Abonneer Log in

Dossier staatshervorming: de rationele benadering

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 4

Wie op zoek is naar borrelnootjes en vette vissen, is bij dit nummer van Samenleving en politiek aan het verkeerde adres. Jazeker, dit extra dik themanummer gaat over staatshervorming, maar dan wel over de ware inzet ervan. Of althans: over wat de ware inzet zou moeten zijn.

En daar gaat het bijzonder zelden over in het communautaire ‘debat’. Hoe dikwijls werd bijvoorbeeld niet herhaald dat Vlaanderen over ‘socio-economische hefbomen’ moet beschikken om zijn ‘welvaart veilig te stellen’. Het lijdt geen twijfel dat velen die deze mantra constant reciteren zelf niet weten wat ze er nu precies mee bedoelen. Omdat het voor sommige politieke actoren werkelijk daar niet om draait. Maar ook omdat, zoals de lezer zal merken, het werkelijke institutionele debat niet meteen de meest hapklare brokken oplevert, maar dikwijls taaie kost. Het gaat immers om veel technische aspecten van veel uiteenlopende dossiers.
Daarom wordt in dit nummer het woord gegeven aan deskundigen en terreinactoren, die de actuele kwesties uit het communautaire dossier behandelen. De meeste daarvan zullen de komende maanden besproken worden in het kader van de onderhandelingen over het zogenaamde ‘tweede pakket’ van de zesde staatshervorming dat in juli verwacht wordt. Althans, zo wordt het aangekondigd in het akkoord rond het ‘eerste pakket’.

Niet toevallig opent dit nummer met enkele bijdragen over het arbeidsmarktbeleid. Als de onderhandelingen ergens rond zullen draaien, dan allicht daarrond. De meeste Vlaamse partijen gaven deze materie reeds voor de verkiezingen als prioritair aan. Onlangs nog liet Yves Leterme in een RTBF-interview verstaan dat het zetten van ‘een aantal stappen’ op dit terrein ‘al een heel belangrijk punt zou zijn’ voor het welslagen van het tweede pakket. Wat die stappen precies inhouden blijft echter meestal bijzonder vaag. Er wordt constant gesproken over de ‘regionalisering van het arbeidsmarktbeleid’ alsof dit een duidelijk afgebakende bevoegdheid is en iedereen daaronder dus hetzelfde begrijpt. Quod non.

De concrete en gedetailleerde bijdrage van Fons Leroy over dit thema is dan ook bijzonder welkom. In detail legt hij uit welke defederaliseringen van bevoegdheden en andere institutionele ingrepen volgens hem nodig zijn om de gewesten en gemeenschappen toe te staan een homogeen en coherent arbeidsmarktbeleid te voeren. Hij legt daarbij in detail uit waarom bepaalde federale bevoegdheden voor overheveling in aanmerking komen.
Volgens Jean-Marie De Baene en Luc Vanneste gaat Leroy echter te ver. Hoewel ze ook onderling op een aantal punten van mening verschillen, loopt de essentie van hun kritiek gelijk: het defederaliseren van bepaalde bevoegdheden die raken aan arbeidsmarktbeleid maar onderdeel zijn van federale stelsels als de werkloosheidsverzekering of het arbeidsrecht tast de homogeniteit van dit federale bevoegdheidspakket aan en brengt ons op het pad van een sluipende regionalisering ervan. En daar is onder de drie auteurs wel een consensus over: in essentie moeten sociale zekerheid en arbeidsrecht federaal blijven.

Behalve dat er ook onder Vlamingen geen consensus is over de concrete invulling van een staatshervorming, toont dit ‘debat’ over het arbeidsmarktbeleid aan dat een concept als ‘homogene bevoegdheidspaketten’ geen richtlijn is die eenduidig in een bepaalde richting wijst. Alle drie de auteurs vertrekken van een ‘rationeel’ uitgangspunt en ontwikkelen - vanuit hun eigen deskundigheid en ervaring op het terrein van de werkgelegenheidsproblematiek - voorstellen die bijdragen tot beter bestuur. Toch levert dat vrij uiteenlopende resultaten op.

De discussie over ‘goed bestuur’ begint dan ook maar pas nadat de richtinggevende politiek-ideologische keuzes gemaakt zijn. Een aantal kleinere maatregelen die in het eerste ‘pakket’ van staatshervorming werden beslist (zoals de defederalisering van het Fonds voor Collectieve Diensten en Uitrustingen, FCUD), kan je wel degelijk vooral evalueren op basis van criteria als homogeniteit. Bij een materie als werk ligt dat al veel moeilijker. In essentie is homogeniteit een fictie. Alles hangt samen met alles en als je de homogeniteit op het ene niveau al kan bereiken, tast je ze op het andere niveau aan. De ene optie is niet intrinsiek beter dan de andere, men moet zich enkel terdege bewust zijn van de implicaties die ze kunnen hebben en dat die keuze in de eerste plaats politiek is.

Binnen dat politieke kader moet je natuurlijk wel de instellingen dermate laten functioneren dat ze deze doelstellingen zo goed mogelijk kunnen bereiken. Dat is dan wel degelijk een kwestie van ‘doelmatigheid’ of ‘goed bestuur’.
Helaas leert de recente geschiedenis ons dat die bekommernis om ‘goed bestuur’ in praktijk sowieso niet altijd de voornaamste drijfveer vormt voor staatshervorming. Het artikel van Eddy Boutmans leest als een hallucinant relaas van hoe de beslissing tot defederalisering van (delen van) ontwikkelingssamenwerking tot stand kwam. In essentie was die het gevolg van een minderheidsverbond van Vlaamse en Waalse nationalisten die de bevoegdheid vooral als een gelegenheid zagen om hun regio op de kaart te zetten. Voor de rest van de onderhandelaars was het een handige pasmunt om het Lambermontakkoord rond te krijgen. De belangen van de ontwikkelingslanden en de mening van de betrokken organisaties op het veld bleken daarbij niet doorslaggevend.

De evolutie van dat dossier toont echter aan hoe het communautaire debat stilaan toch een meer rationele inslag krijgt en vooral meer open kan worden gevoerd. Pleidooien om de bevoegdheid te herfederaliseren (of beter: de beslissing tot defederalisering ongedaan te maken), die van meet af aan al binnenskamers werden gehoord, worden sinds enige tijd ook publiek geuit.
Ook rond de defederalisering van de gezondheidszorg, enkele jaren geleden nog één van de Vlaamse prioriteiten (zelfs Groen! sloot zich er als laatste bij aan), is ondertussen een rationeler debat mogelijk. Dat is onder meer het gevolg van de afbouw van de onrechtvaardige transfers, zoals Evelyne Hens en Ivan Van der Meeren illustreren in hun bijdrage. Ze zetten ook alle andere argumenten op een rij die hen tot de conclusie brengt dat regionalisering ‘niet het juiste antwoord’ is op de uitdagingen in de ziekteverzekering.

Daarmee lijkt het ‘goed bestuur’-principe, nochtans door sommigen gebruikt om te pleiten voor een grote staatshervorming die enkel de deelgebieden fors versterkt, ondertussen ook geleid te hebben tot het inzicht dat ook herfederaliseringen en maatregelen die erop gericht zijn de werking van de federale staat te verbeteren geen taboe mogen zijn.
In die laatste categorie valt ook het voorstel voor een federale kieskring, dat in dit nummer nog eens wordt toegelicht door Kris Deschouwer en Philippe Van Parijs. Nog geen jaar geleden werd dat door velen beschouwd als een volstrekt onhaalbaar en frivool idee van wereldvreemde academici, ondertussen is het niet meer weg te denken uit het communautaire debat en zal het eveneens ter sprake komen in de onderhandelingen over het ‘tweede pakket’. De uitgebreide publieke discussie over dat voorstel heeft echter een aantal hardnekkige misverstanden in het leven geroepen, die de auteurs in hun bijdrage rechtzetten.

In dit nummer worden ook mythes weerlegd die vooral de verdedigers van een versterkte federale overheid cultiveren. Zo blijkt uit de bijdrage van Kris De Witte en Jean Eliaerts dat de Lambermontakkoorden niet dermate veel middelen hebben overgedragen aan de gemeenschappen en gewesten dat deze overgefinancierd zijn en de systematische verarming van de federale overheid veroorzaken. Kortom: hun analyse geeft onder meer cdH en N-VA gelijk, die zich onlangs tegen deze analyse van CD&V en vooral Open Vld verzetten. Maar dat neemt niet weg dat de federale overheid en sociale zekerheid wel degelijk kampen met een financieel tekort dat de stijging van de vergrijzingsuitgaven alsmaar nijpender zal maken. En dat hiervoor dus wel degelijk naar de gemeenschappen en gewesten zal moeten worden gekeken. Het probleem wordt bemoeilijkt doordat ook de financiële situatie van het Waals gewest en de Franse gemeenschap niet rooskleurig is. De Witte en Eliaerts rijken een aantal pistes aan om deze situatie het hoofd te bieden, waarin de financiële responsabilisering van gemeenschappen en gewesten een kernelement vormt.

Rond die techniek van ‘responsabilisering’ lijkt overigens uit verschillende bijdragen een consensus naar voren te komen, ook op het vlak van gezondheidszorgen en arbeidsmarktbeleid. Belangrijk is dat het ook centraal staat in de enige Franstalige bijdrage in dit nummer, die van Robert Deschamps. Hij is daarmee een originele stem in het Franstalige debat over staatshervorming en werkgelegenheid, want daar is de betekenis van het concept nog niet goed doorgedrongen. Zo schrijft Dorothée Klein, hoofdredactrice van het weekblad Le Vif / L’Express (de tegenhanger van Knack) in een recent editoriaal het volgende: ‘Of het nu Kris Peeters, Etienne Schouppe of de ondernemers van Voka zijn, ze zeggen min of meer allemaal hetzelfde: ze bekritiseren ons zogenaamd ‘consumptiefederalisme’ en willen een ‘confederalisme van verantwoordelijkheid’. De grondwetspecialisten zien niet goed in wat met deze terminologie wordt bedoeld. Maar we hebben het begrepen: voor het noorden van het land moet het zwaartepunt van de federale staat naar de gemeenschappen verlegd worden. In dat geval weten we niet wat er zal overblijven van de solidariteit tussen de Vlamingen en de Franstaligen’.
Dorothée Klein verwart de discussie over confederalisme (een juridische fictie, die geen enkele goedmenende en/of onderlegde politicus verdedigt) met die over responsabilisering. Dat laatste kan nochtans - afhankelijk van de uitwerking - precies de federale staat en zo zelfs de solidariteit versterken.

Dit citaat (waarvan er nog minder genuanceerde varianten bestaan) bewijst twee zaken. Eén: dat het wantrouwen tegenover elk Vlaams voorstel rond staatshervorming bij sommige Franstalige commentatoren zo groot is dat er zelfs niet meer naar de inhoud daarvan wordt geluisterd (al moet daar aan toegevoegd worden dat menig Vlaams politicus de dovemansdiscussie stimuleert door in holle slogans te praten die voor menige interpretatie vatbaar zijn). Twee: dat men ook in Franstalig België dringend nood heeft aan het type rationele benadering van staatshervorming dat in dit nummer van Sampol betracht wordt.

De verschillende, uitstekende bijdragen in dit nummer doen de hoop groeien dat dit type benadering de boventoon gaat voeren. Want ook actoren uit het veld en deskundigen deinsden er vroeger wel eens voor terug om standpunten in te nemen in het communautaire debat. Zoals gezegd, is er een nog vrij prille positieve evolutie waar te nemen, ook in het partijpolitieke communautaire debat en dan vooral aan Vlaamse kant.
Daarbij valt op een aantal punten echter de twijfelende of onduidelijke positie van de sp.a op. De partij lijkt een kans gemist te hebben om in het communautaire debat een vernieuwende en progressieve stem te laten horen. Zowel aan de rechter- als linkerkant lijkt men die rol aan anderen te hebben overgelaten. Aan Open Vld, dat onder leiding van Guy Verhofstadt als eerste het debat op gang heeft getrokken over een evenwichtige staatshervorming, die niet enkel de deelgebieden maar ook de federale staat versterkt. Hoewel men het niet met alle standpunten die daaronder vallen eens moet zijn, is het deels de verdienste van Verhofstadt dat het steriele debat over ‘meer’ of ‘minder’ België stilaan evolueerde naar dat over een beter België. Aan Groen!, dat als enige op een open manier met de Franstalige zusterpartij Ecolo (met wie het een gezamenlijke kamerfractie vormt) nadenkt over de richting die aan een toekomstige staatshervorming moet worden gegeven, onder meer via gezamenlijke colloquia. Uiteraard wordt ook binnen sp.a nagedacht over staatshervorming. Iemand als Frank Vandenbroucke heeft een aantal van zijn beargumenteerde voorstellen over een ‘sociale staatshervorming’ ook naar buiten gebracht. En Johan Vande Lanotte liet als voorzitter een duidelijk standpunt horen rond de defederalisering van gezondheidszorg, die volgens hem achterhaald was. Toch bleven bepaalde standpunten dikwijls bijzonder vaag en waren standpunten over andere dossiers onduidelijk of afwezig. Bovendien moet een politieke partij concrete en onderbouwde standpunten over specifieke materies - die zoals hier betoogd de essentie zijn van het debat over staatshervorming - ook kunnen inbedden in een wervend en vooral evenwichtig verhaal over de toekomstige inrichting van het federale samenlevingsverband als geheel. Daar ontbrak het de sp.a aan, waardoor de partij het ruimere debat over de staatshervorming minder goed richting kon geven. Dit nummer kan daartoe misschien als inspiratie dienen.

Dave Sinardet
Redactielid

edito - staatshervorming - federalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 4