Abonneer Log in

Een ambtenaar is geen privépersoon: echt niet!

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 44 tot 45

Het homohuwelijk en de controverse daar rond in Nederland was vanzelfsprekend slechts de aanleiding voor mijn artikel. Of de chronologie en de context daarin volledig juist werd weergegeven doet niet ter zake. Mijn voorbeeld toont wel aan dat men ook in Nederland nog de discussie voert over de wijze waarop een ambtenaar zijn of haar ambt moet uitoefenen. Wat dat betreft bevind ik me allerminst in slecht gezelschap. Immers, ook Job Cohen meent dat ambtenaren de wet horen te volgen. En dat is de kern van de zaak.
Ambtenaren zijn uitvoerders van een wet- en regelgeving die op democratische wijze tot stand is gekomen. Die uitvoering moet op een correcte wijze gebeuren: voor elke burger zonder onderscheid en ongeacht over welk domein het gaat - ethische kwesties, verkeersreglementering, ruimtelijke ordening, enz. Zo is bijv. het recht op wonen een grondrecht, maar toch aanvaarden we wildbouwen niet. 
Door zijn of haar taak op correcte wijze uit te oefenen, kan een ambtenaar nooit in zijn of haar grondrechten geschaad worden. Dat zou immers betekenen dat de wet of de regelgeving in strijd zouden zijn met de grondrechten. Dan heb je natuurlijk een ander probleem, waarbij de ambtenaar - net zoals elke andere burger - kan en moet reageren.
De stelling van Vrielink is niet altijd consequent en bevat zelfs de aanzet voor een ongelijke behandeling tussen de ambtenaren. Het uitoefenen van de taken van de ambtenaar kan je niet pragmatisch of geval per geval bekijken. Wat dan aan de ene zou toegelaten worden, zou niet noodzakelijk het geval zijn voor een andere. Van discriminatie gesproken!1
Vrielink schermt met de term ‘gewetensbezwaarde’ om toch maar de eigen overtuiging van de ambtenaar te kunnen vrijwaren in de uitoefening van het ambt. Het is een term die echter zeer rekbaar is. Wanneer ben je of kan je gewetensbezwaarde zijn? En over wat? Zoiets moet telkens in een concrete situatie onderzocht worden. Het ambt is één volledig pakket en niet één dat iedere ambtenaar naar eigen goeddunken kan samenstellen. Als je dat doet, creëer je een ongelijkheid onder de ambtenaren en ten aanzien van de burgers. En die weegt dan veel te zwaar door.
Bovendien is de indeling tussen ‘gewetensbezwaarde’ en ‘niet-gewetensbezwaarde’ ambtenaren kunstmatig en onzinnig. Zo’n indeling suggereert bijna dat sommigen moreel hoogstaander zijn dan anderen. Uiteraard heeft iedereen een visie op allerlei onderwerpen, maar belangrijk is dat de ambtenaar consequent zijn ambt uitvoert. Daarvoor is het concept ‘gewetensbezwaarde’ te arbitrair. Zo kan één ambtenaar perfect leven met heterokoppels, maar niet met homokoppels. Anderen kunnen dan weer problemen hebben met andere niet voor de handliggende combinaties: andere of geen religie, gemengde culturen, andere huidskleur, enz.
Dergelijke inconsequentie staat lijnrecht tegenover het doel van de wetten en regelgeving zoals die tot stand zijn gekomen en door de ambtenaar moeten worden uitgevoerd. Bovendien beschermen ze ook de ambtenaar zelf: ook op hem of haar kan geen kritiek gegeven worden omdat hij homo, gekleurd, alternatief, rechts of iets anders zou zijn. Zolang de ambtenaar de taak op een neutrale, correcte en klantvriendelijke manier uitvoert, kan hij of zij om geen enkele wijze blootgesteld worden aan kritiek.
De auteur stelt al te gemakkelijk dat een ambtenaar, door correct zijn taak uit te oefenen, in zijn of haar grondrechten geschaad is. Hoe godsdienstvrijheid in de weg staat voor het voltrekken van een homohuwelijk is mij volstrekt niet duidelijk. Elke ambtenaar kan om het even welke religieuze overtuiging hebben. Door het ambt op concrete wijze uit te oefenen - m.a.w. de wet naleven - getuigt de ambtenaar van zeer veel respect voor de overtuiging van anderen. Elke ambtenaar heeft recht op zijn of haar overtuiging, geloof, hobby’s, enz. Tijdens de uitoefening van het ambt zijn die echter niet van tel. De gebruikers van de openbare dienst hebben daar overigens ook geen boodschap aan. Voor hen primeert de rechtszekerheid; de overtuiging dat diegene die hun zaak behartigt dat doet op een volstrekt correcte en neutrale manier. Elke schijn wekken - hoe ongewild ook dat dit niet zo zou zijn - tast die rechtszekerheid aan en is volstrekt uit den boze.

Chris Reniers
Algemeen secretaris ACOD

Noot
1/ De uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling over weigerambtenaren lijken ingegeven door concrete situaties en zijn volgens mij zeer betwistbaar. Het valt nog af te wachten of een rechtbank - in Nederland of elders - deze uitspraken zou volgen. Enkel uitgaan van ‘een tamelijke waarschijnlijkheid’ is een zeer onzeker gegeven.

ambtenaar - vrije meningsuiting - overheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 6 (juni), pagina 44 tot 45