als een doeltreffend wapen zag om de logica van de vrije markt ten volle te laten spelen. Net de reden waarom het ABVV dit voorstel verwerpt. Maar in een socialistische versie kan het basisinkomen daarentegen een bruikbaar instrument worden om de strijd tegen armoede met succes op te voeren (en zelfs te winnen) en de solidariteit te versterken in de loop van de 21ste eeuw.
Wanneer de sp.a op 10 juni met armoedebestrijding als thema naar de kiezer trekt, kan men deze Vierde Weg maar beter niet ‘links’ laten liggen. Al zou de eventuele implementatie van een basisinkomen overeenkomen met een politieke processie van Echternach. Ook al bereikt die - ooit - zijn doel.

Wim Van Lancker
Student Politieke Wetenschappen, UGent

Noten
1/ Het Vivant Programma (2003), http://www.vivanteurope.org/doc/Doc4\_nl.pdf, laatst geraadpleegd op 4 maart 2007.
2/ Vanderborght Y. (2000), ‘The Vivant Experiment’, in: Van der Veen R. en Groot L. (eds), Basic income on the agenda: Policy Objectives and Political Changes, Amsterdam, Amsterdam University Press.
3/ Goossens R. (1999), ‘Vivant begint reclamecampagne al over een week’, in: De Morgen, 23/01/1999.
4/ Belga (2000), ‘Albert Mahieu stapt uit Vivant’, in: De Standaard, 4/01/2000.
5/ Goris P. (2001), ‘Vivant telt zijn laatste dagen, of niet...’, in: De Morgen, 20/01/2001.
6/ Cochez T. (2003), Vivant-voorzitter Roland Duchâtelet: ‘We kunnen als VLD-Vivant naar de kiezer stappen’, in: De Morgen, 15/12/2003.
7/ ‘sp.a Beginselverklaring’, http://www.onzeprincipes.be/pdf/spa\_beginselverklaring.pdf, p. 2.
8/ Van Impe L. (2007), ‘We beseffen niet hoe diep we gezakt zijn op de welvaartsladder’, in: De Morgen, 26/02/2007.
9/ Zie bijvoorbeeld een aantal studies beschikbaar op de website van Vivant: http://www.vivant.org/. En op de website van BIEN (Basic Income Earth Network): http://www.etes.ucl.ac.be/bien/index.html .
10/ Onder andere in zijn magnum opus: Van Parijs P. (1995), ‘Real Freedom for All’, Oxford, Oxford University Press, p. 330.
11/ Vande Lanotte J. (1995), ‘Eindelijk kan discussie over basisjobs beginnen’, in: De Morgen, 4/11/1995.
12/ ABVV (1997), ‘Bijlage 2: Modernisering sociale zekerheid, Standpunt ABVV’, http://www.fes.de/fulltext/ialhi/90054/90054013.htm .
13/ Brinckman B. (2007), ‘VLD doekt Vivant op en gaat alleen verder’, in: De Standaard, 7/02/2007.

armoede - basisinkomen - armoede

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 3 (maart), pagina 50 tot 56